Vakliteratuur

Sanne Parlevliet: Meesterwerken met ezelsoren : bewerkingen van literaire klassiekers voor kinderen 1850-1950

door Sylvie Geerts

Sanne Parlevliet behoeft allicht niet voor iedereen nog een introductie. Wie haar niet kent als onderzoeker jeugdliteratuur, heeft misschien haar debuutroman Zus (Van Goor, 2008) gelezen. Parlevliets schrijftalent uit zich ook in het proefschrift waarmee ze eind vorig jaar promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zelden heb ik zoveel plezier beleefd aan het lezen van een wetenschappelijk werk dan aan Meesterwerken met ezelsoren. Dat is te danken aan de beeldrijke en frisse stijl waarmee Parlevliet de lezer door haar onderzoek leidt en aan de vanzelfsprekende manier waarop ze de theoretische aspecten en het rijke bronmateriaal in elkaar laat overlopen.
Bewerkingen van klassiekers nemen al van oudsher een belangrijke plaats in binnen de jeugdliteratuur. Ze vormen in vele gevallen onze eerste en soms zelfs enige kennismaking met literaire helden als Reynaert de Vos en Robinson Crusoe. We staan er misschien niet meteen bij stil hoe sterk de bewerkingen uit onze jeugd ook ons beeld van deze gecanoniseerde werken bepalen en in hoeverre dit kan verschillen van het beeld dat uit de bronteksten naar voren komt.
Deze idee vormt zowat het uitgangspunt van het onderzoek van Parlevliet. Centraal staat immers de dynamiek tussen de bewerkingen en de historische en sociale context waarbinnen ze zijn ontstaan. Voor elke bewerking geldt dat ze zich beweegt tussen de bronteksten en haar nieuwe publiek. Of nog: ‘De bewerkingen waren bruggen van taal, waarvan de ene kant was gestut in de wereld van de oorspronkelijke tekst, de andere in die van het nieuwe publiek. Afhankelijk van de functie die er aan de bewerking werd toegekend, dienden bewerkers hun bruggen recht en stevig te bouwen, gemakkelijk om over te steken voor nieuwe lezers of hoog en steil. Zij konden korte en lange bruggen bouwen, brede boogbruggen met mooie uitzichten, wankele hangbruggen om over te klauteren, bruggen op palen of bruggen met gaten in het dek’ (p. 58-59)
Het achterhalen van de aard en de functie van bewerkingen voor jonge lezers in 1850-1950 geldt als algemene doelstelling. Daartoe wordt een poëticale, institutionele en ten slotte een uitgebreide ideologkritische tekstanalyse uitgevoerd. Aangezien ‘bewerking’ en ‘klassieker’ geen objectieve begrippen zijn, wordt de invulling die ze krijgen binnen dit onderzoek uitgebreid gemotiveerd, net zoals de keuze voor de onderzochte periode. Parlevliet legt de nadruk op de historische inbedding van haar benadering van bewerkingen. Analyse van literaire strategieën is hierbij geen doel op zich, maar een middel om de invulling te beschrijven die veranderlijke noties als kind, opvoeding, jeugdliteratuur en literaire meesterwerken binnen een bepaalde periode krijgen. Ze beargumenteert dat bewerkingen door dit veranderlijke karakter hun plaats kunnen handhaven binnen de steeds evoluerende jeugdliteratuur. De klassiekers die centraal staan, zijn ‘werken uit de wereldliteratuur die oorspronkelijk voor volwassenen geschreven zijn, maar heel vaak voor kinderen bewerkt zijn.’ (p.13) Om tot deze definiëring te komen, is een poëticale analyse uitgevoerd van de contemporaine opvattingen over bewerkingen voor jonge lezers. Deze worden gekenmerkt door een verschuiving die gepaard gaat met een evoluerend kindbeeld. Grof geschetst, krijgt de voorkeur van het kind steeds meer aandacht, hoewel pedagogische bekommernissen als literaire, ethische en esthetische vorming tot in de twintigste eeuw van primair belang blijven. Deze evolutie dient als motivatie voor de gekozen periode, samen met de positie van bewerkingen binnen het boekenaanbod van 1850-1950. Uit de institutionele analyse komt immers naar voren dat, ondanks het groeiend aanbod van ‘originele’ jeugdliteratuur, ook de productie van bewerkingen van de onderzochte klassiekers stijgt.
De analyses van de opvattingen over en de plaats van bewerkingen dienen ook als middel om het indrukwekkende corpus dat Parlevliet heeft samengesteld af te bakenen. Voor de tekstanalyses beperkt ze zich tot de vier meest bewerkte klassiekers: Robinson Crusoe, Tijl Uilenspiegel, Gullivers Travels en Reynaert de Vos. Eerst overloopt Parlevliet de gehanteerde bewerkingsstrategieën. De daarop volgende ideologiekritische analyses zijn gericht op drie specifieke betekenisveranderingen onder invloed van opvattingen over kinderen en jeugdliteratuur in de Nederlanden tussen 1850 en 1950. Eerst wordt ingegaan op de manier waarop pedagogische ideeën over karaktervorming hun sporen nalaten in de adaptaties. Ook de analyse van de representatie van het gezin geeft aan dat aan adaptaties een socialiserende functie werd toegekend. Hetzelfde geldt voor de manier waarop de omgang tussen kinderen en dieren werd verbeeld, een aspect dat daarnaast ook de groeiende aandacht voor de voorkeur van kinderen duidelijk maakt.
Opvallend is dat deze tekstanalyses een zekere flexibiliteit en intuïtie van de onderzoeker vergen. Naar gelang de relevantie voor het onderzochte aspect krijgt de ene tekst immers meer aandacht dan de andere. Zo komen de evoluerende opvattingen over karaktervorming best tot uiting in de figuur van Robinson Crusoe, waarbij het ideaal van gehoorzaamheid geleidelijk aan plaats maakt voor dat van zelfstandigheid. Reynaert komt dan vooral aan bod bij de bespreking van ideologie van familie. Hij werd in de onderzochte bewerkingen immers vaak als ideale huisvader voorgesteld om de waarden van het gezin te promoten. Ook staan niet overal dezelfde bewerkingsstrategieën centraal. De boodschappen die omtrent de omgang met dieren werden overgebracht in de teksten blijven bijvoorbeeld vooral impliciet: door weglating van dieronvriendelijke passages en toevoeging van elementen met een positieve relatie tussen mens en dier, is een diervriendelijke moraal vervat in de bewerking.
Dit korte overzicht maakt de ingenieuze en pertinente manier duidelijk waarop dit onderzoek is opgebouwd. Vertrekkend van de algemene definiëringen, gaat Parlevliet over op een analyse van de poëticale en institutionele context, als noodzakelijk kader en als selectieprocedure voor de specifieke tekstanalyses.
Meesterwerken met ezelsoren biedt een verhelderende analyse van een segment uit de jeugdliteratuur.  Het is aan te bevelen lectuur voor eenieder die, vanuit welke hoek dan ook, interesse heeft voor belangrijke vragen als ‘wat is bewerken?’ en ‘wat zijn klassiekers?’ en voor de historische inbedding van de Nederlandstalige jeugdliteratuur van eind negentiende en begin twintigste eeuw.    

Verloren Hilversum, 2009, 391 p. : ill., € 39. ISBN 9789087041212

Oorspronkelijk verschenen in De Leeswelp 2009



deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri