Onlangs verscheen bij uitgeverij In de Knipscheer een merkwaardige nieuwe vertaling
van Van den vos Reynaerde (verder: VdvR). Ze is merkwaardig om
allerlei redenen, onder meer omdat ze van de hand is van Ovidius-vertaler Harrie
Geelen (1939-2025), die jammer genoeg kort voor het boek verscheen, kwam te
overlijden, én omdat ze rijkelijk voorzien is van zwart-witillustraties van de
auteur zelf. Uit een toelichting achterin het boek blijkt dat de vertaling
gebaseerd is op de editie Frits van Oostrom/Ingrid Biesheuvel, die is opgenomen
in Van Oostroms bejubelde studie De Reynaert. Leven met een middeleeuws meesterwerk. Bovendien wordt ze voorafgegaan door een stevige inleiding met als titel:
‘De zaak Reinaerd’. Daarin gaat Jan de Putter – beslist een naam van belang in
het huidige Reynaertonderzoek – nader in op een aantal thematische, narratieve,
juridische en historische aspecten van het middeleeuwse verhaal.
De inleiding is
bijzonder instructief en inspirerend. Ze zoomt in op het feit dat Reinaerd Vos zich
op een gegeven moment voordoet als kluizenaar en misbruik maakt van ‘de
gezegelde brief van Nobel’ om ’s konings vrede te verkondigen: het betreft dus een
verordening die kracht van wet heeft. Reinaerd toont die brief aan Cantecleer
en zijn entourage om hen schijnbaar gerust te stellen, maar slaat ‘buiten de
afgesloten ruimte’ meteen gewetenloos toe. Dat fictionele gegeven, dat in de lange
jeremiade van de gedupeerde Cantecleer de haan – geheel terecht – wordt aangeklaagd,
haalt De Putter in zijn betoog naar voren om te onderstrepen dat de
rechtsregels van bij aanvang aan zet zijn in VdvR. Bovendien gaat hij vrij
uitvoerig in op het belang van ‘verzoening’ en ‘genadeverlening’ in de
toenmalige rechtspraak, d.w.z. die van medio dertiende eeuw in Vlaanderen en
Zeeland. Dat koning Nobel de gedaagde Vos, na alles wat die heeft mispeuterd en
in weerwil van tastbare bewijzen (het onthoofde lichaam van Coppe), uiteindelijk
genade verleent, lijkt voor een moderne lezer onwaarschijnlijk. Daarover stelt
De Putter: ‘Genadeverlening is in onze ogen willekeur, maar in de middeleeuwen
kon genadeverlening een te zware straf corrigeren’. En ook: ‘Met de genadeverlening
is de zaak Reinaerd afgesloten. Reinaerd kan niet nog een keer voor het gerecht
gedaagd worden voor dezelfde misdaden’. Een principe dat als ‘non/ne bis in
idem’ – dacht ik toch – nog altijd rechtsgeldig is in onze contreien.
Over de woord- en registerkeuze van Harrie Geelens vertaling houdt de
inleider het erg kort. Alleen in de slotparagraaf wordt iets over het talige
aspect van de nieuwe omzetting gezegd. ‘Het plezier spat af van de vertaling
die Harrie Geelen van Reinaerd gemaakt heeft. Hij heeft een vertaling
gemaakt die ik bewonder’. De tweede zin verklaart nauwelijks waarom de tekst
tot zoveel ‘plezier’ aanleiding geeft. En ook daarna wordt met geen woord
gerept over stijl, compositie, indeling, beeldspraak, rijm of metrum. De auteur
beperkt zich tot een erg algemene typering, zoals nog uit de slotzin van
dezelfde alinea blijkt: ‘Maar ook zonder kennis van het origineel, is de
geestige vertaling van Harrie Geelen van het begin tot het einde te genieten’. Dit
lovende verdict – om in de sfeer van de rechtspraak te blijven – lijkt me verdedigbaar,
zeker in het besef dat VdvR in eerste instantie een ‘taalkunstwerk’ is,
om een wat vergeten term van literatuuronderzoeker Wolfgang Kayser toch maar
eens te gebruiken.
Geelen heeft in ieder geval gezorgd voor een
tekst waarvan het register min of meer spreektalig en lichtvoetig is en,
ondanks het formele karakter van het geding – ‘de zaak’ die in de titel wordt
vermeld –, veeleer informeel van aard kan worden genoemd. Wellicht met het oog
op de zegbaarheid ervan of om de leesbaarheid voor een jonger of ouder publiek
te vergemakkelijken, of toch niet te bemoeilijken. Het gaat weliswaar niet om
parlando, maar om sterk ritmische verzen die meestal jambisch van aard zijn en er
de cadans stevig in houden. Dat blijkt meteen vanaf de aanzet (‘Willem die Madock
herschiep / en daar nachten niet van sliep’) en wordt het hele gedicht lang
volgehouden. Zo bijvoorbeeld in de altijd weer gesmaakte Tibeert-scène, waarin
de vertaler Julocke, de vrouw van (de) Pastoor, als volgt laat reageren op de pijnlijke
hap van de kater in het scrotum van de zielenherder, die er een teelbal bij
inschiet:
‘Dit is een valstrik uitgebroed
in naam van
Satan en het Kwaad;
dit was uw vaders apparaat!’
riep
zij, ‘kijk dan, Martinet,
voor het bim- en bamduet,
voor
tweestemmig klokkenspel!
Dus ook al geneest hij wel,
’t
zal een gebed zijn zonder end.’
Het oorspronkelijke beeld van het gehalveerde klokkenspel
is bewaard gebleven en vindingrijk in speels hedendaags Nederlands herschreven.
Bovendien wordt – achteraf gezien – op de voor (de) Pastoor onaangename
spelbreker gepreludeerd in het verleidingsgesprek dat eraan voorafgaat. Daarin herhaalt
Vos erg onheus – en ongemeend – tot tweemaal toe: ‘u neemt me (nóg) steeds bij
de neus’, waarbij de ‘neus’ als een eufemistische metafoor kan gelden voor het
mannelijke geslacht. (Het betreft overigens een gegeven dat eerder uitvoerig is
besproken in Jan Goossens’ belangwekkende studie De gecastreerde neus uit
1988.) Hiermee is niet gezegd dat alle verzen van Geelen altijd even
fortuinlijk of prijzenswaardig zijn. Zo lijkt me het onsterfelijk krachtige
vers uit dezelfde scène ‘Dat dinc viel neder up den vloer’ (Van
Oostrom/Biesheuvel, v. 1271) te mak vertaald als ‘Dit ding rolde op de vloer’.
Waarom is de harde klap die in ‘viel’ hoorbaar is, vervangen door ‘rolde’, dat toch
een minder rake connotatie heeft?
Soms – al gebeurt dat niet vaak – telt een vers net iets te
veel lettergrepen om het ritme/metrum gaande te houden, zoals in ‘God mag u een
goede avond geven / maar de koning laat u die niet meer beleven / als u mij
niet naar het Hof vergezelt’ (nog steeds uit dezelfde scène geplukt). Het hier
geciteerde tweede vers houdt de beoogde maat niet aan en zou beslist korter
kunnen. Er is zeker ook iets aan de hand met verzen als ‘hij vloog met wat lef
wie ook naar de strot’ en ‘alles wat hij maar hij verzon!’ (sic). Soms komt de vertaler
nogal creatief uit de hoek om het rijm alsnog te doen kloppen. Die rijmdwang
levert veeleer krukkige paren op als ‘Hoe vaak liep hij niet te gluren, / valse
gluiperd, om de muur; en’, waar de kommapunt toch een pauze impliceert, en ‘Mocht
die naam geen bel doen rink’len: / hij was – tja… zégt men, bij de pinken’,
waar hooguit van assonantie sprake kan zijn. En soms rijmen de verzen alleen op
het oog en neemt de vertaler zijn toevlucht tot een accent en cursief lettertype
om het rijm alsnog te laten functioneren: ‘Een brief / een waaraan, meneer koníng
/ echt uw eigen zegel hing!’. Op zijn minst bevreemdend is het volgende paar:
‘en in één adem door weet hij de / aandacht listig af te leiden’. Maar hopelijk
weet een vaardig declamator of (voor)lezer daar raad mee.
Ondanks
bovenstaande voorbeelden van minder geslaagde verzen loopt de vertaling door de
band genomen vlot en houdt ze er de vaart in tot aan de allerlaatste verzen,
waarin Firapeel, de verzoeningsgezinde luipaard, het voortouw neemt: ‘Ze
volgden Firapeel, de twee, / en hadden overal vrede mee’. Ter illustratie
citeer ik graag een stukje uit Reynaerts openbare biecht aan het hof, waarin Vos
– in deze editie meestal met hoofdletter – erop los fabuleert en de rol van
zijn vader schandelijk opdikt en de leugens schaamteloos op elkaar stapelt:
‘Ik liep me aldoor af te vragen
waar hij liggen kon,
die schat,
die vader ooit gevonden had
en of ik dat
niet uit kon vinden.
‘k Hield mijn vader heel scherp in de
gaten, bleef hem uren dagen
uit de bosjes, achter hagen,
uit het hoge gras, in wouden
koppig in de smiezen
houden
of het droog was of juist diep,
waar die oude
vos maar liep.
Van schemering tot dageraad:
ik lag
waar dan ook paraat.
Of het avond werd of nacht:
ik
hield hoe dan ook de wacht.’
Het gaat hier dus onmiskenbaar om een dartele eigenzinnige
vertaling die het gevolgde model en het aanvullende commentaar allesbehalve
letterlijk navolgt. Tegelijk moet erop gewezen worden dat Geelen dat in een
aantal gevallen nadrukkelijk wél doet. Zo wordt een zekere ‘Arnout’ als eerste
bewerker van de Franse Roman de Renard genoemd in de proloog: ‘Arnout
was geen hulp in deze’, als vrije vertaling van: ‘- die Arnout niet en hadde
bescreven –’ (zie Van Oostrom, De Reynaert, v. 6). Geelen brengt daarmee
het allang ‘vergeten’ dubbele auteurschap weer in het geding. Ook de aan Tibeerts
linkerkant vliegende ‘Sente Martins voghel’ (v. 1047) vertaalt, of liever identificeert,
de auteur op basis van de toelichting en annotatie in Van Oostroms studie braafjes
als ‘een blauwe kiekendief’.
De hier gepresenteerde tekst wordt,
zoals eerder aangestipt, opgesierd met behoorlijk wat illustraties die soms een
halve bladzijde of meer in beslag nemen. De tekeningen zijn schetsmatig van
inslag en kunnen een aanzienlijke mate van naïvisme niet worden ontzegd. De
gelaatsuitdrukking van de dierlijke en menselijke personages illustreert vaak
wat ze denken en doen in een bijbehorende scène, zoals die waarin een
huichelende Vos aan een verbouwereerde Cantecleer de koninklijke vredesbrief
voorhoudt. Dat de verzen niet genummerd zijn, zou je misschien kunnen
betreuren, maar wie echt wil weten hoe een bepaald vers zich tot de Middelnederlandse
brontekst verhoudt, kan altijd terecht in de editie van Van Oostrom//Biesheuvel.
En zich overgeven aan een vergelijkende of parallelle lectuur, zoals inleider
Jan de Putter overigens suggereert.
Harrie Geelen: De zaak Reinaerd Vos,
In de Knipscheer, Haarlem, 2025, 192 p. : ill. ISBN
9789493368293. Vertaling
van: Willem: Van den vos Reynaerde
deze pagina printen of opslaan