Canadese literatuur

Ingeborg Landuyt: Overlevingsstrategieën : Basisthematiek van de Canadese literatuur

door Ingeborg Landuyt

Canadese literatuur speelt zich af in een zeer eigen context. Voor ons zijn de associaties bij dat deel van de wereld vrij positief, en overweegt het beeld van een uitgestrekt land met een nog redelijk ongerepte natuur. Voor de Canadezen zelf was dit niet altijd een pluspunt. Een uitgestrekt woest bos met talloze dierlijke inwoners en een klimaat dat vele uitersten kent zijn ongetwijfeld interessant voor een excursie of een vakantie. Maar viel en valt er ook te leven in deze barre omstandigheden? En hoe? Wat voor kunstwerken zijn het resultaat van deze Canadian way of life? Bestaat er überhaupt een Canadese nationale literatuur?

Wie anno 2003 een overzicht wil hebben van de Canadese literatuur heeft het niet makkelijk. Een site als ‘The Canadian Literature Archive’ (www.umanitoba.ca/canlit/)van de universiteit van Manitoba verzamelt bijna 200 auteurs, eerlijk gerangschikt in alfabetische volgorde. Een recent systematisch overzicht is niet echt te vinden. Voor wat meer duidelijkheid in kader en context moeten we dus teruggrijpen naar oudere standaardwerken.
Misschien speelt het toenemende belang van de internationale context waarbinnen de Canadese schrijvers vandaag opereren hierbij een rol. Vaak zijn ook hun lezers grotendeels buiten Canada te vinden. Margaret Atwood en Michael Ondaatje behoren tot wat men soms de gouden eeuw van Canadese literatuur noemde, maar verwierven ook buiten eigen land talloze prijzen en lezers. Bij ons worden deze auteurs en andere landgenoten zoals Nancy Huston of Alice Munro (onlangs kwam Liefde slaapt nooit uit (zie p. 697)) gretig door Nederlandse uitgevers vertaald. In deze globale context worden specifieke achtergronden minder belangrijk, en treden meer internationale thema’s en stromingen op de voorgrond. Toch wegen regionale invloeden ook vandaag nog door.
In 1972 was Atwood diegene die zich als pionier tot taak stelde de literatuur van haar vaderland in kaart te brengen. De demarcatielijnen die ze toen uitzette, bewijzen nog steeds hun nut om het werk van haar landgenoten, en daarbij niet het minst dat van haarzelf, te situeren. Survival, zo noemde ze haar thematische gids voor de Canadese literatuur. Zoals de Amerikaanse literaire traditie immers bepaald werd door het symbool van het Westen, en zoals het eilandgevoel bij de Engelsen een essentiële rol speelde, zo werd de fictie van de Canadees bepaald door zijn overlevingsinstinct. En dan had Atwood het niet allleen over verhalen over het wel en wee van de echte pioniers.
Volgens haar waren haar landgenoten in het werk van haar collega’s meestal in een bittere strijd verwikkeld met de ongetemde wildernis die hen omringde, waarbij moeder natuur eerder een gemeen oud vrouwtje was dan een vrijgevige dame. Daarbij leek de Canadees zelfs gedoemd om in de meeste gevallen het onderspit te delven, alsof dat de rol was die hem het beste lag. En zelfs wanneer de primitieve leefomstandigheden van de eerste settlers overwonnen waren, bleven hun nakomelingen vanzelf geneigd tot een slachtofferrol. De oorspronkelijke vervreemding projecteerde zich steeds meer naar binnen, of de Canadees werd geconfronteerd met verstikkende buitenlandse invloeden, waarvan hij samen met de natuur (of haar oorspronkelijke bewoners) het slachtoffer werd. Canadese helden zijn geboren verliezers, stelde Atwood, en ze haalde als bewijs ook de titel van Leonard Cohens roman aan, Beautiful losers. In Boven water (1973) gaf Atwood zelf een schoolvoorbeeld van haar theorieën. Haar hoofdpersonage keert terug voor een confrontatie met het nog vrij onherberzame Noorden van Canada en haar eigen verleden, dat zich daar grotendeels afspeelde. (Haar vader was, net als die van Atwood zelf trouwens, entomoloog.) Bij haar terugkeer naar het eilandje waar de blokhut van haar ouders nog staat, wordt die strijd letterlijk afgebeeld in een gevecht tegen het onkruid in de moestuin, in de aantrekkingskracht van de verborgen diepten van het meer, in het mysterie van de verdrinking van haar vader. Zij schaart zich echter aan de kant van haar tegenstander wanneer zelfs in deze uithoek de eerste tekenen opduiken van de inpalming van hun territorium door Amerikaanse invloeden.
Atwoods ideeën waren echter niet voornamelijk voor haar eigen werk ontwikkeld. Haar oorspronkelijke studie was gebaseerd op het werk van talloze landgenoten. Ook vandaag nog passen vele Canadese auteurs in deze taxonomie. Nemen we als ouder voorbeeld Michael Ondaatje, die in 1987 In de huid van de leeuw publiceerde. Daarin voert hij Patrick Lewis op, afkomstig uit het binnenland en voortdurend in conflict met het oprukkende kapitalisme met haar toenemende industrialisatie. Zijn zoektocht naar de verdwenen miljonair Small is hier ook een verbeelding van. Als arbeider in het zich in een ijltempo optrekkende Toronto staat hij uiteraard ten dienste van het systeem, maar hij is ook mee verantwoordelijk voor de sabotage van een aantal moderne projecten, zoals de waterwinningstempel die Rowland Harris in Toronto liet neerplanten. Zijn lot wordt ook gelinkt met dat van nieuwe immigranten in Canada, maar hij blijft overal een buitenstaander, zelfs in zijn eigen vaderland. Gelukkig kan hij, in tegenstelling tot wat Canadese pioniers volgens Atwood vaak overkomt, een redelijk positieve balans opmaken aan het einde van het boek. Ook vandaag nog klinken deze regionale echo’s door in het werk van de Canadese auteurs. De zeevaarder uit New York (zie ook hieronder) van Wayne Johnston (2002) lijkt geschreven als moderne illustratie van Atwoods Canadese prototype. Opnieuw krijgen we een Canadees te zien in zijn oorspronkelijke pioniersrol. Devlin Stead uit Newfoundland is de bevoorrechte getuige van de wedloop tussen Robert Peary en Frederick Cook voor de ontdekking van de Noordpool. Blijkbaar moeten dergelijke prestigieuze projecten vanuit New York ondernomen worden, waardoor opnieuw het contrast tussen de oprijzende stad en de onherbergzame oorspronkelijke Canadese habitat geaccentueerd wordt, met daarnaast ook de pool nog als extreem. Meer dan iets anders wordt vooral de futiliteit van de aanspraken, en de nutteloosheid van dergelijke ondernemingen bewezen, die een hoge tol eisen bij de deelnemers, maar hen zelden ten goede komen. Enkel voor Devlin heeft het hele avontuur een louterend effect, maar hij zal de confrontatie met de extreme omstandigheden niet meer aangaan.
In haar meest recente roman, Oryx en Crake (Li 2003, p. 521), heeft Atwood haar eigen theorieën tot hun logische einde gevolgd. Er zijn geen typische Canadezen meer, de wereld is geglobaliseerd, en de rollen zijn nu omgedraaid. De mens is vervreemd van zichzelf én van de natuur, maar heeft tegelijkertijd ook de kracht en kunde om beide kunstmatig te beheersen. Atwood heeft natuurlijk altijd al een boontje gehad voor fantasieverhalen, een invloed die in de meeste van haar werken te vinden is. In De roofbruid vinden we naast drie fascinerende vrouwenportretten sprookjesachtige Blauwbaardelementen. De blinde huurmoordenaar uit 2000 was een ingenieuze combinatie van een romanlijn, een sciencefictionverhaal en ander materiaal.
Oryx en Crake speelt zich helemaal in een meer geavanceerde toekomst af, waarin het helaas niet altijd even aangenaam vertoeven is. Atwoods einde is donker, nog donkerder dan bij Het verhaal van de dienstmeid, haar eerdere dystopie. Of misschien is de cirkel gewoon helemaal rond. De mens is bijna totaal uitgeroeid, maar de natuur herstelt zich, en integreert ook als nieuwe bewoners een aantal genetisch gecreëerde diersoorten zoals de varkuiven en wolvijnen, én de vervangers die het duistere genie Crake geprogrammeerd had om de plaats van het menselijke ras in te nemen. Want enkel Jimmy is nog overgebleven, aangesteld als bewaarengel van de nieuwe menssoort, wier leefwijze zo complexloos mogelijk gemaakt is, met een zo efficiënt mogelijke combinatie van eigenschappen van alle mogelijke diersoorten. Het meest verontrustende is dat de oorzaken van de ramp die beschreven worden niet zó ver van de huidige werkelijkheid vandaan liggen.
Gelukkig liet Atwood ons nog énkele sprankeltjes hoop. In hun huidige vorm evalueert Jimmy de Crakers te perfect om echt interessant te zijn, maar misschien recupereert hun evolutie een en ander. Misschien is er voor deze wezens, die totaal vervreemd zijn van het menselijke ras, toch een mogelijkheid tot aansluiting. Want hoewel Crake alle spirituele neigingen dacht geëlimineerd te hebben, ontwikkelen zelfs zij eerbied voor het onzichtbare en onbegrijpelijke, maken zij een symbool voor de afwezige Jimmy, hun profeet. En hoe duister de wereld ook mag geworden zijn, in soortgelijke uitingen van kunst zal steeds schoonheid te vinden zijn. Wat ook Atwoods eigen boek, én de literaire traditie waarbinnen ze zich beweegt, ons telkens opnieuw bewijzen.

Oorspronkelijk verschenen in De Leeswolf 2003

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2019

Alle verhalen

Hugo Claus

Dagboek van een dief

Jean Genet

De menselijke maat

Roberto Camurri

Grote verwachtingen. In Europa 1999-2019

Geert Mak

Vaderliefde

P.F. Thomése

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 11, DECEMBER 2019

Dromers

Bibi Dumon Tak, Charlotte Dumas (fotogr.)

Het geheime bondgenootschap

Philip Pullman

Het werkstuk, of Hoe ik verdween in de jungle

Simon Van der Geest en Karst-Janneke Rogaar (ill.)

Oef wat een geluk!

Ghislaine Roman, Tom Schamp (ill.)

Verloren woorden. Een betoverboek

Robert Macfarlane, Jackie Morris (ill.)

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri