Beschouwingen

BOEKEN NR. 2, SEPTEMBER 2015

Cedric Van Dijck: Wat we achter laten

door Cedric Van Dijck

Sommige geschiedenissen scheren rakelings langs het nog vloeibare oppervlak, ze trekken hoogstens een lichtspoor aan de hemel, maar het meeste komt en gaat ongezien, en verpulvert geruisloos. Er is zoveel wat nooit vergeten raakt, omdat niemand het ooit geweten zal hebben dat het heeft bestaan.
Dan heeft het geen belang, kind. Als we niet weten wat we niet weten bestaat het niet.

Uit: Erwin Mortier, Godenslaap

De Britse gesneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog zijn nooit thuisgekomen. Franse doden werden in groten getale naar hun geboortestreek teruggebracht, maar de levenloze lichamen van de Britten bleven achter. Hun regering had besloten haar soldaten te begraven langs de slagvelden van Vlaanderen en Frankrijk. Het kon niet zijn, zo vond men destijds, dat één gesneuvelde naar zijn geboortedorp terugkeerde, terwijl het lichaam van zijn broer ongeïdentificeerd in het Niemandsland achterbleef. In de nacht van 7 november 1920 werd echter één anoniem slachtoffer opgegraven en onder Franse aarde en Waalse klei opnieuw geïnterneerd in Westminster Abbey. Hij is de Onbekende Soldaat, iedereen en niemand tegelijk, en zijn thuiskomst biedt een tegenwicht voor de miljoenen anderen die zijn opgegaan in de boerengrond waarop wij nu wonen. ‘Moest al wie hier ligt nu rechtstaan, hij zou bewegen, de grond.’ Zo spreekt Helene in Erwin Mortiers Godenslaap voor zich uit, ‘gelijk een sprei op een bed vol spelende kinders.’ Maar opstaan doen de soldaten niet. Het enige dat overbleef in Groot Brittannië, een land zonder lijken, is wat de legerleiding in de chaos van oorlog de moeite vond om naar weduwen of familieleden terug te sturen: dagboeken, brieven, een bijbel door een soldaat geannoteerd met persoonlijke herinneringen en bedenkingen over God en vergankelijkheid, voor hij zelf ophield te bestaan. Net omdat het aan een tastbaar graf ontbrak, werden deze kleine bezittingen dierbaar gekoesterd.

Er is een tweede anekdote waarin de Britten opnieuw de hoofdrol spelen. Op het eerste perron van Paddington Station in Londen staat een bronzen standbeeld van een in een sjaal gewikkeld soldaat die een brief leest. Hij staat symbool voor de gesneuvelde mannen en vrouwen van een spoorwegenbedrijf. De initiële bedoeling was om zijn beeld op het perron tussen de reizigers te plaatsen, als een dode onder de levenden. Maar de wonde was nog te vers, zijn aanwezigheid te pijnlijk. Dus werd de soldaat op een voetstuk geplaatst en, zoals het een monument past, letterlijk opgeheven uit het dagdagelijkse leven. Nu, na honderd jaar en op hetzelfde perron waar de treinen naar het front vertrokken, tarten de Londense pendelaars de principes van de tijd en schrijven de lezende bronzen man een brief. ‘Beste Soldaat, ik kijk naar jou en ik zie het brons niet meer — ik zie brieven,’ zo schrijft één van hen. ‘Ik wou dat onze woorden jou konden helen.’

De onbekende soldaat. De afwezige doden. Het weggestoken standbeeld. In feite weten we maar weinig over de reële ervaringen die de Grote Oorlog maakten tot wat hij was. Wanneer de laatste getuige zal sterven — de laatste veteraan stierf al in 2009 — verdwijnt onze gedeelde herinnering. Dan wordt de oorlog definitief geschiedenis. Wat overblijft, is tekst. Hoe we lezen, hoe we interpreteren, postuleren en het verleden reconstrueren, is nu van fundamenteel belang. In Paddington Station leggen toevallige voorbijgangers de lezende soldaat woorden in de mond en, waarom niet, dichten hem een heldhaftige dood toe. Die vorm van mediatie wordt vaak over het hoofd gezien. Wij zijn buitenstaanders die proberen betekenis te geven aan de Eerste Wereldoorlog. Het is simpel genoeg: wij waren er zelf niet bij. En met wij bedoel ik dus ik, of de historicus, de lezer, de burger aan het thuisfront, de journalist, zelfs de veteraan die jaren na de oorlog zijn herinneringen opschrijft. Ze zijn te ver van de loopgraven verwijderd, ofwel in tijd, ofwel in ruimte. Robert Graves en Erich Maria Remarque schreven hun veel gelezen oorlogsmemoires pas neer in 1929, elf jaar na de wapenstilstand, terwijl het werk van Vera Brittain nog langer op zich liet wachten. Tijd vervormt de dingen.

Laat de soldaat zelf aan het woord. Neem hem van zijn sokkel en plaats hem tussen de reizigers op het perron van Paddington Station. Loop hem niet voorbij wanneer hij de brief in zijn handen voorleest, want die brief blijkt ons meest directe contact met de traumatische ervaringen uit de Eerste Wereldoorlog. Hij staat toe de ontologische lacune die Santanu Das omschrijft, het onmogelijke hiaat tussen de belevenis van de oorlog en onze kennis ervan, haast te overbruggen. In wat soldaten neerschreven nadat ze zich ingegraven hadden in het Niemandsland — postkaarten, brieven, dagboeken, frontkranten, notities in de marges van een boek — is de belevenis acuut en de pijn nog vers. Zulke teksten worden ephemeral literature genoemd, een literatuur die incidenteel is en die niet geschreven werd met het doel gelezen te worden. Postkaarten of dagboeken worden in principe niet gepubliceerd, maar bewaard door familieleden omdat ze een tastbare herinnering vormen. Het is een literatuur zonder pretenties: onmiddellijk neergeschreven en hoogstens een keer doorlezen, maar niet stilistisch opgemaakt, noch later herwerkt. Deze bronnen uit de loopgraven blijven trouw aan een specifiek historisch moment. Aan het papier kleeft als het ware nog het zand van de Ieperse polder. Wat we hier te lezen krijgen, in de brieven, dagboeken en magazines van het front,is literatuur in haar ruwste vorm. Onopzettelijk achtergebleven en niet voor onze ogen bedoeld. Maar hier zijn deze teksten nu, in onze handen, en die toevalligheid draagt bij aan hun waarde:

9 maart 1916

Mijn lieve Berthe,
Vandaag valt er sneeuw en het is niet warm. Maar ondanks dat alles daveren de kanonnen van alle kanten. Ik denk dat de grote veldslag gaat beginnen. We moeten hopen dat we de overhand zullen hebben en dat weldra die hele slachtpartij beëindigd zal zijn, want, echt, we hebben er genoeg van om in de loopgraven te liggen als vossen in hun hol en ons uniform is doorweekt. Het druppelt heel de nacht op je neus. Iedere morgen bibberen we. Maar ja, dat alles zal voorbijgaan. We moeten het hopen, maar in afwachting daarvan omhels ik je heel veel keer en heel stevig. Hij die van je houdt en die de jouwe is.

We luisteren mee naar een conversatie die niet voor onze oren is bestemd. De gedachten van de soldaat, dusdanig intiem dat hij ze alleen Berthe toevertrouwt, schetsen enkel een fragmentarisch, vluchtig beeld, maar zo is het misschien wel het meest gepast. Er is geen zin voor totaliteit in een gebroken wereld. De onvolledige verhalen die wij nu opgraven uit het verleden geven daar blijk van. In zijn korte brief, een van de acht miljoen die in 1916 wekelijks van en naar het front gestuurd werden, vertelt de soldaat Berthe over het oorlogsleven en zijn pijn is haast voelbaar. De studie van het verleden beperkt zich vaak tot uitzonderlijke momenten — de Franse revolutie, de Slag bij Gallipoli, de moord op de bisschop van Canterbury —, terwijl het dagelijkse leven net de context van normaliteit vormt waarin deze historische veranderingen broeden en plaatsvinden. Hier wordt kort verwezen naar de daverende kannonen van de slag om Verdun, een moment voor de geschiedenisboeken, maar we hebben dergelijke verwijzingen niet nodig om te begrijpen waar we ons bevinden: diep in een loopgraaf als een vossenhol, waar het regenwater gedurende de nacht met regelmaat op de neus van een soldaat drupt.

Aandacht voor bescheiden, zelfs poëtische beelden, voor lege momenten, vinden we niet snel in geschiedenisboeken. Toch grijpen zo’n scènes — niet het bloedvergieten op het slachtveld, maar de kou, de eenzaamheid en het gemis — naar iets van de essentie van die kleine pijnen van het dagelijkse leven in de loopgraven, die, zoals Jay Winter suggereert, beter verteld worden door dichters dan historici. Incidentele literatuur, bij gebrek aan een betere benaming, biedt de meest authentieke blik op hoe de oorlog op lokaal en persoonlijk niveau geleefd werd, een leefwereld van één loopgraaf die driehonderd meter naar het noorden en weer driehonderd meter naar het zuiden uitwijdt. Zo’n bieven lezen is met precisie kijken naar de realiteit van het verleden. Ze bieden een geschiedenis op mensenmaat. ‘Terwijl we lezen, als lezen er het goede woord voor is,’ schrijft Virginia Woolf over de dagboeken van James Woodforde, ‘lijken we te luisteren naar iemand die de gebeurtenissen van de dag namompelt in het stille moment dat aan slaap voorafgaat.’

Maar de tijd is meedogenloos. ‘Dat alles zal voorbijgaan’, heet het in zijn brief. Meer weten we niet over de Franse soldaat, noch over zijn Berthe. Het diepe besef van de bijna brutale weergaloosheid van de tijd verleent aan zijn woorden een intensiteit die de huidige lezer het nakijken geeft. Terwijl de soldaat bibberend opstaat uit zijn vossenhol en zich in de loopgraven begeeft, lossen zijn omtrekken op in de winterzon. Doet zijn brief er dan nog wel toe? Zonder meer. Het epistemologische debat dat wij voeren met de geschiedenis — over kennis en toegang tot het verleden — voert de geschiedenis, gepast genoeg, met zichzelf. Hoe kan men, ook reeds in 1916, met autoriteit schrijven over een ervaring aan het front als men er zelf niet bij is? De Franse soldaat pende zijn brief, die nu toevallig in de volgende eeuw beland is, ter plekke neer, terwijl het trauma van de oorlog zich nog aan het ontplooien was. Door zijn pijn heeft hij het alleenrecht verworven om over zijn wonden te spreken. Zoals Walt Whitman schreef, eigenlijk: ‘I am the man, I suffered, I was there.’

Soldaten in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog zouden van de eenentwintigste-eeuwse historici verwachten dat ze de reconstructie van het conflict bij hun achtergelaten schrijfsels beginnen. Ze verweten de journalisten, legerleiders, politici en geschiedschrijvers — met andere woorden, de dirigenten van het officiële discours en de publieke opinie — een te idealistische kijk op de gebeurtenissen en namen hen tevens hun taalgebruik kwalijk, dat diep symbolisch was en niet langer strookte met de realiteit. Tot 1916 werd aan journalisten bij wet toegang tot het Britse front geweigerd, maar vanaf de Slag bij de Somme maakte het War Office in Londen een uitzondering voor vijf oorlogscorrespondenten. Met sporadische bezoeken aan een loopgraaf in een rustig gebied slaagden ze er als vanzelfsprekend niet in de essentie van het leven aan het front te vatten. Op de eerste morgen van de Slag bij de Somme, tussen half 8 en 11 uur, vielen ongeveer 60.000 Britse slachtoffers, van wie een derde zou sterven, ofwel onmiddellijk, ofwel later in een veldhospitaal. Het Britse leger werd nog nooit zo zwaar getroffen, en de eerste dag van die veldslag bleek uiteindelijk het bloedigste moment uit de hele oorlog. Maar volgens de Times van de daaropvolgende maandagmorgen was het offensief een succes en verkeerde het Britse leger ‘in good spirits.’ Precies zo'n verslagen in wat de meest vooraanstaande krant van het land zou zijn, leidden ertoe dat de soldaten zich afzetten van de civiele bevolking. De radicaalste stemmen zochten in verbeelding zelfs toenadering tot de Duitse of Oostenrijk-Hongaarse troepen aan de andere kant van de frontlinie. Zij waren het meest nabij, hadden zich enkele honderden meters verderop ingegraven en hun stemmen konden op een zomeravond al eens lachend gehoord worden, of weerklonken in de nacht na een aanval jammerend uit het Niemandsland. Ze waren ingewijd in oorlog, begrepen de pijn die daarmee gepaard ging, het gemis, de kou en de zinloosheid.
In het voorwoord van Le Feu, een van de weinige memoires die onmiddellijk geschreven werd toen de auteur gewond raakte in 1916, spreekt Henri Barbusse de poilu’s uit het Franse leger toe:

Jullie hebben in mijn boek jullie ontberingen en lijden gevonden, jullie vonden erin de Grote Oorlog zoals jullie die vochten […] Jullie zijn gerechtvaardigd nu we niets van de pijn die jullie gedragen hebben voor de wereld verborgen houden. Twijfelachtige journalisten hebben durven schrijven dat jullie net voorgelogen moeten worden om beter geleid te zijn, dat lezers aan het thuisfront hun gezichten bedekken en hun oren toeknijpen wanneer je hen alles laat zien wat de mens bereid is te ondergaan om het idee van rechtvaardigheid te redden […] Jullie kennen mij. Ik weet dat enkel de waarheid jullie waardig is.

Barbusse is een van hen. Hij draagt de oorlog zelf in zijn lijf. Hij begrijpt wat de soldaat denkt en doet, hoe hij de oorlog beleeft, hoe hij eet, zich kleedt, spreekt — hij begrijpt hoe de soldaat kijkt naar de wereld en er betekenis aan verleent. Ook de taal, zo stelt Barbusse vast, blijft gebroken achter. De loodzware eufemismen en de nette, abstracte woorden die de politici en journalisten met weinig moeite bovenhalen — ‘het idee van rechtvaardigheid,’ maar ook ‘moed’, ‘glorie’, ‘dapperheid’, ‘vaderland’ en ‘plicht’ — hebben hun referentie aan de werkelijkheid verloren. De homo desperatus uit de loopgraven heeft het alleenrecht om over zijn wonden te spreken en realiseert zich dat dit enkel kan in een taal die evenzeer gewond is, gebroken door het zinloze en eindeloze geweld dat men aan het thuisfront met holle woorden tracht te rechtvaardigen. ‘Het is bijzonder moeilijk ook maar iets aan jou te beschrijven, je te doen begrijpen hoe het hier eigenlijk is,’ schrijft de Britse avant-garde filosoof T.E. Hulme in zijn oorlogsdagboek.

Niet dat het hier zo anders is, en dat dat te moeilijk is te beschrijven, want dat is de reden niet. Of misschien toch op een eigenaardige manier. Als ik een vermoeiende dag in de loopgraven aan jou beschrijf en de afmattende tocht door de nacht naar een boerderij, in het donker, dan heb je het onmiddellijk fout, want wanneer ik het woord boerderij gebruik, heb je een conventioneel beeld van een boerderij in je hoofd, maar zo is het helemaal niet.  

Het trauma van de oorlog is in de taal gekropen. Opnieuw beginnen, schoon schip maken: zowel met de taal als in het leven. De gekwetste man mijdt de grote woorden die hem de oorlog inlokten en spreekt met eenvoud. Het is niet dat hij geen hoop kent. Kwetsbare menselijkheid en tastbare realiteit — ‘hij die van je houdt en die de jouwe is’ — vinden we terug in de brieven en dagboeken van het front en ze vervangen de holle abstracties en statistieken van het officiële oorlogsdiscours. ‘Mijn lieve Auguste,’ schrijft Berthe haar Franse soldaat terug, ‘Gisteren heb ik je een heel korte brief geschreven. Het was een beetje om je te plagen.’

Uit dingen die toevallig achtergebleven zijn, leren we het meest. Hun ruwe vorm, doordrongen van schrijffouten en woede en gesteld in een taal op losse schroeven, toont ons de oorlog van binnenuit. We zijn als toevallige lezer getuige van de archetypische ervaringen van de gekwetste man in de loopgraven, van de wonden die de oorlog als frontlijnen door het landschap krast, maar ook van de kleine intimiteiten en de triviale details van het dagelijkse leven aan het front. We kunnen hem bijna voelen ademen in onze nek, de Franse soldaat die liggend in zijn vossenhol een brief aan zijn geliefde schrijft. Waarom zouden we zijn oude pijn willen herinneren? Dat is een moeilijke vraag. Deze persoonlijke geschiedenissen van de Eerste Wereldoorlog zijn fragiel en de tijd is meedogenloos. Laten we deze teksten voor wat ze zijn, dan verbrokkelen de nu al fragmentarische verhalen tot ze volledig verdwijnen. Dan is onze wereld weer wat blinder. Dan zal het zijn alsof hij er niet was, die kleine man in die grote oorlog. Als we niet weten wat we niet weten bestaat het niet.  

Bronnen
Mortier, Erwin. Godenslaap. De Bezige Bij, 2011.
Graves, Robert. Goodbye to All That. Penguin, 2000.
Remarque, Erich Maria. Im Westen Nichts Neues. Kiepenheuer und Witsch, 2002.
Brittain, Vera. Testament of Youth: an Autobiographical Study of the Years 1900-1925. Gollancz, 1933.
Das, S. Touch and Intimacy in First World War Literature. Cambridge University Press, 2005. <br /> Zie Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog: http://www.ssew.nl/nl/brief-1916-03-09-auguste-berthe
Winter, Jay. Sites of Memory, Sites of Mourning. Cambridge University Press, 1995.
Woolf’s essay over dagboeken, ‘Life Itself,’ werd op 27 augustus 1927 in The New Republic gepubliceerd:
http://www.newrepublic.com/book/review/life-itself
Whitman, Walt. ‘Song of Myself’ in Leaves of Grass. Great Seal Books, 1961.
Geciteerd in Winter, Jay. Sites of Memory, Sites of Mourning. Cambridge Univ. Press, 1995.
Hulme, T.E. Further Speculations. Ed. by Sam Hynes. University of Minnesota Press, 1955.
Fotoverantwoording
Georges Scott, ‘Deux Héros’, aquarel, 29.01.1916, verz. A Langley 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri