Amerikaanse literatuur

Kris van Zeghbroeck: “I am a Korean-American” : portret van Chan-rae Lee

door Kris van Zeghbroeck

Als driejarige jongen moest Chang-rae Lee (geb. 1965) het Oosten (Korea) voor het Westen (Verenigde Staten) inruilen. Sindsdien blijven taal, afkomst en confrontatie tussen culturen hem achtervolgen. Het is dan ook niet te verwonderen dat die thematiek sterk in zijn werk aanwezig is. Toch overstijgen Lee’s romans de plaats en tijd van handeling doordat het feitenmateriaal in de achtergrond verwerkt wordt. Het zijn het bewustzijn en de emoties van de personages die de ruggengraat van zijn poëtische oeuvre uitmaken.

Koreanen emigreerden al sinds het einde van de 19e eeuw druppelsgewijs naar de Verenigde Staten, hoofdzakelijk als arbeidskrachten. Na de Tweede Wereldoorlog kwam in Zuid-Korea de industrialisering weliswaar sterk op gang, maar die kon de explosief groeiende mensenmassa in een te klein land niet opvangen. Er was vooral een overschot aan goed opgeleide mensen, die stonden te trappelen om zich economisch te verbeteren. Met de Immigration Act van 1965 — die het discriminerende quotasysteem voor nationaliteiten afschafte — kwam de echte Koreaanse immigratievloed naar de Verenigde Staten op gang. In New York (delen van Manhattan en Queens) en andere grote Amerikaanse steden streken grote concentraties Koreanen neer die gesloten gemeenschappen vormden. Binnen die context emigreerde de vader van de Koreaans-Amerikaanse auteur Chang-rae Lee — een dokter die uiteindelijk als psychiater carrière maakte — naar New York met zijn familie. Dat staat in schril contrast met veel Koreanen die hun opleiding niet konden verzilveren en doorgaans aan de slag gingen als winkelier.
Met de immigratiegeschiedenis van Koreanen ontstond ook een traditie van Koreaans-Amerikaanse literatuur vanaf de jaren ’30 en ’40. Lee, die klassieke en moderne westerse literatuur gestudeerd heeft, voelt zich daar weinig mee verwant. Hij heeft de Koreaans-Amerikaanse klassiekers pas vrij laat gelezen en herkent zich niet in de manier waarop hun personages “een volledig nieuwe wereld binnentreden, een volledig nieuw bestaan”. Intussen is de vervreemding meer naar binnen gekeerd. “Het gevoel van verlangen, schrik en frustratie… het is een heel overweldigende ervaring een immigrant te zijn.” Behalve de Koreaanse achtergrond, voelt Lee zich ook niet verwant met jonge schrijvers als Heinz Insu Fenkl, Norea Okja Keller, Therese Park, Suki Kim etc., die samen met hem tot de nieuwe golf van de Koreaans-Amerikaanse literatuur (vanaf 1995) gerekend worden. Behalve dat ze uit dezelfde generatie stammen, is hun gebruik van taal en de benadering van het onderwerp Korea verschillend.
Lee stoort zich niet aan het label ‘Koreaans-Amerikaans’ op zich — “I am a Korean-American” —, maar benadrukt dat het tekort schiet. “Het bevat ook een aantal vooroordelen over de onderwerpen waarover ik schrijf, hoe ik een onderwerp benader, welke taal ik hanteer, welke modaliteiten… En dat is verwerpelijk, dat je, uitgaande van een etnisch label, aan bepaalde verwachtingen dient te voldoen. Elke schrijver is verschillend in zijn benadering, zijn achtergrond, sociale klasse, geslacht etc.” Bovendien was Lee’s rolmodel in de literatuur — voor hij een eigen stem ontwikkelde — door en door westers. De eerste roman die hij schreef, was een totaal onleesbare turf die bol stond van de verwijzingen naar o.m. Thomas Pynchon, Don DeLillo en Martin Amis.
Zijn eigenlijke debuutroman Native speaker (1995 — Moedertaal), was meteen een schot in de roos: bekroond met een zestal literaire onderscheidingen waaronder de American Book Award en de Hemingway Foundation/PEN Award. Het boek heeft intussen al de status van een moderne klassieker verworven en de schrijver wordt door ‘The New Yorker’ bij de beste twintig Amerikaanse schrijvers onder de veertig gerekend. Centraal staat Henry Park, zoon van Koreaanse migranten, die als spion aan de kost komt. Hij is getrouwd met Leila, een blanke logope­diste. Samen hebben ze een zoontje, Mitt, die als tiener door verstikking om het leven komt. Dat weegt, in combinatie met de geheimhouding rond Henry’s werk, zwaar op hun relatie. Wanneer Leila besluit om een tijdje het huis uit te gaan, geeft ze hem een lijstje met zijn tekortkomingen. Ook op het werk vlot het niet. Na een vorige zaak verprutst te hebben, moet Henry de gangen van de Koreaans-Amerikaanse politicus Kwang nagaan.
Taal staat centraal in deze roman. “Dat spruit voort uit mijn eigen ervaring met taal en de ontdekking wat taal betekent, fysisch, in het leven van alledag, niet in fictie. Ik kende geen Engels voor ik naar school ging, ik voelde me achterop geraakt, ontoereikend en als je dan bekijkt hoe de beheersing van taal mensen beïnvloedt… Dat maakt dat je heel bewust met taal en het goed beheersen van taal bezig bent, en die ervaring was bepalend voor mijn schrijverschap en interesse in literatuur. Mijn onderzoek gaat over hoe mensen zich in een gemeenschap situeren via taal. Ik moest niet alleen de taal leren, maar blijf me tevens bewust van het feit dat ik de taal leer, net zoals Henry Park. Taal is hier niet meer academisch. Voor mij is taal een kwestie van leven of dood.”
Hoewel Lee helemaal geen politieke agenda heeft met zijn werk, beseft hij dat door te schrijven een politieke dimensie verschijnt, omdat hij als schrijver verplicht is om naar de kern van de zaak te peilen. “Hoe kan het niet politiek zijn, als ik een Koreaanse winkelier opvoer die bekvecht met een zwarte klant? Hoe kan dat los gezien worden van de sociale dynamiek en rasverhoudingen en zienswijzen? Zelfs als ze beleefd blijven. Maar tegelijkertijd voel ik mij niet verplicht om altijd over zoiets te schrijven. Sommige lezers klagen dat ik te weinig aandacht besteed aan Koreaanse achtergronden, troostmeisjes, de zwarten.” Het racisme van Afro-Amerikanen tegen Aziatische Amerikanen is iets waar — op de sterk door de media gecoverde rellen uit het verleden na, waar Koreaanse winkels massaal door Afro-Amerikanen geplunderd werden — blijkbaar weinig over gepraat wordt via de officiële politieke en mediakanalen.
In hun relatie onderling en met andere bevolkingsgroepen, komen de Koreanen als vrij koudbloedige mensen over in Moedertaal. Zo stoort het Leila dat Henry niet informeert naar de naam van zijn stiefmoeder, die Henry’s vader rechtsreeks uit Korea heeft laten overkomen. Of vindt ze dat Henry niet om de dood van Mitt rouwt, omdat hij er zelden over praat. “Dat komt omdat zij andere verwachtingen heeft voor expressie, emotie en liefde dan Henry. Dat is cultuurgebonden, hoewel ik veel Koreanen ken die zich extravert uitdrukken, soms zelfs te veel [lacht uitbundig]. Lee vindt het soms frustrerend dat die geïnternaliseerde gevoelens bij westerse lezers vaak met het ontbreken van gevoelens geassocieerd worden. “Een personage als doc Hata — een Koreaans-Japans migrant — in A gesture life (1999 — Een leven van gebaren) wordt vaak als heel interessant omschreven omdat hij geen gevoelens heeft. Dat klopt niet. Hij heeft intense gevoelens, maar de expressie van die gevoelens is anders dan wat verwacht wordt. Het is een stereotiep beeld dat Aziaten geen gevoelens hebben. Dat kan niet kloppen, wij hebben zeker evenveel of zelfs intensere gevoelens omdat we ze anders uiten of helemaal niet.”
In Moedertaal hebben alle bevolkingsgroepen — of ze nu blank, zwart of geel zijn — het moeilijk om met elkaar om te gaan, zodat niemand het alleenrecht over racisme heeft. “Ik zorg er bewust voor dat iedereen elkaar verkeerd begrijpt en onwetend is over de anderen. En dat vind ik prima. Wij hebben gelijke kansen om onwetend te zijn, tenminste in de Verenigde Staten, en dat is een belangrijk gegeven voor mij. Maar ik schrijf geen boek om wie dan ook aan te vallen, zelfs niet de Koreanen. Toch moeten veel Koreaanse Amerikanen niet van mijn boeken hebben, omdat ze zich in hun trots gekrenkt voelen, niet kunnen aanvaarden dat ze in een slecht daglicht geplaatst worden. Maar die gevoelige reacties bevestigen voor mij dat er een kern van waarheid zit in wat ik schrijf.”
Als er één winnaar uit het multiculturele strijdperk treedt, dan is het wel de taal. “Ik wilde met Moedertaal uiteindelijk de triomf van de taal huldigen. Bepaalde personages gaan eraan ten onder, maar de taal triomfeert en kan letterlijk inspireren, nieuw leven inblazen, een bewustzijn geven. En er is een culturele dimensie: wij zijn uiteindelijk allemaal ‘native speakers’; niet alleen Henry Park, maar ook zijn vader, die met het Engels in de knoop ligt. Dat maakt dat het Koreaanse Engels als een vitaal, dynamisch en belangrijk onderdeel van het Amerikaanse Engels gezien moet worden.”
Toch staat assimilatie binnen de gemeenschap centraal in Lee’s oeuvre. Neem nu doc Hata in Een leven van gebaren. Hij heeft nooit misbruik gemaakt van de zgn. troostmeisjes die het Japanse leger als prostituees inzette, maar als medisch assistent heeft hij het lijden van de vrouwen van dichtbij meegemaakt. Dat gegeven staat in schril contrast met het burgerlijke leven dat deze Japans-Koreaanse migrant nu leidt in een van de betere New Yorkse buitenwijken. Hij heeft zijn winkel met medisch materiaal overgelaten en gedraagt zich als een modelburger op rust die zijn gras maait, een baantje zwemt, praatjes maakt met kennissen: ‘iedereen kent me’. Maar onder de uiterlijke rust gaan zelfdestructie en diepgewortelde schuld schuil.
Chang-rae Lee’s nieuwste roman, Aloft (2004 — Vlucht), speelt zich af in de buitenwijken van Long Island. Op het eerste zicht lijkt de auteur hier afstand te nemen van de migrantenthematiek uit zijn vorige romans, maar schijn bedriegt. Het beeld van de migrantenstroom is weliswaar weggevallen, de doorsijpelende vertakkingen zijn nog te traceren. Jerome (Jerry) Battle is van Zuid-Italiaanse afkomst (Battaglia), zijn eerste vrouw had Koreaanse wortels en zijn tweede liefde, Rita, is een Puerto­ricaanse. Zijn dochter is zelfs gehuwd met een Koreaans-Amerikaanse romanschrijver: “I’d say he writes about the problem of being Asian and American and Thought­ful and Male”. Jerry woont in een beige antiseptische wereld die alle dramatische gebeurtenissen en gevoelens lijkt op te slorpen alsof het leven rustig zijn gang gaat. Niets is minder waar: de zaak van zijn zoon stevent op een faillissement af, zijn zwangere dochter heeft kanker en Rita gaat trouwen met een vriend die het gemaakt heeft als advocaat. Om aan alles, inclusief zijn midlifecrisis, te ontsnappen, verkeert Jerry letterlijk met het hoofd in de wolken. Zijn Cessna vliegtuig wordt een metafoor voor zijn afstandelijkheid: een observator op eenzame hoogte.

Chang-rae Lee: Vlucht, De Bezige Bij Amsterdam, 2004, 378 p., 21,50 euro ISBN 90-234-1292-3. Vert. van: Aloft door Joris Vermeulen. Distributie: WPG Uitgevers
Chang-rae Lee: Aloft, Bloomsbury London, 2004, 343 p., 15,15 euro. ISBN 0-7475-6693-3 Distributie: Penguin Books Benelux

Nora Okja Keller

Nora Okja Keller (Seoul, 1965) komt uit een Amerikaans-Koreaans gezin en groeide op in Hawaï. Haar moeder gebruikte met opzet geen Koreaans in de opvoeding om haar dochter gemakkelijker in de Amerikaanse samenleving te laten integreren. Dat resulteerde bij Nora in een gevoel van vervreemding van haar Koreaanse afkomst. Pas met de lectuur van Maxine Hong Kingston’s Woman warrior ‘ontdekte’ ze haar Aziatische wortels. Als freelance journalist kwam Keller in 1993 in aanraking met een Koreaanse vrouw die na tientallen jaren stilzwijgen vertelt hoe ze samen met andere zgn. ‘troostmeisjes’ door de Japanners tot prostitutie werd gedwongen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze aangrijpende getuigenis was de directe aanleiding voor Kellers romandebuut Comfort woman (1997 — Troostmeisje), bekroond met de American Book Award. Voor haar tweede boek Fox girl (2003 — Vossengeest) putte ze o.m. inspiratie uit een Koreaanse legende: de vossengeest is een vampier die in de huid van een overleden meisje kruipt om als onweerstaanbaar mooie vrouw mannen te verleiden en hun bloed te drinken. Naar verluidt zoekt ze het juweel van de kennis dat haar van onder de tong ontstolen werd door een jongeman. Parallel met de legende wordt een verhaal opgehangen van drie jonge verschoppelingen in de nadagen van de Koreaanse oorlog. De door een geboortevlek gestigmatiseerde Hyun Jin wordt door haar ouders verstoten en tracht te overleven samen met het kindhoertje Sookie en de pooier Lobetto, een jonge bastaard verwekt door een zwarte Amerikaanse soldaat. Hun uitzichtloze situatie spruit voort uit de Amerikaanse bezetting, die hun via prostitutie in leven houdt en voor enkelingen het perspectief van een betere toekomst in het lokale America Town (of zelfs de Verenigde Staten) biedt. Een amorele vicieuze cirkel die het drietal gevangen houdt en hun vriendschap steeds zwaarder op de proef stelt. 

Nora Okja Keller: Vossengeest, Luitingh-Sijthoff Amsterdam, 2003, 271 p., € 16,95
ISBN 90-245-4187-5. Vert. van: Fox girl door Ineke Van Bronswijk.Distributie: Veen Bosch en Keuning

Suki Kim

Suki Kim (Seoul, 1970) migreerde naar de Verenigde Staten als 13-jarige. Ze studeerde Engels, Oost-Aziatische en Kore­aanse literatuur. Suki werkte o.m. als redacteur en docent voor ze full-time begon te schrijven. In het spoor van haar debuutroman The interpreter (2003 — De tolk) werkte ze als freelance tolk. Over Korea en de Koreaanse Amerikanen publiceerde ze een aantal artikels voor o.m. ‘The New York Times’.
De tolk vertelt het verhaal van Suzy Park, een 20-jarige Koreaanse Amerikaan die tolkt voor een New Yorkse rechtbank. Zo ontdekt ze dat haar ouders niet toevallig omkwamen bij een overval, vijf jaar eerder. Vervreemd van haar familie (ze werd verstoten toen ze een relatie begon met een blanke docent), gaat Suzy op zoek naar het verleden van haar ouders. Een belangrijke sleutel tot het geheim is haar zus Grace, die spoorloos verdwenen is. Zo komt Suzy terecht in de besloten Koreaanse gemeenschap waar interne afpersing en externe jacht op illegalen schering en inslag zijn. Met zin voor realisme en detail achtervolgt de auteur haar personages als een detective. Vanuit het perspectief van een Koreaanse Amerikaan tussen twee culturen in — verscheurd tussen solidariteit en verraad kan Suzy de grens “tussen wat familie is en niet, wat goed is en dodelijk kwaad, wat Korea is en wat geen thuis is” nooit overstijgen —, wordt een beeld geschept van een Koreaanse familie die door de migratie naar de Verenigde Staten uit elkaar valt.

Suki Kim: De tolk, Contact Amsterdam, 2003, 253 p., € 24,90. ISBN 90-254-1446-X. Vert. van: The interptreter door Thera Idema. Distributie: Veen Bosch en Keuning

Troostmeisjes

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden zo’n 200.000 vrouwen, in meerderheid Koreanen, ingezet als prostituees of zgn. troostmeisjes om in de noden van de Japanse troepen te voorzien. Deze medisch gecontroleerde vorm van gedwongen prostitutie werd in het leven geroepen om de wildgroei aan geslachtsziekten bij de soldaten tegen te gaan. De vrouwen werden geslagen, gemarteld en hadden seks met tientallen mannen per nacht. Ze werden onder valse voorwendsels gerekruteerd of gekidnapt en 90 procent overleefde die hel niet. Na de oorlog konden velen niet terug naar hun familie en leefden in ballingschap. Na tientallen jaren stilte, wanneer er niemand meer was om aanstoot te nemen aan hun ‘schande’, kwamen de getuigenissen boven water. De Japanse regering gaf na lang aandringen het georganiseerde opzetten van trooststations toe.
De thematiek van de troostmeisjes is een essentieel onderdeel van de Koreaans-Amerikaanse literatuur dat in meerder of mindere mate verwerkt zit in o.m. Nora Okja Kellers Troostmeisje, Therese Parks A gift of the emperor en Chang-rae Lee’s Een leven van gebaren. Voor de achtergrond van het thema verwijzen we naar Brigitte Ars’ beklemmende Troostmeisjes : verkrachting in naam van de keizer (Leesidee 2000, p. 517).

Oorspronkelijk verschenen in De Leeswolf 2004


deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri