Vanaf zes jaar

Geert De Kockere, Carll Cneut (ill.): Dulle Griet

door Jen de Groeve

6+ - De met haastige trekken geschilderde plaat, volledig in donkerbruin, die Carll Cneut als voorplat voor dit prentenboek maakte, getuigt van een durf die denk ik een tikje anarchisme verraadt. Draai het boek om en uit het donker breekt in de kleuren van Mars en van vernietigend geweld een ontiegelijk donker verhaal van 's mensen heb- en oorlogszucht los: Pieter Bruegels Dulle Griet. Een laaiende feeks, geharnast en met buit beladen beent met vaste tred naar de wijd openstaande hellepoort, waar de duivels haar opwachten. Of loopt ze eraan voorbij? Verlaat ze misschien de hel? In het tafereel dat achter haar ligt, wemelt het immers ook van demonische gedrochten. De interpretaties van dit schilderij lopen ver uiteen; Bruegel was dan ook meesterlijk meerzinnig in zijn ironische satires en ze zijn doordrongen van (laat-)middeleeuwse symboliek. Zijn werk alludeert op voor zijn tijdgenoten bekende, vaak bespeelde thema's in kunst en literatuur, en neemt er tezelfdertijd ook afstand van. Niets is wat het op het eerste gezicht lijkt, de betekenis van een schijnbaar vertrouwd, herkenbaar beeld wordt met een tegendraads detail vaak omgekeerd. Het was een communicatiespel dat Bruegel met zijn tijdgenoten speelde tegen de achtergrond van conventies en traditiegebonden procédés.
In Dulle Griet van Carll Cneut en Geert De Kockere wordt rond het thema van goed en kwaad eveneens gespeeld met beelden en met betekenissen, een spel van bevestiging en variatie. Het is een cultuurhistorisch spel, met Bruegel, de makers van dit boek en de lezers als spelers. Door dit verhaal op een cultuurhistorisch platform te tillen, mag echter niet de indruk ontstaan dat het alweer om een prentenboek gaat dat zijn oorspronkelijke publiek voorbijschiet en alleen volwassenen aanspreekt -- en enkel die met de juiste culturele bagage dan nog wel. Carll Cneut heeft al vaker bewezen dat hij met prenten die volwassenen te complex vinden, kinderen wel degelijk een verhaal te bieden heeft. En Geert De Kockere brengt het loodzware thema van de strijd tussen goed en kwaad bijzonder zwierig, zelfs met een speelse ritmiek. Het verhaal in woorden gaat als volgt:

Van Greetje en Griet
Dulle Griet was eens een Greetje, echt een lief kind. Tot ze de leeftijd had om stout te worden. En stout worden deed ze, ten voeten uit. Ze wilde alles wat niet mocht, deed weerbarstig toch haar zin, kreeg alleen nog maar "Nee! Nee!! Nee!!!!!" te horen en trok van de weeromstuit nog harder van leer. Ze vloekte en tierde, brulde en sloeg, en niemand wilde nog met haar te maken hebben. Wat haar nog woester maakte. Ze wenst de hele wereld naar de hel, maar de mensen zegden: 'Doe het zelf!' En voor een keer luisterde ze, pakte haar hebben en houden en ging de duivel opzoeken om te kijken of hij haar soms hebben wilde. Ze volgde haar neus en vond de hel vanzelf, baande zich een weg doorheen massa's mensen die elkaar de duvel aandeden, doorheen troepen onaardse wezens, half mens half monster. Tot ze aan de ingang van de hel kwam en luidkeels riep: 'Duivel, hier ben ik! Wil je me hebben?' Maar de duivel antwoordde niet, lokte haar niet, nam haar niet, maar liet haar in haar razende woede begaan. Tot ze zichzelf gaf en zich met haar zwaard door het hart stak.

Vele tinten donker
Carll Cneut vertrekt in zijn illustraties ook van een klein stout meisje. Zelf met de wetten van de zwaartekracht spelend, brengt ze op de eerste prent met een enkel duwtje een enorme buiteling teweeg. Klein als ze is, torent ze toch ver boven alles uit, is ze niet te houden, zijn de strakke gesloten lijnen van de huizen haar te eng. Dat brengt commotie teweeg, en hoe. Terwijl ze haar ondeugden botviert, troept de hele gemeenschap kijvend, vuistenzwaaiend, handenwringend, maar op veilige afstand, om haar heen. "Nee, Greetje, nee". Maar Greet groeit onheilspellend uit, loopt alles en iedereen onder de voet, dringt woest gesticulerend de protesterende mensen van het blad. En plots is ze weg. Naar de hel gestuurd, zegt de tekst. Kinderen spelen, feestelingen komen aanzetten, mensen maken een rondedans, over een feestelijk tafereel zeilt reusachtig een opgeworpen bal.
En met de volgende prent ben je in een heel andere wereld. Vreemd uitgedoste wezens troepen samen rond een vuur waarin een lichaam ligt te braden, een ander lichaam is al vast aan een vork gespietst. Dan een bladzijde rood-oranje gloed waarin nog net een hand verdwijnt. Griet? In elk geval vertellen tekst en illustraties op dit punt een eigen verhaal. De Kockere vertelt van de zinloze tegendraadsheid waarmee Griet, "die niet wilde, maar wolde, die niet gilde, maar golde [...] van kwaad naar erger holde." Terwijl hij verder gaat over hoe ze zich in de duivelse omgeving overal doorheen slaat, zich eigenlijk goed thuis voelt tussen de helse gedrochten, wordt de Griet in de prenten, die net nog buitenproportioneel de bladzijden vulde, opgeslorpt door een menigte van krijsende mombakkes, grijpende handjes en klittende wezens. Ze werkt er zich gaandeweg uit los en bekijkt vanuit de marge, zelfs grotendeels van buiten de prent de monstrueuze vogel- en vismensen. Haar geagiteerde uitdrukking (van boosheid of verwarring?) evolueert naar een gesloten en ietwat wezenloos gezicht dat een mengeling van emoties te raden geeft. Ze aanschouwt taferelen die haar voorstellingsvermogen - en haar eigen boosheid -- te boven gaan. Niet dat ze echt van haar stuk raakt door wat de hel zoal voorspelt, maar woeste Griet doet er toch eventjes het zwijgen toe.
Het is de subtiliteit waarmee Cneut zijn Griet vormgeeft en haar evolutie in het verhaal die haar een opmerkelijke complexiteit geeft. Het heeft bepaald iets teders hoe hij haar niet laat passen tussen de hellemonsters, terwijl er anderzijds ook niets valt af te doen aan haar destructieve geweld. Nu haar boosheid te groot geworden is voor deze wereld, steekt ze aanvankelijk bleekjes af tegen die onaardse wezens, maar ook daar doet ze iets aan; ze laat zich door de dood nog niet tegenhouden om naar de duivel te lopen. En ten slotte is het enkel nog haar figuur die zich aftekent en vervaagt elk monster tegen een zwarte achtergrond. Het is adembenemend om te zien hoe Cneut volledig zijn eigen weg gaat, zijn Griet zelfs opvallend laat afsteken tegen het schilderij van Bruegel en niettemin de essentie van diens werk aanraakt. Met 'Dulle Griet' getuigde Bruegel van een diep pessimistische kijk op de mens. In moderne literaire adaptaties wordt de figuur vaak veel positiever voorgesteld, als een sterke, eigengereide vrouw, gehard door het leven. In dit boek zal het van de individuele lezer afhangen of die Griet als een slachtoffer ziet. Cneut tekent haar niet onverkort als een helleveeg, hij laat je die mogelijkheid dus zeker. Maar het kwaad in de mens toont zich op diverse manieren en het duister kent onvermoede schakeringen. Cneut heeft je met zijn donkere cover niets van het verhaal prijsgegeven, hij heeft je onverbiddelijk met de essentie ervan geconfronteerd.

De nar en de bal
Het ligt uiteraard niet voor de hand om Bruegels monsters, die visuele voorstellingen zijn van de zondigheid in deze wereld, betekenisvol in een kunstwerk van vandaag over te brengen. Het 16e-eeuwse gevoel voor symboliek is niet het onze en de ideeën over goed en kwaad zijn evenzeer tijdsgebonden. Anders dan de tekst, die Griet, verworpen door de gemeenschap, zonder meer het rijk van de demonen laat binnenstappen, heeft de illustrator een breuk in zijn verhaal gebracht, zowel pictoraal als in de actie. Een afweging die het verhaal in menig opzicht rijker maakt. Carll Cneut introduceert daarvoor de nar. Het is een figuur waarbij ik lang ben blijven stilstaan. In Bruegels Dulle Griet komt hij niet voor -- elders in zijn oeuvre wel, maar niet als een markant personage. Maar de nar had in Bruegels tijd wel een belangrijke functie. Hij werd, als belichaming van de menselijke dwaasheid, naar de rand van de maatschappij verdrongen, maar werd wel door eenieder geaccepteerd. In hun 'dwaasheid' konden narren namelijk dingen naar voren brengen die een ingezetene niet kon of durfde en hielden zij de mens een spiegel voor. En kijk, de nar, die aanvankelijk onopvallend in de menigte figureert, blijkt een sleutelrol te gaan spelen in dit verhaal: hij gooit zijn bal op, onttrekt zo wat zich in het centrum van het tafereel afspeelt eventjes aan het zicht. En op de volgende prent verschijnen de eerste gedrochten en begint Griet aan haar tocht naar de hel. Zijn die wezens die twijfelen tussen mens en monster iets wat zich achter de zichtbare, dagdagelijkse werkelijkheid afspeelt? In de hoofden van de mensen? Achter die benauwend gesloten gevels? Zijn dit misschien 's mensen doemgedachten waar Griet wordt ingepast? Was haar boosheid misschien alleen maar zo verpletterend in van angst vertroebelde ogen? De nar maakt zichtbaar wat de goegemeente verborgen houdt. Op de laatste prent van het boek zijn de helletaferelen voorbij. We zijn een fractie opgeschoven in de tijd, de bal is verder gevlogen en de rondedans wordt volledig zichtbaar; in het midden ligt het lichaam van Griet.
Het is pas met deze prent dat een en ander op zijn plaats valt, dat de functie van de nar blijkt en dat de helletaferelen ten volle hun betekenis krijgen. En dat ik mijn interpretatie, waarin ik Cneuts prenten met zoveel plezier aansluiting liet vinden op Bruegels schilderij, meteen weer wil bijstellen. Want een tafereel waar gefeest wordt rond een lijk, doet mij ook denken aan slachtoffers en zondebokken. Waarop dan de vraag rijst wie hier nu eigenlijk wie de duivel aandoet. Maar ook dat sluit aan bij Bruegels tijd. In de 16e eeuw begon de slachtoffering van 'onaangepaste' vrouwen als heks waanzinnige proporties aan te nemen.

Lectuur in meervoud
Brengt Geert De Kockere in zijn tekst een interpretatie van het thema op basis van Bruegels schilderij, dan biedt Carll Cneut je lectuur in meervoud. Hij neemt niet alleen dat ene schilderij, maar de ruimere cultuurhistorische context als uitgangspunt. Waar je zijn taferelen spontaan 'breugeliaans' gaat noemen vanwege de motieven die je denkt te herkennen, vanwege de compositie, de sterk bevolkte taferelen, de vele simultane verhaaltjes die je aandacht verstrooien... dan blijken bij nader toezien de prenten veel minder concrete vergelijkingspunten te vertonen met de inspiratiebron dan je dacht. Breugeliaans ja, maar ook onmiskenbaar van Cneut. Zijn prenten intrigeren, ze roepen associaties, emoties en beelden op, en laten zich niet vastleggen in betekenissen. Je hoeft Bruegel niet te kennen om zinvol de communicatie met dit prentenboek aan te gaan. Cneut spreekt met beelden van vroeger een taal van vandaag. Hij herijkt integer en met vernuft, en met zeer veel zin voor nuance de oude beelden en symboliek volgens zijn persoonlijke waarden en esthetiek. Zijn breugeliaanse wereld is tijdloos, zijn beeldtaal expressief en uitdagend. Dit is een prentenboek dat een leven lang meegaat.

Wielsbeke: De Eenhoorn, 2005, 28 p., ill. ISBN 9058382907.

Oorspronkelijk verschenen in De Leeswelp 2005  

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri