Vakliteratuur

Jan Van Coillie: Leesbeesten en boekenfeesten : hoe werken (met) kinder- en jeugdboeken?

door Jürgen Peeters

De theorie van het leesfeest

Anno 2007 vormt het jeugdliteraire landschap een ruim en boeiend onderzoeksdomein. Steeds meer literair-wetenschappelijke instellingen beschouwen jeugdliteratuur als een volwaardig genre, dat terecht een plaats krijgt in hun curriculum. De diversiteit van het genre weerspiegelt zich in erg uiteenlopende onderzoeksdomeinen, zoals de descriptieve vraag naar de rijke jeugdliteraire geschiedenis, een structurele analyse van thema­tische aspecten of de didactische aanpak in leesbevorderende projecten. Het in 1999 verschenen naslagwerk Leesbeesten en boekenfeesten van Jan Van Coillie, de eerste Vlaamse doctor in de kinder- en jeugdliteratuur, schetst een onderhoudend overzicht van genres en stromingen en biedt tevens een schat aan suggesties om efficiënt met kinder- en jeugdboeken aan de slag te gaan. De meer dan 400 pagina’s tellende turf werd enthousiast onthaald door de literaire pers en vond moeiteloos zijn weg naar een uitgebreid publiek. Het literaire landschap evolueert echter snel, en jeugdliteratuur vormt daarop geen uitzondering. Naar aanleiding van de Boekenbeurs 2007 verscheen dan ook de langverwachte volledig herziene uitgave. Rijst meteen de vraag in welke mate ‘herzien’ geen al te vrijblijvende zinsnede blijkt voor iets dat “vooral vanuit commercieel standpunt” een meerwaarde biedt.
Van Coillie behield de tweeledige structuur van de eerste uitgave. Het eerste deel ‘Hoe werken kinder- en jeugdboeken?’ wordt opgevolgd door het bijna gelijkluidende, maar inhoudelijk totaal anders uitgewerkte ‘Hoe werken met kinder- en jeugdboeken?’, een praktische handleiding voor de ‘creatieve gebruiker’. Al in de inleiding schetst Van Coillie haarscherp het initiële doel van deze lijvige heruitgave: eerder dan een zogenaamd ‘totaaloverzicht’ met ellenlange, vaak nietszeggende lijstjes vol namen en titels, wil Leesbeesten en boekenfeesten een “levendige staalkaart van stijlen en benaderingen” in het huidige jeugdliteraire veld zijn. De vraag naar de verschillende functies van jeugdliteratuur loopt daarbij als een rode draad door het boek. Met deze theoretische benadering opent het eerste hoofdstuk dan ook: Van Coillie overloopt de zes mogelijke functies van kinder- en jeugdboeken, die hij staaft met diverse uitspraken en definities van literatuurwetenschappers. Ook verder in het boek valt op dat Van Coillie zich in deze herziene uitgave veel sterker beroept op een ruim theoretisch kader, wat het boek een nog sterkere en vooral solidere indruk verleent. De talrijke fragmenten uit contemporaine en oudere jeugdliteratuur vormen daarbij een welkome aanvulling. Toch blijft Van Coillies schrijfstijl helder en toegankelijk. Na de definiëring van de functies volgt een uitgebreid overzicht van de verschillende actoren in de wereld van het kinder- en jeugdboek. Ging in de eerste druk voornamelijk aandacht uit naar de auteur, illustrator en jonge lezer, dan treden nu ook vertaler, uitgever en boekhandelaar, bemiddelaar, beoordelaar en onderzoeker uit de schaduw. Van Coillie heeft deze passages grondig herzien en met gepaste zin voor nuancering aangevuld. Zo komen in het onderdeel over de uiteenlopende drijfveren van (jeugd)auteurs zowel Bart Moeyaert en Floortje Zwigtman alsook Francine Oomen en Simone van der Vlugt aan het woord. Naast literaire auteurs dus ook ruimte voor commerciële successen en naast monumenten als Henri Van Daele en Jan Terlouw ook aandacht voor nieuwe namen aan het firmament.
Van Coillie slaagt erin om de grote discrepantie tussen stijlen en motivaties genuanceerd en boeiend over te brengen, waardoor een erg breed blikveld ontstaat. Precies in die botsing van stijlen en visies reveleert zich de complexiteit binnen het jeugdliteraire veld. In dit eerste deel komt ook terloops de invloed van nieuwe media op het leesproces aan bod, evenals de commercialisering van het kinderboek met Harry Potter als koploper. Dit potentieel interessant ideeëngoed wordt echter te versnipperd aangeboden en had een grondigere uitwerking verdiend. Een gemiste kans, want het biedt alleszins een kritisch en boeiend potentieel. Meer aandacht gaat uit naar de verschillende leesfasen, allerhande leesproblemen en de fascinatie van kinderen voor populaire triviaalliteratuur. In deze doordacht geschreven hoofdstukken bewijst Van Coillie zich eens te meer als een enthousiaste pleitbezorger van de jeugdliteratuur met een gedegen kennis van theorieën en hypes en dat op de verschillende niveaus van prentenboek tot cross-overroman. Ook een nauwgezet genre-onderzoek mocht niet ontbreken: humor en spanning, realisme versus fantasie, detectives en sprookjes, allemaal passeren ze de revue. Daarnaast belicht Van Coillie de valkuilen van de historische roman en het oorlogsverhaal, onderzoekt hij de booming business in boeken over andere culturen en wijdt hij een lijvig deel aan sprookjes en fantasieverhalen. Het meest vernieuwende aspect van deze uitgave vormt de modernisering en actualisering van de fragmenten. Tal van nieuw en opkomend talent krijgt ruimschoots de aandacht. Een greep uit het aanbod: Michael Engström, Jutta Richter, Kevind Brooks, Andreas Steinhöfel enz. Behalve typerende voorbeelden wordt steeds een beroep gedaan op literair-wetenschappelijk onderzoek dat verhelderende narratolo­gische en thematische analyses biedt. Ook de integratie van woord  en beeld in het prentenboek en de strip verdient de nodige belangstelling, met veel aandacht voor onze Vlaamse reuzen Carll Cneut, Gerda Dendooven, Kristien Aertssen en Klaas Verplancke. Het hoofdstuk over poëzie, Van Coillies stokpaardje, werd flink gemoderniseerd en geeft daardoor een bredere kijk op de eigenheid en diversiteit van dit specifieke genre. Het eerste deel sluit af met een beperkt historisch overzicht van het kinderboek, vanaf de middeleeuwen tot en met het postmodernisme. Voornamelijk het hoofdstuk gewijd aan de 20e eeuw werd grondig herzien en aangevuld met een voorlopige stand van zaken binnen de 21e eeuw. Opnieuw gaat een groot deel van de aandacht naar de commercialisering van het kinderboek met Harry Potter als sprekend voorbeeld. Maar het blijft een onaf geheel, dat meer uitdieping verdiende.
Het tweede deel ‘Hoe werken met kinder- en jeugdboeken?’ behandelt een ruime waaier aan vernieuwende en boeiende werkvormen om kinderen de rijke wereld van geschreven taal te laten ontdekken. Van leesmarathons en boekenbeurzen tot auteurs en illustratoren in de klas. Van Coillie geeft steeds nuttige tips en richtlijnen, waardoor dit deel een must wordt voor iedereen die met kinderboeken aan de slag wil. Interessant is dat de auteur niet blijft hangen op het weliswaar vermakelijke, maar eenzijdige niveau van het leesplezier opwekken, maar jongeren ook wil vertrouwd maken met de interne keuken van auteurs. Een duidelijk begrippenapparaat, wat in de eerste uitgave nog ontbrak, bewijst hier zeker z’n nut. Al vrees ik dat dit instrumentarium voor adolescenten nog steeds te beperkt blijft. Kende de eerste druk nog een rigoureuze scheiding van genres bij het aanreiken van creatieve verwerkingsopdrachten, dan volgen nu tips met een meer algemene strekking, die daardoor makkelijker in de praktijk te brengen zijn. Gerichte schrijfoefeningen, dramatische expressie, verfilmingen, het vormt slechts een kleine greep uit het doordachte en boeiende aanbod. Een handig register, een informatieve lijst met titels en websites voor verdere exploratie, adressen van centra voor leesbevordering en een thematische lijst met titels sluiten dit rijkgevulde standaardwerk af.
Deze volledige herziene uitgave blijkt dus zeker geen louter commercieel project, maar biedt een grondige theoretische uitdieping en verbreding alsook een geslaagde actualisering. Leesbeesten en boekenfeesten blijft overtuigend overeind als hét standaardwerk voor iedereen die met jeugdboeken aan de slag wil of zich minstens wil verdiepen in de rijkgeschakeerde wereld van kinder- en jeugdliteratuur.

Jan Van Coillie: Leesbeesten en boekenfeesten : hoe werken (met) kinder- en jeugdboeken?, Davidsfonds /Infodok Leuven, 2007, 520 p. : ill., € 29,95. ISBN 9789076830919

Oorspronkelijk verschenen in De Leeswelp 2007



deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri