Vakliteratuur

JEUGDBOEKEN NR. 1, SEPTEMBER 2015

Saskia De Bodt: De verbeelders: Nederlandse boekillustratie in de twintigste eeuw

door Jen de Groeve

Schitterende ‘onzegbaarheden’ op papier
 
Van wie is toch de tekening op het omslag van Saskia De Bodts boek De verbeelders: Nederlandse boekillustratie in de twintigste eeuw? Ze heeft iets bekends van stijl en beeldtaal, maar wie is de tekenaar?  Het is Friso Henstra en hij maakte de tekening bij het boek Mighty mizzling mouse and the red cabbage house  (1984). Ik vond een keer een prent van Henstra terug in Het grote Annie M.G. Schmidt voorleesboek (Querido, 2008-2014), maar voorts is er al vele jaren geen sprake meer van deze illustrator. En toch mag hij de cover sieren van deze eerste geschiedenis van de Nederlandse boekillustratie.  
Wanneer je het rijk geïllustreerde boek doorbladert en je in de eerste plaats door de vele afbeeldingen laat leiden, wisselen herkenning en verrassing elkaar voortdurend af. Je herinnert je de sprookjesprenten van Anton Pieck, de geur en kleur van de Gouden Boekjes, Dik Trom en Schoolidyllen, Nijntje, Pipi Langkous, Vos en Haas, Keepvogel…  Maar je komt ook beelden van M.C. Escher en Dirkje Kuik tegen. Was Escher dan een illustrator? Intrigerend. Ik blader ook meteen naar het hoofdstuk over Johan Fabricius, die ik alleen als schrijver kende. En naar dat over Phiny Dick, Marten Toonders eerste vrouw en zij was de bedenker van Tom Poes, het figuurtje dat samen met heer Bommel een onwaarschijnlijk groot succes zou worden. Er valt bijzonder veel te ontdekken aan nieuwe namen en vergeten beelden. Maar ik vraag me ook het een en ander af. Zo was ik er zeker van dat de meermaals gelauwerde Sylvia Weve een portret zou krijgen in deze geschiedenis, net zoals een grootheid als Mance Post bijvoorbeeld. Niet dus. Het uitgangspunt van deze geschiedenis verklaart een en ander.
 
Een breed historisch perspectief
De verbeelders belicht de belangrijkste tendenzen en ontwikkelingen in de illustratiekunst vanaf ca. 1890 tot 2014. Het accent ligt dus op de twintigste eeuw, 'een tijd waarin vooral boekillustratie aan verandering onderhevig was, discussies opriep en soms onder druk stond.' (9) De Bodts opzet is breed historisch en het onderwerp is niet beperkt tot kinder- en jeugdboeken. De 'boekproductie in brede zin' krijgt de aandacht, zowel kinder- als volwassenenliteratuur, bibliofiele uitgaven maar ook commerciële serieproducten hebben in deze geschiedenis hun plaats. De focus ligt niet zozeer op individuele illustratoren, het doel is een chronologisch overzicht te geven. De illustratoren zijn zo gekozen 'dat ze samen een representatief beeld geven van de geschiedenis van de Nederlandse boekillustratie.' Zo kan het gebeuren dat ook een naam van een productief en veel besproken illustrator hier niet verder uitgediept wordt. En aan de andere kant heb je wellicht nog nooit van Gust. van de Wall Perne gehoord – ik kende hem in elk geval niet, evenmin als Isidore Leonard Spreekmeester, B. Midderigh-Bokhorst of Marietje Witteveen. Veel van de 'verbeelders' die in dit prachtige boek worden voorgesteld, zijn met de jaren vergeten geraakt door het publiek. Dat komt, schrijft De Bodt, 'omdat er ondanks hun grote artistieke kwaliteit geen museum is geweest dat recent meer dan zijdelingse aandacht aan hen besteedde.' (9)  
Na een algemene inleiding komt de periode 1890-2014 aan bod, een tijd waarin de boekillustratie een duidelijke ontwikkeling laat zien. De periode is opgedeeld in zes tijdvakken; elk tijdvak wordt uitgebreid gekarakteriseerd en daarbij is een min of meer vast stramien gevolgd. Er wordt telkens vertrokken van boekillustratie voor volwassenen. Tot de jaren zestig en zeventig werkten de meeste illustratoren immers in de eerste plaats voor de volwassenenmarkt. De aandacht gaat eerst naar bibliofiele uitgaven en interdisciplinaire projecten, en in tweede instantie wordt ook breder gekeken. De vigerende ideeën over volksopvoeding en de opvoeding van kinderen vormen mee de context waarin de tekenaars werkten.  
De verbeelders laat heel mooi de evolutie zien. Van het einde van de negentiende eeuw tot nu evolueert het verhaal van de boekillustratie van ondersteunende, esthetische prenten om lezers naar de tekst te loodsen, over een voortdurende professionalisering van het vak en toenemende zorg voor vormgeving, naar experimenten en non-conformisme, tot de artistieke vrijheid van de ‘beeldmaker’ die de illustrator vandaag is.  
 
De illustrator en zijn tijd
De Bodt trekt een duidelijke lijn van de algemene context en tijdgeest in een bepaalde periode naar de verschillende aspecten van het boeken maken en illustreren, en laat zien welk uiteenlopend werk eruit voortvloeit. De donkere jaren voor de Tweede Wereldoorlog brachten werk in scherpe zwart-wit contrasten van bijvoorbeeld Nico Bulder en Eppo Doeve voort. Het waren ook vooral schrijvers met een somber oeuvre die in die tijd werden uitgegeven, Dostojevski, Edgar Allan Poe, Halldor Laxness… Ook de avant-gardekunst begon in de jaren dertig in de boekillustratie door te werken. Hendrik Werkman was hier een belangrijk figuur. Zijn oeuvre was klein, maar het was een grote inspiratie voor de nieuwe generatie illustratoren. Ook de bijzonder vooruitstrevende prentenboeken van Marieke Witteveen, die geïnspireerd werd door de Russische avant-garde, vallen hier op. De jaren dertig en veertig waren een karige tijd wat mooi geïllustreerde kinderboeken betreft, maar de donkere tijden brachten ook escapisme, verlangen naar lichtheid en ontspanning mee. Hier zijn dus ook de nostalgische prenten van Anton Pieck te situeren, Jean Dulieu’s Paulus de Boskabouter, en Phiny Dick legde de basis voor het enorme Tom Poes-succes dat in de komende jaren zou volgen.   
In deze periode wordt ook M.C. Escher als illustrator geportretteerd, terwijl hij in zijn hele carrière slechts drie boeken illustreerde. Escher beargumenteert zelfs dat hij ‘illustreren beschouwde als puur tijdverlies, omdat hij het als zijn plicht zag zich vooral te concentreren op de gedachte die hij in zijn ‘verbeeldingen’ uitte. (150) Escher zal echter wel nog een boek maken waarin hij ‘woordillustraties’ bij zijn eigen prenten maakt. Dit is wat hem dan toch een portret als illustrator oplevert omdat hij ‘de belangrijkste plaats in een boek opeist voor het beeld, zonder een ‘kunstenaarsboek’ te willen maken.’ (150) Een ‘beeldmaker’ pur sang dus met een vooruitstrevend ideeëngoed.
De teksten die de verschillende tijdvakken beschrijven, zijn uitgebreid en bijzonder informatief. De jaren vijftig en zestig, zijn aldus de kernachtige titel de jaren van de ‘Vrolijke expressie’. Terwijl de jaren vijftig door (kunst)historici gezien worden als een tijd van ‘artistieke gezapigheid en stilstand’ (173) zijn ze voor de literatuurhistorici net een periode van grote bloei, waarin de grote drie van Nederland, Hermans, Mulisch en Reve opkwamen. En ook de tijd van de Vijftigers uiteraard en van de Cobra-artiesten. Logisch eigenlijk, schrijft De Bodt, het non-conformisme had nooit gekund zonder die gezapige tijdgeest: ‘Zonder een extreem burgerlijke atmosfeer had de jonge Reve zich nooit op die wijze kunnen profileren’ (173). En er zijn meer (schijnbare) tegenstellingen, die uit dezelfde voedingsbodem zijn ontstaan. Terwijl de boekillustratie vooral het populisme diende en er vraag was naar vrolijke ontspanning, houden in de poëzie zich vooral autonome kunstenaars met de illustratie bezig vanuit de idee dat alle kunst populistisch moest zijn. De cultuurspreiding, de financiële middelen die gaandeweg vrijkwamen voor cultuur, gaven een geweldige boom aan de illustratiekunst. De tv kwam nog maar net de huiskamers binnen, dus hadden kranten en illustraties nog een belangrijke rol te spelen wat de ‘verbeelding’ aangaat.
In deze context, waarin popularisering en kunst geen tegengestelden hoeven te zijn, hadden ook illustratoren voor kinderboeken als Mance Post, Wim Bijmoer en Fiep Westendorp hun plaats. Met hun illustraties trachtten ze de tekst niet alleen te verluchten, maar ook te verdiepen. ‘Fiep Westendorp heeft bijvoorbeeld altijd zeer direct op de tekst gereageerd, zonder overigens de clou van een verhaal letterlijk in beeld te brengen. Zij was zich zeer bewust van haar rol als onderstreper van een tekst die met haar eigen (beeldende) middelen een dimensie toevoegt. Zij en anderen brachten met hun werk een mentaliteitsverandering teweeg. Voor volwassenen en kinderen werkten zij volgens dezelfde principes.’ (180) Dit citaat uit de inleidende tekst mag meteen ook duidelijk maken hoe accuraat de persoonlijkheden gekarakteriseerd worden. Een verdere uitdieping volgt dan nog in de portretten van illustratoren die representatief zijn voor de periode.  
 
