Canadese literatuur

Gaétan Soucy: Het meisje dat te veel van lucifers hield

door Bart van Loo

Wondertje van de koude grond

De literaire kritiek schuwde de superlatieven niet bij de verschijning van Het meisje dat te veel van lucifers hield. Van “dit boek is een wonder” (‘Magazine Littéraire’) tot “ongetwijfeld de grootste ontdekking van de laatste jaren” (‘Le Monde’). Je zou voor minder een boek met grote verwachtingen lezen. Verwachtingen die door de Canadese auteur Gaétan Soucy evenwel niet ingelost worden. Het verhaal komt niet goed uit de verf en de stijl leidt tot indigestie.

De Québecois Gaétan Soucy is een fenomeen in Canada, en stilaan ook ver daarbuiten. Hij studeerde fysica en wiskunde aan de Universiteit van Montréal en behaalde ook nog een diploma filosofie, wat hij trouwens nog steeds doceert. Tussen 1990 en 1995 ontpopte hij zich tot een kenner van Japan en de Japanse taal. Hij debuteerde in 1994 zeker niet onopgemerkt met L’immaculée conception (‘De onbevlekte ontvangenis’) en zijn tweede roman L’acquittement (‘Vrijspraak’) was in 1998 gelijk goed voor de Grand Prix du Livre de Montréal in 1998. Zijn totnogtoe laatste en pas vertaalde roman, Het meisje dat te veel van lucifers hield, kende het meeste succes: nominatie voor de Prix Renaudot en vertalingen in o.a. Duitsland, Finland, China… en dus ook bij ons.
Laat ik dit onnavertelbare boekje kort proberen samen te vatten. We treffen bij de aanvang van het verhaal een tweeling aan bij het dode lichaam van hun vader, die zich heeft opgehangen. Waarom wordt niet duidelijk, wel dat de man volledig het noorden kwijt is sinds zijn vrouw het leven liet bij de geboorte van de tweeling. Lange tijd denk je dat het twee broers zijn, maar naderhand wordt duidelijk dat een van beiden, meer bepaald het hoofdpersonage, een meisje is. Zij neemt het woord, en schrijft op wat ze allemaal meemaakt na de dood van haar vader. De kinderen groeiden op in een klein kasteel op het platteland, werden door hun vader afgeschermd van de buitenwereld en weten dan ook niks van wat er zich in de stad afspeelt. Wanneer het hoofdpersonage om een doodskist gaat naar de stad, leert ze er de mensen en de barbarij kennen, maar ook haar eigen identeit: ze blijkt immers een meisje te zijn.
Het meisje groeide op met het lezen van woordenboeken, ridderverhalen, Spinoza en vooral de Mémoires van de Duc de Saint-Simon, een meerdelig 18e-eeuws werk waarin het leven aan het hof van Lodewijk de Veertiende uitvoerig uit de doeken wordt gedaan. Die lectuur heeft zo haar gevolgen op haar taalgebruik, dat geweldig hoogdravende en plechtstatige termen niet schuwt. Anderzijds situeert het verhaal zich duidelijk in een oraal register en leest het alsof het hardop verteld wordt. Een bizarre combinatie die overal op gejuich onthaald werd, maar volgens mij vaak slaat als een tang op een varken. Dure woorden en oubollige constructies worden vaak simpelweg afgesloten met toevoegingen als “als men begrijpt wat ik bedoel” en “ik hoop dat ik duidelijk ben”, of uit hun evenwicht gehaald door stopwoordjes als “doodleuk”. Mijn maag keerde om wanneer een platenspeler een “tovergenerator” werd “die dient om de feeën te bevrijden die gevangenzitten in de zwarte schijven die ons muziek verschaffen”. Of wanneer het hoofdpersonage schrijft dat ze de schuur waar ze dit schrijft, is ingevlucht omdat haar “broer is aangeraakt door de genade”. Het meisje heeft het constant over haar “zwellingen” en spreekt niet over dagen, maar over “manen”. En zo kunnen we nog wel even doorgaan.
De kans bestaat dat dit bizarre Nederlands een gevolg is van een al te letterlijke vertaling. In het sowieso klassiekere Frans, althans de geschreven variant, zou deze ouderwetse taalkundige ratjetoe best wel eens beter kunnen overkomen, maar in onze taal leidt dit tot verbale indigestie. Stilistisch moet je, toch wat het orale register betreft, onmiddellijk denken aan Een heel leven voor je (Goncourt, 1975) van Emile Ajar, alias Romain Gary en Zei Lila (Li 1997, p. 260) van Chimo. Net als in die romans rijst het vermoeden dat het bijwijlen zo van straat geplukte taaltje duidelijk georchestreerd werd door een zelfbewuste auteur, alleen is het zo dat de schijnbare nonchalance bij zowel Ajar als Chimo quasi naturel is terwijl de kunstmatigheid er bij Soucy afdruipt.
Net als Ajar en Chimo opteert Soucy voor een duidelijke picareske opbouw van het verhaal: een ikpersoon uit de marge van de maatschappij neemt het woord om de maatschappij kritisch te beschrijven zonder zich te veel te bekommeren over de manier waarop dit gebeurt. Vanuit een soort van kikvorsperspectief geschreven, levert dat soms grotesk proza op. In zijn zoektocht naar een bijzondere stijl zaait Soucy weliswaar links en rechts ook wel echt geslaagde, zelfs knappe beelden, maar spijtig genoeg volstaan die niet om de roman te redden.
Stel dat ik de stijl wel gesmaakt had, dan nog blijft er een obstakel: waar blijft het verhaal? Dat verliest zich immers in symbolen, metaforen en gezochte beelden die je met een beetje goede wil kan lezen als verwijzingen naar leven en dood, liefde en haat enz. Literatuur keert altijd terug naar de grote clichés, niks op tegen, maar goede literatuur maakt er iets moois mee. En dat gebeurt hier niet. Het meisje dat te veel van lucifers hield mag dan zowel thematisch als stilistisch bijzonder zijn, de bijzonderheid is te opvallend, te geforceerd, hoezeer Soucy de nonchalance waarmee hij het werkje zou geschreven hebben ook suggereert. Laat dit er u niet van weerhouden, gezien het internationale succes bij zowel critici als gewone lezers, om zelf de proef op de som te nemen. 

Gaétan Soucy : Het meisje dat te veel van lucifers hield, Querido Amsterdam, 2002, 176 p., 15,94 €, ISBN 90-214-8221-5. Vert. van : La petite fille qui aimait trop les allumettes door Han Meijer. Distributie : WPG Uitgevers

Oorspronkelijk verschenen in De Leeswolf 2002

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri