Vakliteratuur

Willem Jan van der Meiden: Zoo heerlijk eenvoudig : geschiedenis van de kinderbijbel in Nederland

door Karen Ghonem-Woets

In 1989 sprak Nicolaas Matsier er in NRC Handelsblad schande van dat er nog geen wetenschappelijk onderzoek in Nederland was gedaan naar de traditie van de kinderbijbels. Theoloog en journalist Willem van der Meiden nam de handschoen op en leverde eind 2009 een ruim 450 pagina's dik boek af met een cultuurhistorische, descriptieve studie over drie en een halve eeuw kinderbijbels in Nederland.
In zeven hoofdstukken komen kinderbijbels van 1640 tot 2005 aan bod. Van der Meiden heeft ruim 850 verschillende kinderbijbels — voor kinderen bewerkte Bijbelgedeelten — gevonden en bestudeerd: drievijfde van Nederlandse bodem, en tweevijfde vertaalde titels. Opmerkelijk is dat de helft van het totaal aantal titels voor en de andere helft na 1978 is uitgegeven, terwijl je zo'n groot aantal titels niet echt zou verwachten in een samenleving waarin sprake is van ontzuiling en ontkerkelijking. Voor de periodisering ging Van der Meiden uit van de verschijningsjaren van 'bijzondere, spraakmakende en grensverleggende kinderbijbels'. Het boek wordt afgesloten met een chronologisch overzicht van het gehele corpus in Nederland verschenen kinderbijbels. Er is ook een uitgeverijenregister én een personenregister opgenomen.
Het is ongelofelijk knap hoe Van der Meiden zoveel uitgaven in een prettig leesbaar boek heeft weten samen te brengen en overzichtelijk heeft weten te maken in een overtuigend gemotiveerde periodisering. Ook bewonderenswaardig is hoe hij binnen elke periode veranderingen in het genre weet te koppelen aan ontwikkelingen op theologisch en pedagogisch gebied, en, waar relevant, aan ontwikkelingen op andere gebieden. Af en toe is de informatie wel wat veel en gedetailleerd voor een (relatieve) leek op theologisch gebied.
Hoewel hij voor de pedagogische ontwikkelingen die ook de kinderbijbel hebben beïnvloed, te rade is kunnen gaan bij andere auteurs, zoals onder meer bij historisch pedagogen, heeft hij in vele opzichten pionierswerk verricht. Hij citeert ook genoeg uit de beschreven werken om de lezer te laten proeven van een bepaalde stijl of opvatting.
Een paar opmerkingen. Van der Meiden spreekt soms over Nederland, soms over het Nederlandstalig gebied, en bespreekt ook boeken van Vlaamse uitgeverijen, maar gaat niet echt expliciet in op kwesties die mogelijk specifiek in Vlaanderen sp(e)eel(d)en.
Een tweede punt is dat de helft van het aantal kinderbijbels na 1978 is uitgegeven, maar dat de aandacht in pagina's hiervoor veel minder is dan voor de productie tot 1978. Na 1978 — en dat zegt Van der Meiden ook zelf — bespreekt hij trends en gaat hij minder in op individuele titels. Waarom zijn er zoveel titels uitgegeven, terwijl je in een ontzuilde en ontkerkelijkte samenleving anders zou verwachten? Het uitgeven van kinderbijbels, schrijft Van der Meiden, is nooit afhankelijk geweest van kerken. Het waren van de kerk onafhankelijke organisaties, en in toenemende mate individuele (jeugdboeken)auteurs die kinderbijbels schreven of uitgaven. Dat de kerken aan aantrekkingskracht hebben ingeboet, wil dus niet zeggen dat dat ook moet gelden voor kinderbijbels. Van der Meiden geeft wel een aantal voorspellingen voor de 21ste eeuw die je met terugwerkende kracht ook als verklaringen kunt opvatten, maar een eenduidige verklaring geeft hij niet, en die is er wellicht ook niet. Zo zoeken ouders in een tijd waarin het niet meer vanzelfsprekend is dat kinderen de Bijbelverhalen via de school of kerkelijk onderricht met de paplepel krijgen ingegoten, houvast in Bijbelverhalen in boekvorm op de maat van hun kind. Dat geldt voor ouders van verschillende gezindten. Ook voor de behoudender groep ouders komt eerder meer (vooral vertalingen) dan minder op de markt. Van der Meiden: 'In toenemende mate zullen buitenkerkelijke auteurs en illustrators op verzoek van uitgeverijen Bijbelverhalen navertellen en verbeelden. De markt vraagt immers om vertellingen voor kinderen en jongeren uit verschillende religies en culturen. En de Bijbelverhalen behoren tot dit culturele erfgoed dat aan kinderen doorgegeven wordt. Het genre van de interreligieuze en interculturele verhalenbundels, waarvan Bijbelverhalen onderdeel uitmaken, zal zeker in belang toenemen'. Wellicht is er meer afstand in tijd nodig om de laatste decennia periode nog scherper te kunnen analyseren als het om verklaringen van bepaalde fenomenen gaat; dit is dan in ieder geval een handvat voor volgende onderzoekers.
Een ander aangrijpingspunt biedt de analyse van de illustraties en opvattingen van illustratoren, en een onderzoek naar bewerkte verhalen uit andere religieuze tradities. In het laatste hoofdstuk gaat Van der Meiden in op bewerkingen voor kinderen uit andere geloofstradities en op interreligieuze uitgaven, maar dit is erg summier. Van uitgaven met verhalen uit de islamitische traditie noemt hij alleen Ibrahiem en Abraham van Francien van Overbeeke en We vertellen je het mooiste verhaal van Farouk Achour. Mogelijk was Van der Meiden onbekend met de hervertellingen van profetenverhalen voor moslimkinderen van uitgeverijen die gespecialiseerd zijn in islamitische uitgaven. Het is niet zo dat die altijd het bespreken waard zijn, maar er gebeurt meer op dit gebied dan bekend is.
En ten slotte: Van der Meiden geeft in zijn inleiding een mooi lijstje van de mogelijke middelen die auteurs gebruiken om Bijbelverhalen voor kinderen aan te passen: reproduceren in eenvoudige taal, reduceren, theologiseren, psychologiseren en dramatiseren. Hij noemt het geen thema in zijn boek, maar het zou — om bijvoorbeeld parallellen te kunnen trekken met andere genres in de jeugdliteratuur zoals bewerkingen van sprookjes of mythen — zeker heel interessant zijn om de verteltrant van verschillende auteurs van kinderbijbels preciezer in kaart te brengen aan de hand van de genoemde middelen.
Van der Meiden heeft een omvangrijk werk afgeleverd. Een deel hiervan verdient zeker opgenomen te worden in een geschiedenis van de jeugdliteratuur, want, zo impliceert Van der Meiden terecht, Bijbelverhalen liggen niet alleen aan de basis van de jeugdliteratuur, maar sinds de 'narratieve revolutie' van W.G. van de Hulst, die de aandacht verlegde van geschiedenissen naar op de maat van kinderen gesneden literaire vertellingen en sinds steeds meer jeugdboekenauteurs en -illustratoren zich met dit genre bezighouden, verdienen ze zeker niet meer het dédain waarmee vaak over Bijbelverhalen is geschreven. Op basis van dit werk kunnen ook vele onderzoekers verder aan de slag. Een prachtige verdienste, die zeker niet 'zoo heerlijk eenvoudig' verkregen is!

Verloren Hilversum, 2009, 462 p. : ill., € 35. ISBN 9789087041205

Oorspronkelijk verschenen in De Leeswelp 2009


deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri