Letterkunde

BOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2023

Arjen Fortuin: Men moet. Biografie van Gerrit Kouwenaar

door Dirk De Geest

Met het overlijden van Gerrit Kouwenaar (1923-2014) verdween een van de belangrijkste Nederlandse dichters van de twintigste eeuw. Kouwenaar was niet alleen een markante getuige van een aantal tumultueuze gebeurtenissen, hij was ook en vooral de schrijver van een uniek poëtisch oeuvre, dat internationale erkenning verwierf. Gepaard aan deze biografie zijn ook Kouwenaars Verzamelde gedichten uitgegeven in een monumentaal boek.  

Arjen Fortuin, die eerder de biografie van uitgever Geert van Oorschot schreef (Van Oorschot 2015), brengt ons nu een uitvoerig levensverhaal van Gerrit Kouwenaar. Het is een hoogstaande maar tegelijk ook prettig leesbare studie geworden, die Kouwenaar neerzet als mens maar hem ook situeert in de ruimere tijd en een goed licht werpt op zijn ideeën, zijn ontmoetingen, zijn eigen lectuur. Daarbij wordt ook de relatie met het werk op verhelderende wijze uitgewerkt, iets wat in biografieën van schrijvers nogal eens ontbreekt.  
 
Deze biografie brengt ons het vertrouwde verhaal van de schrijver die op zoek gaat naar zijn roeping, maar ze laat vooral zien hoe dat artistieke traject bij Gerrit Kouwenaar nauw samenhangt met de gebeurtenissen in zijn leven. De zogenaamde ‘autonome lyriek’ of ‘dinglyriek’ van de dichter wordt zo in een nieuw perspectief geplaatst, en tal van moeilijke beelden of passages blijken eenvoudigweg de verwerking van realia uit zijn leven. Fortuin gaat zo bijvoorbeeld in op de familiale geschiedenis van Kouwenaar. Hij had een nauwe band met zijn broer en zus, en zij spelen vaak een rol bij bepaalde gedichten of publicaties. Datzelfde geldt ook voor de vader, die net als Kouwenaar journalist was: de oudere man krijgt bijvoorbeeld de debuutbundel van de jonge dichter opgedragen ter gelegenheid van zijn pensionering. Het is overigens treffend hoe Kouwenaar in zijn literaire aspiraties gesteund wordt door zijn gezinsleden. Ook enkele vrienden met soortgelijke ambities spelen een belangrijke rol bij de ontplooiing van zijn talent. De schooltijd daarentegen is allesbehalve stimulerend.  
 
Cruciaal zijn de oorlogsjaren. In tegenstelling tot Andreus of Lucebert is Kouwenaar niet onder de indruk van de bezetter, en hij raakt zelfs betrokken bij illegale activiteiten (vooral dan het uitgeven van een literair tijdschrift dat aan de controle van de Duitse overheid ontsnapt). Dat leidt tot zijn arrestatie, die bijzonder traumatische gevolgen heeft. Kouwenaar wordt mishandeld en blijft zes maanden opgesloten, en in zijn wanhoop verklikt hij zelfs een van zijn vrienden; dat schuldgevoel zal hem in feite zijn leven lang blijven achtervolgen, en het thema van de oorlog en de terreur vormt een belangrijke laag in zijn oeuvre.  
 
Na de oorlog engageert Kouwenaar zich als journalist bij het communistische blad De Waarheid, en hij schrijft essays, een roman en verhalen. Veel belangrijker zijn echter zijn contacten met enkele schilders (onder wie Constant Nieuwenhuys) en vooral de ontmoeting met Lucebert, die een waar schokeffect heeft. Wat volgt, is literatuurgeschiedenis met een hoofdletter. De nauwe samenwerking van de Cobraschilders met de dichters van de Vijftiger-groep resulteert in de totstandkoming van de experimentele poëzie; de bijdrage van Kouwenaar als dichter, als essayist en als bloemlezer valt daarbij niet te onderschatten. Die ongemeen vruchtbare en belangwekkender periode wordt door Fortuin uitvoerig beschreven vanuit het standpunt van Kouwenaar (een perspectief dat in andere studies over de Vijftigers doorgaans is verwaarloosd).
 
In de daaropvolgende decennia verbrokkelt de groep in razendsnel tempo, en ieder van de protagonisten gaat zijn eigen weg. Kouwenaar wordt een van de belangrijkste woordvoerders van wat men de ‘taalgerichte poëzie’ is gaan noemen. Die verschuiving heeft deels te maken met een evolutie in zijn werk, maar ook met een enigszins andere kijk op de vroege gedichten. De dichter maakt school bij de jongere generatie, en zijn werk wordt het onderwerp van opeenvolgende generaties academisch onderzoek (met dissertaties van Kusters en Franssen). De poëzie van Kouwenaar wordt niet alleen bekroond met alle belangrijke prijzen, ze wordt ook populair bij het bredere publiek, niet het minst door de bloemlezingen die de dichter zelf samenstelt. Een aantal van zijn gedichten behoren nog steeds tot het literaire erfgoed. Dat proces van canonisering wordt geschetst, maar tegelijk tracht Kouwenaar voortdurend verder te groeien in zijn werk.  
 
Fortuin gaat terecht uitvoerig in op die laatste periode. Tragisch genoeg brengt het overlijden van zijn vrouw (gevolgd door het overlijden van familieleden en vrienden) het literaire oeuvre van Kouwenaar in een soort van stroomversnelling, met haast perfect uitgepuurde verzen tot gevolg. Daardoor eindigt deze biografie met een hoogtepunt. Het is haast symbolisch dat het overlijden van de dichter als het ware de kroon op het werk betekent en zijn zogenaamd ik-loze oeuvre als een monument laat voortbestaan. Deze biografie is zeker voor aanvullingen vatbaar, maar hoe dan ook vraagt ze terecht aandacht voor een klassiek en eigentijds dichter.
 
Arjen Fortuin: Men moet. Biografie van Gerrit Kouwenaar, Querido, Amsterdam 2023, 589 p. : ill. ISBN 9789021482767. Distributie L&M Books

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri