Vakliteratuur

Vanessa Joosen, Katrien Vloeberghs: Uitgelezen jeugdliteratuur : een ontmoeting met traditie en vernieuwing

door Jen de Groeve

Jeugdliteratuur in context

In de ontmoeting met de ander komt men zichzelf op het spoor. De ontmoeting met een boek kan een leidraad en bevestiging bieden, maar het kan ook desoriënteren en vragen oproepen. Vanuit deze gedachte hebben Vanessa Joosen en Katrien Vloeberghs, onderzoekers aan de Universiteit Antwerpen, hun studie Uitgelezen jeugdliteratuur: een ontmoeting met traditie en vernieuwing opgebouwd. Tien hoofdstukken brengen evenveel ‘ontmoetingen’. De ontmoeting van het kind met het boek om te beginnen, van realiteit met fantasie, traditie en vernieuwing, heden en verleden, woord en beeld... De ontmoeting met dit boek, dat geschreven is met gefundeerdheid en met elan, is in de eerste plaats verrijkend.

Ik herinner mij de relatieve stilte die er heerste onder de critci en pedagogen, toen in 2003 het prentenboek Rood Rood Roodkapje van Edward van de Vendel en Isabelle Vandenabeele verscheen. En de aarzelende uitspraken die erover werden gedaan, terwijl het nochtans een boek is dat om reactie schreeuwt. Maar men wist zich geen blijf met het bloedrode einde, waar het brave meisje zoals men haar uit het ‘originele’ sprookje kende, nota bene volledig de hand in had. ‘Is dit wel Roodkapje?’ En ‘Is dit wel voor kinderen?’, waren vragen die in vele hoofden opkwamen. Het ‘Roodkapje’ zoals we dat nu het best kennen —van ‘het origineel’ is immers geen sprake —, is dat van de gebroeders Grimm. De moraal is ons duidelijk, we lezen het voor de ontspanning en staan nog weinig stil bij de functies die het in vorige eeuwen heeft gehad. Noch bij de betekenis van het geweld, dat altijd al deel uitmaakte van het verhaal, noch bij de psychoanalytische verklaringen en de seksuele connotaties in de als ‘oorspronkelijk’ beschouwde versies.
Wat je als ouder, pedagoog of criticus uiteindelijk met een uitdagende bewerking als Rood Rood Roodkapje doet, is een beslissing die ieder individueel moet nemen. Voor welk kind het geschikt is, is een vraag die de literatuurwetenschap niet kan beantwoorden. Maar aan het persoonlijk oordeel omtrent de kwaliteit en de bruikbaarheid van een literair jeugdboek, gaat best een grondige reflectie vooraf. Kinder- en jeugdboeken van vandaag zijn in vele gevallen een stuk complexer dan de lectuur uit de eigen kindertijd, en een prentenboek als Rood Rood Roodkapje bewijst dat de grens tussen jeugdliteratuur en literatuur voor volwassenen niet meer scherp af te lijnen is.
Lectuur die vanuit een wetenschappelijk oogpunt op een bevattelijke manier een kader kan bieden voor interpretatie, is in het Nederlands niet veel voorhanden. In boekvorm in elk geval niet; wie de weg vindt naar de vaktijdschriften, kan zijn lectuur wel bij elkaar sprokkelen, maar het probleem blijft dat die informatie versnipperd is en dat ze veelal focust op een welbepaald deeldomein. Je hebt natuurlijk het literairwetenschappelijk basiswerk van Rita Ghesquière: Het verschijnsel jeugdliteratuur, dat sinds 1982 op de markt is en tot 2000 zeven aanvullingen en herzieningen kende. Maar hoewel het boek toegankelijk geschreven is, ligt het vooral in het interessegebied van wie vanuit wetenschappelijk oogpunt met jeugdliteratuur bezig is. Een aanzienlijk breder publiek zal bv. grijpen naar  Jan Van Coillies Leesbeesten en boekenfeesten, ook al vele jaren op de markt (1999) en in 2007 aangevuld en herzien (De Leeswelp 2007, p. 358). Vanwege de brede invalshoek is dat vooral een overzichtswerk en een staalkaart voor mogelijke werkwijzen. Het is nog maar de vraag of een van beide de gedesoriënteerde lezer of intermediair in een geval zoals dat van Rood Rood Roodkapje een of meer concrete denkrichtingen kan voorstellen. Uitgelezen jeugdliteratuur kan dat wel.
Van de tien ontmoetingen is de eerste die van het kind met het boek, een ontmoeting die logischerwijs telkens opnieuw zal opduiken in elk van de volgende hoofdstukken. Katrien Vloeberghs toont aan hoe het kindbeeld van de volwassenen die kind en boek omringen, zijn weerslag heeft op de functie en de eigenschappen die men aan kinder- en jeugdliteratuur toekent. En hoe die doorheen tijd en socioculturele evolutie veranderen. Naarmate er verder op de relatie tussen kind en boek wordt ingegaan, wordt duidelijk hoeveel aspecten die relatie omvat en hoe complex de communicatie schrijver-tekst-lezer voor de jeugdliteratuur in elkaar steekt. Want de volwassen schrijver richt zich met zijn boek niet alleen tot de kinderen voor wie hij het heeft bedoeld, maar altijd ook tot diegenen die bij het productieproces en de receptie van het boek betrokken zijn. “De auteur voor kinderen is misschien de enige van wie wordt gevraagd om zich te richten tot een bepaald publiek en tegelijk een ander te behagen.” (Zohar Shavit) Die “dubbele geadresseerdheid” is uniek voor de jeugdliteratuur en een essentieel aspect in de benadering ervan. Als je ervan uitgaat dat de betekenis van een tekst altijd tot stand komt in relatie met de individuele lezer, dat volwassenen en kinderen eenzelfde tekst anders zullen lezen — de volwassenen vaak met een welomlijnd doel als bemiddelaar —, dan zorgt dat ervoor  dat het beeld dat men van het kind in het algemeen en van de lezer in het bijzonder heeft, een rol gaat spelen in alle facetten van de analyse, interpretatie en receptie. Vloeberghs gaat vervolgens in op Kleine gedigten voor kinderen van Hieronymus van Alphen en Peter Pan van James Barrie, het eerste uit de tijd van de verlichting, het tweede uit de romantiek.
Op een relatief klein aantal bladzijden wordt er heel wat literatuurwetenschap en cultuurhistorische informatie meegegeven, en mocht je je gaandeweg de lectuur gaan afvragen waarom je per se via al die theoretici en filosofen moet passeren om tot het lezen van Peter Pan te komen, dan kan dit excerpt van Vloeberghs als antwoord dienen: “Wat het kind representeert, uitbeeldt, in scène zet, is veelzeggend voor de manier waarop een specifieke cultuur of maatschappij zichzelf begrijpt en beoordeelt. Het geheel van eigenschappen, doelstellingen en functies die in een periode aan de figuur van het kind worden toegeschreven, drukt uit hoe de volwassene zich in de geschiedenis en in de maatschappij situeert, hoe hij zich tot de andere en zichzelf verhoudt, maar ook tot het kind dat hij is geweest, en tot het individu dat het kind is/zal worden. [...] Eveneens afhankelijk van het kindbeeld zijn de opvattingen over de functies en vereiste eigenschappen van kinder- en jeugdliteratuur.” Een paragraafje met een stevige informatiedichtheid, maar wel duidelijk, beknopt en met directe relevantie voor ieders persoonlijke lectuur, zij het van Barrie’s Peter Pan, een moderne adaptatie ervan, of elk kinderboek uit welke periode dan ook.
Uitgelezen jeugdliteratuur heeft een evenwichtige indeling met bij elke ontmoeting een theoretisch inleidend stuk, waarin de problematiek wordt gesitueerd en de wetenschappelijke literatuur ter zake wordt toegelicht en geïnterpreteerd. Voor het overgrote deel literatuur in het Engels en het Duits. En daarmee komen we meteen tot een van de grote verdiensten van deze studie: de wetenschappelijke basis is breed en solide, en het boek brengt bevindingen uit de vakliteratuur samen die voor een niet-academisch publiek grotendeels moeilijk toegankelijk blijven. De uiteenzettingen van Joosen en Vloeberghs zijn bovendien helder, het academisch jargon blijft beperkt tot het noodzakelijke, de opbouw van de argumentatie gebeurt volgens een zichtbare logica, en is voldoende concreet en toegespitst om ook wie niet thuis is in de literatuurwetenschap geïnteresseerd te houden. Ingezette kadertjes verklaren vaktermen of geven een nadere toelichting; de citaten zijn steeds vertaald. Dat stabiele evenwicht tussen wetenschappelijke grondigheid en bevattelijkheid, maakt dit boek tot een zeldzaamheid op de Nederlandstalige markt.
Maar wat mij betreft, ligt de belangrijkste kwaliteit van Uitgelezen jeugdliteratuur hierin dat de schrijfsters de wetenschappelijke materie telkens concreet in confrontatie brengen met kinder- en jeugdboeken. Twee bij elk hoofdstuk, meestal zeer recente, Nederlandstalige populaire boeken. De ontmoeting tussen fantasie en realiteit wordt bv. getoetst aan Het Nachtland van Jan de Leeuw (2005) en J.K. Rowlings Harry Potter en de steen der wijzen (1997); de ontmoeting tussen boek en maatschappij aan Dirk Bracke: Stille lippen (1999) en Carry Slee: Razend (2000), de ontmoeting tussen heden en verleden aan Lara en Rebecca van Kathleen Vereecken (2006) en Slaaf kindje slaaf van Dolf Verroen (2006).
Ik kom even terug op Rood Rood Roodkapje. Een belangijk gegeven bij een sprookjesbewerking is dat de herverteller ervan uit kan gaan dat de verhaalmaterie bekend is bij zijn lezers en dat het spel dat hij ermee speelt, in zijn bewerking als dusdanig herkend zal worden. Zo integreert Rood Rood Roodkapje bv. de feministische kritiek op het sprookje. Van de Vendel laat het meisje zelf het verloop van het verhaal bepalen en een krachtig “Nee” uitspreken tegen de wolf als seksuele verleider. De machtsverhoudingen worden omgedraaid. Vanessa Joosen demonstreert aan de hand van tekstfragmenten hoe Van de Vendel in de tekstopbouw duidelijk aan de versies van Perrault en Grimm refereert, en een verwachtingspatroon bij de lezer oproept, om het vervolgens met kracht te doorbreken. Heel verhelderend is de analyse van tekst en prenten met betrekking tot de schuldvraag, waaruit blijkt dat de vrij algemeen bekende verklaring van Bruno Bettelheim, dat Roodkapje enerzijds handelt uit angst voor de wolf als seksuele verleider en anderzijds vanuit een oedipale drang, niet van toepassing kan zijn op deze bewerking. Rood Rood Roodkapje is een vrijgevochten personage, en het beeld van het meisje dat eerst moorddadig de hakbijl hanteert en vervolgens naar haar teddybeer grijpt, is een stuk complexer dan in de traditionele versies.
Joosen analyseert ook Pieter Gaudesaboos’ Roodlapje, een collage van teksten, foto’s en prenten, die ver afstaat van wat de lezer zich meestal bij een sprookje voorstelt. Zo ook zijn donkere verhaal met een realistische sociale problematiek.
Deze bijdrage geeft een verklaring voor het ontregelend effect dat beide prentenboeken op veel mensen hebben. Ze zegt tegelijk veel over de toenemende complexiteit van de kinder- en jeugdboeken in de laatste decennia en over de plaats die prentenboeken als deze daarin innemen. Een bijdrage dus die in haar analyse verder reikt dan het specifieke thema dat ze aansnijdt.
Elke ontmoeting in het boek wordt op deze manier uitgewerkt en verder opengevouwen. Dat maakt Uitgelezen jeugdliteratuur (sober en stijlvol gelayout) tot een bijzonder inzichtelijk en bij momenten revelerend boek, met een erg brede bruikbaarheid. De uitgebreide bibliografieën per hoofdstuk zijn kritisch geannoteerd.

Vanessa Joosen, Katrien Vloeberghs: Uitgelezen jeugdliteratuur: een ontmoeting met traditie en vernieuwing, LannooCampus 2008, 250 p. : ill. ISBN 97890807933

Oorspronkelijk verschenen in De Leeswelp 2008


deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Couperus in de Oriënt

José Buschman

De buurjongen

Jan Siebelink

Het verkoolde alfabet

Paul de Wispelaere

The night

Rodrigo Blanco Calderón

Werk werk werk

Christophe Van Gerrewey

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Een nacht op het strand

Elena Ferrante, Mara Cerri (ill.)

Het bos slaapt

Rébecca Dautremer

Optimisme is dodelijk

Susin Nielsen

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri