Voor
zijn roman Een distel in bloei inspireerde Bart Meuleman zich
grotendeels op het leven en het werk van de Kempense schilder Jan Vaerten, die
ooit werd geroemd, maar thans grotendeels in de vergetelheid in geraakt. Via
het fictieve hoofdpersonage Modest Dams brengt Meuleman het leven in kaart van
een kunstenaar die tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog zijn eigen
weg is gegaan vanuit de overtuiging dat hij alleen in en door zijn kunst
zichzelf kon zijn. De offers die hij daartoe moest brengen, hebben zwaar
doorgewogen op zijn persoonlijke levensomstandigheden, op de relatie onder meer
met zijn vrouw Ludwine (‘Luddy’) en zijn zoontje Walter. Als Dams betrokken
raakt bij het verzet, moet hij, letterlijk en figuurlijk, onderduiken, maar hij
blijft ervan overtuigd dat hij het zal maken als schilder:
‘Als ik het gezin in
moeilijkheden bracht, dan spijt mij dat. Het spijt mij zoveel als ik kan. Ik
heb niet voldaan aan verwachtingen en plichten. […] Maar als ik de oorlog
overleef… Ik wil zeggen, als de oorlog voorbij is, dan zweer ik op het hoofd van
mijn pasgeboren zoon dat uw dochter… mijn geliefde vrouw Ludwine een leven
tegemoet gaat aan de zijde van iemand die zijn weg heeft gevonden… en daar tot
buiten de grenzen roem zal mee oogsten. Het zal niet vergeefs geweest zijn’
Het kan lijken
op kunstenaarsgrootspraak, maar – en hiermee wordt de tragiek van Dams’ leven
blootgelegd – uit de mond van de eenzelvige man die hij was , klinkt het als
het credo van een man die alles overhad voor zijn artistieke roeping. Want
daarover gaat de roman in de eerste plaats. De titel ervan suggereert de
tweespalt die Dams altijd heeft ervaren. Zijn werk ‘Distels’ zegt zowat alles,
voor Dams is het slechts het begin van een associatief proces: ‘De distel
schrikt af, we deinzen ervoor terug. Allen al het zicht doet ons huiveren. We
voorvoelen de pijn, of op een dieper niveau, het lijden. Tegelijk bezit de
distel, voor wie goed wil kijken, een zekere schoonheid, dwars tegen alle
klassieke idealen in. Dat zet ik letterlijk in de verf.’ De schilderijen die hij
verder maakte van dieren, expliciteren verder zijn verbetenheid als
einzelgänger zijn weg te blijven zoeken.
Binnen deze optiek kan Een
distel in bloei gelezen worden als een roman over de drijfveren en
de betrachtingen van een kunstenaar. Bart Meuleman heeft zich bijzonder goed
gedocumenteerd als het erop aankwam de mentaliteit te schetsen die toentertijd
de sfeer en de opvattingen bepaalde binnen de wereld van de schone kunsten. Op
dit niveau van de roman lopen werkelijkheid en fictie door mekaar. Hoe Dams
(het fictieve personage als alter ego van Vaerten) moet zien om te gaan met
verzamelaars (Wagemans onder meer die in het leven van Jan Vaerten toch een
niet onbelangrijke rol speelde), de schrijvende pers (onder meer Hubert Lampo
komt hier aan bod), of regeringscommissaris Em. Langui, die hem onder meer naar
de Biënnale van Venetië bracht in 1948. Het biedt alles bijeen het kader voor
bevlogen discussies over de rol en de betekenis van de kunst in het Vlaanderen
van toen.
De
lezer dreigt bij dit alles enigszins bedolven te raken onder de veelheid van
ideeën en beschouwingen over de ‘ziel’ van de kunstenaar. Hoe die zijn weg
moest zoeken, ook als echtgenoot en vader, blijft te zeer decor en laat de
lezer toch met een gevoel van onvoldaanheid achter.
Bart Meuleman: Een distel in bloei, Querido, Amsterdam 2025,
326 p.ISBN 9789025320102. Distributie L&M Books
deze pagina printen of opslaan