De jaren zeventig waren de ‘tijd van de grote creativiteit en inventiviteit […] vooral gericht op zelfontplooiing en individualisme: het ‘ik-tijdperk’’ (227). De jaren ook waar de opleiding illustratie beperkt was, omdat alles gericht was op de autonome kunst. Een belangrijk gevolg daarvan was dat kunstenaars en illustratoren een persoonlijke stempel konden drukken op een boek. Het zijn de topjaren, waarin Peter Vos, Willem (Dirkje) Kuik, Friso Henstra, Wim Hofman en Joke van Leeuwen gesitueerd worden. En, onverwacht, ook traditionelen als Rien Poortvliet en Marjolein Bastin, die een enorm publiek bedienden en ook nu nog altijd op de markt zijn, terwijl Friso Henstra die, aldus Saskia de Bodt, ‘achteraf bezien, misschien wel de meest vernieuwende van alle Nederlandse jeugdillustratoren’ was (243), totaal vergeten is. Niet dus door wie de geschiedenis in kaart brengt. Zijn illustratie op de cover mag in die zin misschien als een soort van eerherstel beschouwd worden.  
In de jaren negentig en tweeduizend is het terrein van de boekillustratie steeds kleiner geworden. Boeken voor volwassenen worden niet meer geïllustreerd, ten ware in de vorm van de graphic novel. Prentenboeken floreren wel en ook ontstaan er nieuwe concepten zoals de kinderkunstboeken, waarbij het kind als het ware ‘in de geest van de kunstenaar kruipt’ (276), en boeken zonder woorden. De opkomst van de nieuwe media heeft een niet geringe invloed op de functie van de illustratie, die ook in diverse vormen een leven buiten het boek gaat leiden. ‘De Nederlandse illustratoren van de laatste decennia begeven zich, net als honderd jaar geleden, op een breed terrein: behalve dat ze illustreren zijn ze vormgever, auteur, animator, regisseur, cabaretier, performer, enzovoort.’ (289) Daarmee maakt Saskia De Bodt de geschiedenis van meer dan een eeuw boekillustratie rond. Ze sluit haar boek af met een vooruitblik in een epiloog. Ze vraagt zich af waar het naartoe gaat ‘met het beeld in dienst van het woord’, nu de nieuwe media niet alleen in concurrentie staan met het geïllustreerde boek, maar er ook in binnendringen.  
 
Kijken en lezen
De Bodt illustreert op een heldere manier hoe de tijdgeest en de omstandigheden het illustratiewerk voortbrachten zoals we het kennen. Ze onderzoekt, registreert, interpreteert en legt verbanden. Dat in een persoonlijke vertellende stijl, die de grote stukken tekst vlot verteerbaar maakt. Bovendien is elke bladzijde voorzien van uitgebreid illustratiemateriaal. Tekst en beeld zijn mooi en functioneel verweven in een verzorgde, duidelijke bladspiegel. Je krijgt meteen voor ogen wat er beschreven wordt en het werkt ook andersom: de illustraties en stijlen die vaak naamloos in het publieksgeheugen zitten, krijgen overzichtelijk duiding en context.
Zij schreef dit boek niet alleen, zeven medewerkers schreven mee aan de illustratorenportretten.  De illustratorenportretten beschrijven telkens de carrière van de kunstenaar. In een paar gevallen blijft het portret bij een beschrijving in weliswaar vlot lezende teksten (J.C. Braakensiek, El Pintor, Max Velthuijs). Het merendeel van de portretten zijn boeiendste stukken waarin het werk wordt gekarakteriseerd, waarin kruisverbanden worden gelegd met andere kunstenaars (Marius Bauer, Rie Cramer, Eppo Doeve, Anton Pieck, Hendrik Nicolaas Werkman, Fiep Westendorp, Thé Tjong Khing, Joke van Leeuwen, Ted van Lieshout, Wouter van Reek). De combinatie van een chronologische historische opzet met individuele portretten geeft een grote meerwaarde aan dit boek.  
 
De verbeelders maakt inzichtelijk hoe de individuele carrières in een ruimere historische context functioneerden. De aantrekkelijke teksten treffen de eigenheid van periodes en individuele illustratoren erg goed en laten bovendien een mooie globale lijn zien. Teksten en beelden hebben een mooie samenhang, kruisverwijzingen en bruggetjes verbinden periodes en tendenzen met elkaar tot een rijk geschakeerd totaalbeeld.  
Er is veel aan gedaan om deze illustratiegeschiedenis en het werk van academici toegankelijk te maken en aangenaam om te vertoeven. De illustratie is functioneel maar met veel aandacht voor esthetiek: elk hoofdstuk en de illustratorenportretten openen met een paginagrote illustratie. Het gebruik van die prenten brengt een motiverende spanning in de lectuur. Zo wordt de laatste periode, van de jaren negentig tot 2014 ingeleid door een knusse, nostalgische prent van Karina Schaapman en een uit Deesje van Joke Van Leeuwen.
Dat Van Leeuwen een belangrijke stempel heeft gedrukt, is wel zeker, maar waar situeer je Karina Schaapman? Er wordt ook geen portret aan haar gewijd. Welke plaats hadden dan  nostalgische tafereeltjes als dit in een tijd van vernieuwing? Je gaat bladeren en zoeken, en completeert zo verder het beeld van een periode.
Maar er blijven ook een paar vragen hangen. Dat bijvoorbeeld Phiny Dick als bedenker van Tom Poes en eerste striptekenares geportretteerd wordt, haalt haar verdiend uit de schaduw van haar beroemde man, Marten Toonder. Maar ik vraag me af waarom Toonder zelf, die zo veel illustratoren van vandaag heeft gevormd in zijn studio’s, niet geportretteerd wordt. Is dat omdat hij striptekenaar was en de strip en de graphic novel hier buiten het bestek vallen? Ook valt het op dat in de laatste periode slechts vijf illustratoren een portret krijgen, terwijl dat er in alle vorige tijdvakken tien of meer zijn. Fleur van der Weel, Jan Jutte, Sieb Posthuma… zijn namen van wie ik zo voor de vuist weg een portret had verwacht. Uiteraard wordt dat gestuurd door mijn persoonlijke lectuur terwijl een historicus het globale beeld moet invullen volgens een vooropgesteld consequent concept. Of is er misschien meer tijd nodig opdat de bijdrage van een illustrator aan de geschiedenis zich zou uitkristalliseren? Het zijn vragen die gaandeweg de lectuur opduiken en misschien had een duidelijker omschrijving van begrepen wordt onder de term ‘illustrator’ of een wat uitgebreidere verantwoording van de keuzes, hier kunnen helpen.  
Dat terzijde, want De verbeelders is een bijzonder rijk en mooi boek dat wetenschappelijke nauwkeurigheid en een vlotte aantrekkelijke leesbaarheid laat samengaan. Met een notenapparaat, bibliografie en register.
 
Nijmegen : Vantilt, 2014, 327 p. : ill. ISBN 9789460041877

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri