Nederlands proza

BOEKEN NR. 10, DECEMBER 2025

Harrie Geelen: De zaak Reinaerd Vos

door Yvan De Maesschalck

Onlangs verscheen bij uitgeverij In de Knipscheer een merkwaardige nieuwe vertaling van Van den vos Reynaerde (verder: VdvR). Ze is merkwaardig om allerlei redenen, onder meer omdat ze van de hand is van Ovidius-vertaler Harrie Geelen (1939-2025), die jammer genoeg kort voor het boek verscheen, kwam te overlijden, én omdat ze rijkelijk voorzien is van zwart-witillustraties van de auteur zelf. Uit een toelichting achterin het boek blijkt dat de vertaling gebaseerd is op de editie Frits van Oostrom/Ingrid Biesheuvel, die is opgenomen in Van Oostroms bejubelde studie De Reynaert. Leven met een middeleeuws meesterwerk. Bovendien wordt ze voorafgegaan door een stevige inleiding met als titel: ‘De zaak Reinaerd’. Daarin gaat Jan de Putter – beslist een naam van belang in het huidige Reynaertonderzoek – nader in op een aantal thematische, narratieve, juridische en historische aspecten van het middeleeuwse verhaal.
 
De inleiding is bijzonder instructief en inspirerend. Ze zoomt in op het feit dat Reinaerd Vos zich op een gegeven moment voordoet als kluizenaar en misbruik maakt van ‘de gezegelde brief van Nobel’ om ’s konings vrede te verkondigen: het betreft dus een verordening die kracht van wet heeft. Reinaerd toont die brief aan Cantecleer en zijn entourage om hen schijnbaar gerust te stellen, maar slaat ‘buiten de afgesloten ruimte’ meteen gewetenloos toe. Dat fictionele gegeven, dat in de lange jeremiade van de gedupeerde Cantecleer de haan – geheel terecht – wordt aangeklaagd, haalt De Putter in zijn betoog naar voren om te onderstrepen dat de rechtsregels van bij aanvang aan zet zijn in VdvR. Bovendien gaat hij vrij uitvoerig in op het belang van ‘verzoening’ en ‘genadeverlening’ in de toenmalige rechtspraak, d.w.z. die van medio dertiende eeuw in Vlaanderen en Zeeland. Dat koning Nobel de gedaagde Vos, na alles wat die heeft mispeuterd en in weerwil van tastbare bewijzen (het onthoofde lichaam van Coppe), uiteindelijk genade verleent, lijkt voor een moderne lezer onwaarschijnlijk. Daarover stelt De Putter: ‘Genadeverlening is in onze ogen willekeur, maar in de middeleeuwen kon genadeverlening een te zware straf corrigeren’. En ook: ‘Met de genadeverlening is de zaak Reinaerd afgesloten. Reinaerd kan niet nog een keer voor het gerecht gedaagd worden voor dezelfde misdaden’. Een principe dat als ‘non/ne bis in idem’ – dacht ik toch – nog altijd rechtsgeldig is in onze contreien.

Over de woord- en registerkeuze van Harrie Geelens vertaling houdt de inleider het erg kort. Alleen in de slotparagraaf wordt iets over het talige aspect van de nieuwe omzetting gezegd. ‘Het plezier spat af van de vertaling die Harrie Geelen van Reinaerd gemaakt heeft. Hij heeft een vertaling gemaakt die ik bewonder’. De tweede zin verklaart nauwelijks waarom de tekst tot zoveel ‘plezier’ aanleiding geeft. En ook daarna wordt met geen woord gerept over stijl, compositie, indeling, beeldspraak, rijm of metrum. De auteur beperkt zich tot een erg algemene typering, zoals nog uit de slotzin van dezelfde alinea blijkt: ‘Maar ook zonder kennis van het origineel, is de geestige vertaling van Harrie Geelen van het begin tot het einde te genieten’. Dit lovende verdict – om in de sfeer van de rechtspraak te blijven – lijkt me verdedigbaar, zeker in het besef dat VdvR in eerste instantie een ‘taalkunstwerk’ is, om een wat vergeten term van literatuuronderzoeker Wolfgang Kayser toch maar eens te gebruiken.

Geelen heeft in ieder geval gezorgd voor een tekst waarvan het register min of meer spreektalig en lichtvoetig is en, ondanks het formele karakter van het geding – ‘de zaak’ die in de titel wordt vermeld –, veeleer informeel van aard kan worden genoemd. Wellicht met het oog op de zegbaarheid ervan of om de leesbaarheid voor een jonger of ouder publiek te vergemakkelijken, of toch niet te bemoeilijken. Het gaat weliswaar niet om parlando, maar om sterk ritmische verzen die meestal jambisch van aard zijn en er de cadans stevig in houden. Dat blijkt meteen vanaf de aanzet (‘Willem die Madock herschiep / en daar nachten niet van sliep’) en wordt het hele gedicht lang volgehouden. Zo bijvoorbeeld in de altijd weer gesmaakte Tibeert-scène, waarin de vertaler Julocke, de vrouw van (de) Pastoor, als volgt laat reageren op de pijnlijke hap van de kater in het scrotum van de zielenherder, die er een teelbal bij inschiet:

‘Dit is een valstrik uitgebroed
in naam van Satan en het Kwaad;
dit was uw vaders apparaat!’
riep zij, ‘kijk dan, Martinet,
voor het bim- en bamduet,
voor tweestemmig klokkenspel!
Dus ook al geneest hij wel,
’t zal een gebed zijn zonder end.’
 
Het oorspronkelijke beeld van het gehalveerde klokkenspel is bewaard gebleven en vindingrijk in speels hedendaags Nederlands herschreven. Bovendien wordt – achteraf gezien – op de voor (de) Pastoor onaangename spelbreker gepreludeerd in het verleidingsgesprek dat eraan voorafgaat. Daarin herhaalt Vos erg onheus – en ongemeend – tot tweemaal toe: ‘u neemt me (nóg) steeds bij de neus’, waarbij de ‘neus’ als een eufemistische metafoor kan gelden voor het mannelijke geslacht. (Het betreft overigens een gegeven dat eerder uitvoerig is besproken in Jan Goossens’ belangwekkende studie De gecastreerde neus uit 1988.) Hiermee is niet gezegd dat alle verzen van Geelen altijd even fortuinlijk of prijzenswaardig zijn. Zo lijkt me het onsterfelijk krachtige vers uit dezelfde scène ‘Dat dinc viel neder up den vloer’ (Van Oostrom/Biesheuvel, v. 1271) te mak vertaald als ‘Dit ding rolde op de vloer’. Waarom is de harde klap die in ‘viel’ hoorbaar is, vervangen door ‘rolde’, dat toch een minder rake connotatie heeft?
 
Soms – al gebeurt dat niet vaak – telt een vers net iets te veel lettergrepen om het ritme/metrum gaande te houden, zoals in ‘God mag u een goede avond geven / maar de koning laat u die niet meer beleven / als u mij niet naar het Hof vergezelt’ (nog steeds uit dezelfde scène geplukt). Het hier geciteerde tweede vers houdt de beoogde maat niet aan en zou beslist korter kunnen. Er is zeker ook iets aan de hand met verzen als ‘hij vloog met wat lef wie ook naar de strot’ en ‘alles wat hij maar hij verzon!’ (sic). Soms komt de vertaler nogal creatief uit de hoek om het rijm alsnog te doen kloppen. Die rijmdwang levert veeleer krukkige paren op als ‘Hoe vaak liep hij niet te gluren, / valse gluiperd, om de muur; en’, waar de kommapunt toch een pauze impliceert, en ‘Mocht die naam geen bel doen rink’len: / hij was – tja… zégt men, bij de pinken’, waar hooguit van assonantie sprake kan zijn. En soms rijmen de verzen alleen op het oog en neemt de vertaler zijn toevlucht tot een accent en cursief lettertype om het rijm alsnog te laten functioneren: ‘Een brief / een waaraan, meneer koníng / echt uw eigen zegel hing!’. Op zijn minst bevreemdend is het volgende paar: ‘en in één adem door weet hij de / aandacht listig af te leiden’. Maar hopelijk weet een vaardig declamator of (voor)lezer daar raad mee.

Ondanks bovenstaande voorbeelden van minder geslaagde verzen loopt de vertaling door de band genomen vlot en houdt ze er de vaart in tot aan de allerlaatste verzen, waarin Firapeel, de verzoeningsgezinde luipaard, het voortouw neemt: ‘Ze volgden Firapeel, de twee, / en hadden overal vrede mee’. Ter illustratie citeer ik graag een stukje uit Reynaerts openbare biecht aan het hof, waarin Vos – in deze editie meestal met hoofdletter – erop los fabuleert en de rol van zijn vader schandelijk opdikt en de leugens schaamteloos op elkaar stapelt:

‘Ik liep me aldoor af te vragen
waar hij liggen kon, die schat,
die vader ooit gevonden had
en of ik dat niet uit kon vinden.
‘k Hield mijn vader heel scherp in de
gaten, bleef hem uren dagen
uit de bosjes, achter hagen,
uit het hoge gras, in wouden
koppig in de smiezen houden
of het droog was of juist diep,
waar die oude vos maar liep.
Van schemering tot dageraad:
ik lag waar dan ook paraat.
Of het avond werd of nacht:
ik hield hoe dan ook de wacht.’
 
Het gaat hier dus onmiskenbaar om een dartele eigenzinnige vertaling die het gevolgde model en het aanvullende commentaar allesbehalve letterlijk navolgt. Tegelijk moet erop gewezen worden dat Geelen dat in een aantal gevallen nadrukkelijk wél doet. Zo wordt een zekere ‘Arnout’ als eerste bewerker van de Franse Roman de Renard genoemd in de proloog: ‘Arnout was geen hulp in deze’, als vrije vertaling van: ‘- die Arnout niet en hadde bescreven –’ (zie Van Oostrom, De Reynaert, v. 6). Geelen brengt daarmee het allang ‘vergeten’ dubbele auteurschap weer in het geding. Ook de aan Tibeerts linkerkant vliegende ‘Sente Martins voghel’ (v. 1047) vertaalt, of liever identificeert, de auteur op basis van de toelichting en annotatie in Van Oostroms studie braafjes als ‘een blauwe kiekendief’.

De hier gepresenteerde tekst wordt, zoals eerder aangestipt, opgesierd met behoorlijk wat illustraties die soms een halve bladzijde of meer in beslag nemen. De tekeningen zijn schetsmatig van inslag en kunnen een aanzienlijke mate van naïvisme niet worden ontzegd. De gelaatsuitdrukking van de dierlijke en menselijke personages illustreert vaak wat ze denken en doen in een bijbehorende scène, zoals die waarin een huichelende Vos aan een verbouwereerde Cantecleer de koninklijke vredesbrief voorhoudt. Dat de verzen niet genummerd zijn, zou je misschien kunnen betreuren, maar wie echt wil weten hoe een bepaald vers zich tot de Middelnederlandse brontekst verhoudt, kan altijd terecht in de editie van Van Oostrom//Biesheuvel. En zich overgeven aan een vergelijkende of parallelle lectuur, zoals inleider Jan de Putter overigens suggereert.

Harrie Geelen: De zaak Reinaerd Vos, In de Knipscheer, Haarlem, 2025, 192 p. : ill. ISBN 9789493368293. Vertaling van: Willem: Van den vos Reynaerde

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, DECEMBER 2025

De zwarte poel

Jan Vantoortelboom

Engelenbrood

Patti Smith

Het Nachtlicht

Erik Vlaminck

Sodomiet

Alexandre Vidal Porto

Wie is bang voor vrouwelijke kunstenaars? Belgische kunstenaressen van 1880 tot nu

Christiane Struyven

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, DECEMBER 2025

De geheime bibliotheek. Wie redt de magische boeken?

Nina George, Jens J. Kramer, Hauke Kock (ill.)

Kiki & ik

Leo Timmers

Peter Pan

J.M. Berrie, Floor Rieder (ill.)

Plassen op schrikdraad

Simon van der Geest, Karst-Janneke Rogaar (ill.)

Properzia

Jean-Claude Van Rijckeghem

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri