‘Vrouwen
moeten geen kunstenaar zijn, die moeten kinderen kopen.’ Die uitspraak deed
niet een 19de-eeuwse burgerlijke patriarch, maar kwam nog in 1991
uit de mond van de vooruitstrevende kunstpaus Jan Hoet. Het bewijst hoe
ingebakken het vooroordeel was dat waardevolle kunst enkel door mannen kon
worden gemaakt. In 2022 publiceerde Christiane Struyven onder de titel Moeten
vrouwen naakt zijn om in het museum te hangen? (Lannoo) een overzicht van
vijftig internationale topkunstenaressen sinds 1850. Nu corrigeert ze in het op
dezelfde leest geschoeide Wie is bang voor vrouwelijke kunstenaars? de
door mannen gedomineerde geschiedenis van de kunst in België van 1880 tot nu.
Ondanks de
tegenwerking die vrouwen zowel in de maatschappij als in de kunstwereld
ondervonden, heeft de auteur chronologisch en zonder noemenswaardige hiaten een
ensemble van 51 kunstenaressen bijeengebracht, die zowat alle genres en
stromingen van de moderne kunst vertegenwoordigen. Ze verdeelt haar overzicht
in vijf tijdvakken: 1880-1920, het interbellum, 1945-1970, 1970-1990 en
1990-2025.
Per
tijdvak wordt in een gedegen inleiding de maatschappelijke context geschetst
met bijzondere aandacht voor de positie van de vrouw, vervolgens de vaak door
mannen gedomineerde kunst(wereld) en tenslotte een overzichtje van de
geselecteerde kunstenaressen. Die worden dan ieder op een volle bladzijde
voorgesteld met een karakterisering van hun werk, de belangrijkste biografische
gegevens, de ontwikkeling van hun oeuvre en de (soms erg late) blijken van
erkenning door prijzen en tentoonstellingen. De helder geschreven teksten
worden gevolgd door enkele representatieve werken (doorgaans een drietal), fraai
gereproduceerd en beknopt gecommentarieerd.
Nog eind 19deeeuw
hadden vrouwen geen toegang tot de academie omdat het tekenen naar levend
naaktmodel hun zedigheid in gevaar zou brengen. Meisjes uit gegoede kring
leerden schilderen bij een familielid en werden daarna verondersteld zich te
beperken tot het schilderen van bloemstillevens, huisdieren en kinderen. De
weergegeven schilderijen van Berthe Art, Henriëtte Ronner-Knip, Louise De Hem
en Alix D’Anethan tonen dat ze in die ‘zachte’ genres hoge kwaliteit bereikten.
Sommige vrouwen, vooral in Wallonië, liepen niet in de pas en schilderden in
haast apocalyptische taferelen arbeidsters in de Borinage (Cécile Douard) of
nachtelijke marines (Marguerite Verboeckhoven).
Begin 20ste eeuw kwam
de vrouwenemancipatie in een stroomversnelling; in de meeste Europese landen
krijgen vrouwen stemrecht behalve in België. Vanaf 1907 laten kunstacademies
meisjes toe. In het interbellum maakte de historische avant-garde korte metten
met het academisme. Ze bleef evenwel ondanks het grensverleggende van haar
kunst een bastion van heroïsche creatieve mannen. Enkele modernistische
vrouwelijke kunstenaars trekken naar Parijs en brengen het postkubisme en
constructivisme en het fauvisme mee naar ons land. Schitterend zijn de uiterst gestileerde
‘Tango’ van Marthe Donas (die een tijdlang onder mannelijk pseudoniem
exposeerde) en de constructivistische illustraties voor kinderboeken van
Elisabeth Ivanovsky. De academische portretten uit deze periode zijn minder
overtuigend.
Na
de Tweede Wereldoorlog maakten Belgische vrouwen als Mig Quinet en Anne Bonnet
boeiende abstracte kunst of laat-surrealistische werken (Jane Graverol, Rachel
Baes). De grote feministische golf van de jaren zeventig luidt het begin in van
zelfbewuste feministische kunst met namen als Evelyn Axell (beïnvloed door de
popart), Tapta (indrukwekkende minimalistische textielsculpturen), Lili
Dujourie (een pionier van de videokunst in België) en Ria Pacquée
(performances). Chantal Akerman komt in aanraking met het New Yorkse
experimentele filmcircuit en maakt hoogst origineel film- en videowerk. Alleen
jammer dat haar sublieme tragikomische kortfilm ‘Saute ma ville’ niet in het
overzicht van haar werk wordt genoemd.
Deze en vooral de volgende
generatie kunstenaressen breken ook door in het buitenland. Marthe Wéry wordt
in 1982 de allereerste Belgische vrouwelijke kunstenaar die ons land
vertegenwoordigt op de Biënnale van Venetië. De hedendaagse kunst (2000-2025)
telt bijzonder veelzijdige en geëngageerde kunstenaressen, die werken in
verschillende media (installaties, objecten, videokunst, fotografie): Marie-Jo
Lafontaine, Françoise Schein, Ann Veronica Janssens, Berlinde De Bruyckere, Ana
Torfs, Otobong Nkanga en de nog niet zo bekende Sofie Muller. Daarnaast
schilderen vrouwen weer vervreemdend figuratief (Karin Hanssen, Ilse D’Hollander,
Tina Gillen, Kati Heck e.a.). Hedendaagse kunst heeft nu de wind in de zeilen,
kunst van vrouwen nog meer.
Christiane Struyven heeft niet alleen belangrijke leemtes
in de geschiedschrijving van de Belgische kunst sinds 1880 gevuld, maar meteen
ook een fraai vormgegeven standaardwerk geschreven, dat tot herziening van de
canon noopt. Bij een tweede druk zou de tekst wel zorgvuldiger op taal- en
spelfouten moeten worden nagekeken en kan een aantal onnodige herhalingen
worden weggewerkt.
Christiane Struyven: Wie is bang voor vrouwelijke kunstenaars? Belgische
kunstenaressen van 1880 tot nu, Lannoo, Tielt, 2025, 268 p. ISBN 9789020978926
deze pagina printen of opslaan