Het omslagbeeld van Patti Smiths memoir Engelenbrood
komt uit de fotosessie voor de hoes van haar album Wave uit 1979. Je
ziet dezelfde jurk, dezelfde plant, alleen de twee witte duiven, op elke hand
één, ontbreken op de boekcover. De duiven op de platenhoes zijn een knipoog
naar een regel in het openingsnummer ‘Frederick’. Bij het schrijven ervan had Patti
Smith (1946) de gitarist Fred ‘Sonic’ Smith in gedachten, de liefde van haar
leven. De foto’s in kwestie zijn gemaakt door de vermaarde Robert Mapplethorpe.
Hij en Patti Smith ontmoetten elkaar aan het eind van de jaren 1960 in New York.
Zij aan zij timmerden ze er in volle hippietijd aan hun carrière. Over de
toenmalige kunstscene en de weg die ze samen aflegden – eerst als geliefden,
later als vrienden – schreef Patti Smith haar alom bejubelde eerste memoir Just
Kids (2010).
In het innemende Engelenbrood doorloopt ze haar hele
leven, inclusief een ontregelende privéaangelegenheid die maakte dat ze zichzelf
op haar zeventigste moest herdefiniëren. Beginnen doet ze bij het begin, met een
warm en levendig beeld van hoe het was om met haar twee zussen en haar broer op
te groeien in een arbeidersgezin dat het niet breed had.
Zij, de oudste van de kinderen, is
rond haar tiende al een keer of elf verhuisd. Meer stabiliteit komt er wanneer
het gezin kan verkassen naar een eigen woning in landelijk New Jersey. Patti
Smith vertelt hoe ze al van kleins af aan ontsnapt naar een alternatieve
werkelijkheid door sprookjes te verzinnen. Sommige van haar bedachte verhalen
speelt ze na met haar oudste zus en haar broer. Die zien haar daarbij maar al
te graag de leiding nemen als generaal of koning, om zelf als trouwe soldaat of
ridder mee met haar ten strijde te trekken. Het energieke kind dat ze is, wordt
evenwel ook geplaagd door een resem kinderziekten. Daardoor moet ze soms
wekenlang het bed houden.
Ze groeit op met de Bijbel – haar moeder is Jehova’s
getuige. Kunst speelt dan weer geen rol van betekenis in haar jeugd. Ze is bijgevolg
verrast, wanneer haar vader hun gezin op een dag meeneemt naar het Philadelphia
Museum of Art. Voor haar is dit bezoek een regelrechte openbaring. Ze valt er
voor Picasso en ontdekt wat kunst met haar doet. En al staat cultuur thuis niet
hoog op de agenda, haar moeder geeft haar in de loop der jaren wel enkele
inspirerende cadeaus: Silver Pennies, een prachtig boek met gedichten; een
biografie van de Mexicaanse schilder en muralist Diego Rivera; een box met lp’s
van Puccini’s opera Madama Butterfly; en het album Another Side of
Bob Dylan. Bob Dylan draagt ze meteen op haar zeventiende als dichter al even
hoog op handen als Arthur Rimbaud – allebei hebben die in haar ogen ‘de heilige
hand van de poëzie opnieuw uitgevonden’.
Patti Smith zet zichzelf en haar
band in 1975 op de kaart met haar iconische album Horses. In de jaren erna
bouwt de Godmother of Punk een stevige reputatie op als liveperformer. Een
ongelukkige val van een podium, waarop een lange periode van herstel en
revalidatie volgt, doet haar evenwel besluiten om het roer om te gooien: ‘Ik
wierp het tapijt van mijn leven uit en bekeek waar ik had gelopen en wat ik had
vertrapt. Ik dacht na over waar ik was gestruikeld, waar ik jegens anderen
onvriendelijk, veeleisend en neerbuigend was geweest. Welke van mijn verlangens
verkeerd waren geweest en wat ik had weggegooid. Waar ik me bevond en waar mijn
bestemming lag’.
Ze kiest voor een leven buiten de schijnwerpers in de buurt van Detroit,
de thuisbasis van Fred Smith, met wie ze in 1980 trouwt. Ze krijgen een zoon en
een dochter. Over hun leven samen gaat het hartroerende hoofdstuk ‘My
Madrigal’. In die jaren laat Patti Smith ook de vervoering van de poëzie weer
meer de overhand nemen. Want al is ze in die tijd het bekendst van haar muziek,
het is allereerst het woord dat haar heeft verleid. In de luwte schrijft ze
gedichten, verhalen, romanaanzetten en dagboeknotities.
Freds aftakeling en zijn vroege dood
door hartfalen in 1994 noemt ze de grootste tragedie in haar leven. Zevenenveertig
is ze wanneer ze weduwe wordt. Kort na Fred sterft ook haar broer Todd, met wie
ze een hechte band had. Robert Mapplethorpe was in 1989 al heengegaan. Maar veerkrachtig
als ze is, laat ze verdriet om haar overleden dierbaren hand in hand gaan met haar
gave om te allen tijde ook het mooie in een mensenleven te omarmen. Herinneringen
aan magische momenten vloeien niet uit haar pen als iets van vroeger, ze draagt
ze met zich mee in het nu. Voor haar zijn ze ‘stukjes engelenbrood’, het manna
waarnaar een ‘schrijver hunkert in een café in de vroege uurtjes, in de lege
foyer van een hotel of aantekeningen krabbelend in een van de kerkbanken in een
stille kathedraal’.
Het grootste succes van de singer-songwriter die punk en poëzie verenigt,
is intussen niet langer een album, maar haar memoir Just Kids (2010). Op
hetzelfde elan schreef ze ook M-Train (2015) en Jaar van de aap
(2020). Engelenbrood is nog intiemer en meeslepender dan zijn
voorgangers. Samen vormen ze een fascinerend vierluik van de hand van een veelzijdige
artistieke geest, die er altijd over waakt om trouw te blijven aan zichzelf.
Patti Smith:
Engelenbrood, De Geus, Amsterdam 2025. 342 p. ISBN 9789044535242. Vertaling van
Bread of angels door Nadia Ramer. Distributie L&M Books
deze pagina printen of opslaan