Poëzie

BOEKEN NR. 3, OKTOBER 2015

Wouter Godijn: De professor en de hyena

door Yvan De Maesschalck

Het relaas van een ‘langzame nederlaag’
 
Ik kan me moeilijk van de indruk ontdoen dat Wouter Godijn (1955) beneden de Moerdijk nauwelijks enige bekendheid geniet. De opmerkelijkste Vlaamse beschouwingen over zijn werk verschenen in Poëziekrant (onder meer in 2008/2) en in Ons Erfdeel (2011/2), overigens beide van de hand van Erik Lindner, niet toevallig een Nederlands dichter en criticus. Globaal genomen mag Godijn evenwel niet klagen over gebrek aan belangstelling. Zo werd zijn tweede bundel Langzame nederlaag (2002) gelauwerd met de Poëzieclubprijs, werd zijn derde bundel De karpers en de krab (2003) genomineerd voor de VSB Poëzieprijs, kreeg hij voor Hoe H.H. de wereld redde (2012) de Jan Campert-prijs en kwam zijn roman Hoe ik een beroemde Nederlander werd (2013) op de longlist van de AKO-Literatuurprijs te staan.
 
Godijn heeft sinds zijn poëziedebuut Alle kinderen zijn van glas (2000) een opmerkelijke evolutie doorgemaakt. Toch zijn in de eerste bundel de kiemen van zijn later dichterschap duidelijk aanwezig: het verlangen van de ik-figuur naar helderheid en licht, een voorkeur voor het ongerijmde of paradoxale, het besef van eigen nietigheid en een onmiskenbare hang naar poëticale bespiegeling. In het latere werk worden deze motieven uitgediept of aangescherpt, al moet eraan worden toegevoegd dat de toon in bundels als Kamermuziek of de weg naar de onverschilligheid (2005) en Hoe H.H. de wereld redde gaandeweg navranter wordt. Het oeuvre van Godijn, waar intussen vier romans deel van uitmaken, lijkt in menig opzicht te kunnen worden gelezen als het relaas van een ‘langzame nederlaag’. De ondraaglijke kwetsbaarheid van de ik-figuur waarvan de eerste bundels getuigen wordt gaandeweg ingeruild voor onversneden sarcasme en ‘een spoor van punaises’, dat niemand – ook de lezer niet – ongeschoeid wil volgen.
 
Ook de onlangs gepubliceerde bundel De professor en de hyena (2015) is van het stekelige soort. Hij bestaat uit drie afdelingen en zou met enige goede wil als een triptiek/drieluik kunnen worden beschouwd. In de reeks ‘hyena’ verkent de ik-figuur zijn ‘kennis aangaande de ware aard van de schepping’, waarin hij vertwijfeld op zoek gaat naar ‘H’s martelmachine, álles / wat naar men zegt het bestaan betekenisloos maakt’. Het twaalfdelige middenluik ‘Dat ik nog steeds niet geloof...’ oogt als de brokkelige evocatie van een dagdroom, waarbij het de lezer gegund wordt ‘een blik over de rand van het koninkrijk gods te werpen’. In de achttiendelige derde reeks ‘de professor’ tracht een infantiliserende/dementerende professor door te dringen in de vele ongerijmdheden van het ondermaanse en laat hij zich onder meer verlokken door de gedachte dat ‘de Schepper van Hemel en aarde [...] Zijn eigen kwaadaardigheid’ erkent, zodat de professor weemoedig terugdenkt aan de tijd ‘waarin alle speelgoeddieren écht levend waren’ vóór de schepping zich nog moest voltrekken. Een aanstekelijke gedachte waarin verschuivingen en vrijmoedige veronderstellingen elkaar versterken.
 
De slotverzen van de bundel verwijzen nadrukkelijk naar het openingsgedicht en maken duidelijk dat de bundel – onder meer – een cirkelvormig traject beschrijft. Alle eerder opgevoerde gestalten of persona’s/maskers – de ik-figuur, de dichter, de professor, de hyena, de gazelle en de lezer – blijken in de dromerige voorstellingswereld van de dichter in elkaar over te vloeien of toch in hoge mate inwisselbaar te zijn. De bijl waarmee de ik-figuur zichzelf te lijf wil gaan in de openingsverzen (‘Zet de bijl aan mijn hart, nou nee, liever / aan mijn lever, knipoog / – ons kent ons – en druk / op het blad’) blijkt na een volle bundel dagmerries en hallucinaties volkomen nutteloos. Hoewel de bundel in zijn geheel op te vatten is als de grillige vertaling van een veelkantige, diffuse angstdroom, besluit hij toch enigszins hoopvol en profetisch als volgt:
 
De dichter die eigenlijk de professor die eigenlijk de hyena is
heeft een droom (is het wel een droom?)
doorlooptdoorsukkelt steppeachtig land (uren druilen eindeloos traag voorbij),
gewapend
met een bijl, nou ja in ieder geval iets hakkerigs ziet hij
onder wat struikgetakte de hyena, vast in slaap
enkt hij: eindelijk, nu! nu! nu! zal ik hem!
maar dan, nederbijsluipend,
ziet de professor dat de hyena de gazelle is
dat hij zelf de gazelle is
en de hyena
en de dichter en de lezer, dat zij allen slechts maskers zijn
en dan, vlak voor hij wakker schiet, beseft hij:
de maskers zullen vallen.
 
In De professor en de hyena onderneemt Godijn een poging om de ‘logische tegenstrijdigheden’ van het aardse bestaan te ontraadselen en prikkelende alternatieven aan te reiken. Die worden doorgaans hooguit aangeprikt en zelden ten einde gedacht. Uitgerekend die halfslachtigheid en de soms irriterende springerigheid van de weinig geruststellende beelden die rondtollen in het hoofd van de professor of zijn woordvoerder staan borg voor de lyrische meerwaarde van deze gedichten. Een logische tegenstrijdigheid waar de lezer mee moet leven is het geprononceerde onderscheid tussen het lyrische subject en de dichter. Waarom dat zo is? ‘Omdat ik / ik ben en niemand anders’, een stellige gedachte die in het typografisch als een tand vormgegeven gedicht ‘Tand in bloei’ als volgt wordt uitgedrukt:
 
elke regel die ik schrijft
wil steeds maar zijn tand
van dit of dat scheurverliefd dier (die daar
die wegsnelt en schaduw doet tussen stamstamstammen
of die daar
die op je afkomt, al los van de aarde, en opengaat
als een zwangere vrouw) maar mag niet, moet zijn
een witte boon.
 
Over bovenstaande regels valt een half essay te schrijven of toch een handvol vragen te stellen. Beschouwt de geïmpliceerde verteller van dit gedicht de ik-figuur als een afgesplitste gestalte (‘ik schrijft’ en niet ‘ik schrijf’)? Kijkt de lezer samen met de verteller een of ander ‘scheurverliefd dier’ in de bek en zou dat dier de hyena of gazelle kunnen zijn die her en der door het struikgewas van deze poëzie struint? Is de dichter helemaal het noorden kwijt en raaskalt hij poëzie bijeen die geen poëzie mag heten, zoals ‘ontbladerende populieren / zingzangen hun lied dat geen lied is maar wel lijkt hemel / in hemel in hemel’ (uit hetzelfde gedicht). Of is dit uitgerekend het beeld van een dichter die de rationele logica heeft ingeruild voor die van een onbewust gestuurde utopie? In ieder geval zijn de door hem hier neergevlijde regels even ontregelend/ontregeld als ‘de droom’ waarnaar hij herhaaldelijk verwijst.
 
Het nachtmerrieachtige karakter van menig gedicht verleent Godijns poëzie een magisch-realistische toets, niet in de trant van Gabriel García Márquez of Isabel Allende, maar in veeleer groteske trant zoals men die aantreft in William Shakespeares A Midsummer Night’s Dream. Hoewel Godijns gedichten in formeel opzicht aan die van Tonnus Oosterhoff en zelfs aan die van Paul van Ostaijen of Guillaume Apollinaire doen denken, vallen ze in thematisch opzicht ook op door de vele onderhuidse autobiografische knipogen, die tegelijk intertekstueel van aard zijn. Een krachtig voorbeeld is het gedicht ‘Levensvlam’, waarin niet alleen een loopje wordt genomen met de contemporaine Nederlandse poëzie, maar ook de gezondheidstoestand van Gobijn als MS-patiënt in het geding wordt gebracht. Je zou dit gedicht een vorm van genadeloos of hard realisme kunnen noemen, maar dan wel in het besef dat dit realisme schrijnend contrasteert met het zweverige surrealisme dat in de meeste van zijn geschriften de toon aangeeft. Bovendien sporen de verwijzingen naar de zelfmoordpoging van de voorwaarts ‘kreupelende’ patiënt niet onaardig met de heikele situatie waarin de ik-verteller verzeild raakt in de roman Mijn ontmoeting met God en andere avonturen (2010).
 
LEVENSVLAM

Aan de horizon nee! nee! nee!
niets – helemaal niets. Dichter
bij een ekster druk-druk als altijd struikgewas in
en d’r weer uit, waar zijn verdomme
die verrukkelijke vogeltjes? Dan verrijst
telraam, zo groot als een torenflat
behangen met de fine fleur
der Nederlandse poëzie: hoor hoe het er uitgelaten op los schaffert, wijnbergt,
bruinjaat
en daarbovenuit stem, streng, sprekershoofd verborgen
achter de wolken, donderpreekt:
wil jij wel eens heel gauw alles optellen en aftrekken!
Maar ikke nie wille ikke nie kunne
In de leegte (een bijna schoongelikte honingpot
waarin één angstaanjagend mager verjaardagskaarsje
zich hysterisch flakkerend staande houdt) op zoek zijn
o altijd maar op zoek zijn naar een grote, vriendelijke
vanbinnen zeer, bijna oneindig uitgestrekte reuzin
waarin iedereen ja jij ook wat gulheid
zich mag verstoppen zo lang als –
Zit ik net lekker in
bedenk ik dat ik het ‘doe het zelf’-zelfmoordpakket
onbeheerd in de huiskamer bij dochter heb achtergelaten
ik geloof niet lezer, dat je je kunt voorstellen
hoe snel een bijna zestigjarige MS-patiënt
zichzelf trap af huiskamer in voorwaarts! voorwaarts! kan kreupelen
om nog net op tijd
alles weg te grissen.

Bovenstaand gedicht biedt een staalkaart van de motieven en tics waarin de dichter graag grossiert: afgebroken of onderbroken redeneringen, nieuwvormingen, nadrukkelijk herhaalde uitroepen, tussen haakjes geplaatste gedachtesprongen, de rechtstreeks aangesproken lezer, een reuzenfiguur als wijkplaats, een (over)dosis zelfspot of cynisme, de parodiëring of trivialisering van de ontluisterende dingen des levens (zoals de zelfmoorddrang van ‘een bijna zestigjarige MS-patiënt’).
Een ander voorbeeld is de verwijzing naar het fascisme en het politieke gedachtegoed van ‘de voormalige Fortuynstemmers’ in het gedicht ‘Hoe de professor in één dag groeit en krimpt’. Beide gegevens vormen in zekere zin de thematische kern van de roman Hoe ik een beroemde Nederlander werd (2013), waarbij het moeilijk is de aldaar opgeroepen politicus Vaandels, die de ik-figuur op een langdurig gastbezoek trakteert, niet met Pim Fortuyn te vereenzelvigen. Het hiervoor aangehaalde gedicht begint als volgt:
 
De professor denkt na... Orwell on the future of fascism...
zou het pak aanhebben… zei hij ook maar weer… ach, geheugen…
kunnen we niet zonder
utopie... De toekomst zal u brengen
mooiere huizen, mooiere vrouwen, slimmere kinderen
allerlei vleesgeworden schakeringen in kwaadaardigheid
zullen niet langer met uw bulletjes uw huis uit joggen
terwijl u de pasgelegde vloer ligt onder te bloeden met dichtgetapet bekje.
Al sprekend rolstoelt de prof tussen de voormalige Fortuynstemmers
die tegenwoordig stemmen op u weet wel wie (zou verrukkelijk zijn als ze hem,
mij bedoel ik, néé, de professor uit deze gedichten bedoel ik, op handen droegen!).
‘Ik ben zéééééér vereerd geleerd:
na lang en diep nadenken heb ik hier, voor u,
een nieuwe Hemel!’
 
Wouter Godijn is een geëngageerd en getalenteerd schrijver die de vele tegenstrijdige vormen waarin het leven zich aan hem voordoet op een eigenzinnige manier bevraagt. Tot die vormen van leven behoren ook de gedichten die hij tijdens het schrijven van commentaar voorziet of waarvan hij het wordingsproces mee opneemt in de hier gepubliceerde versie. Dat levert vaak merkwaardige metapoëticale bedenkingen als de volgende op:  
 
‘het is – en nu glijdt rijm als een klodder slijm
naar de volgende, kaalblote, oetlullige woordjes
die als verregende schapen staan te wachten
tot ze op papier mogen: met je gedááááááán.’
 
Hoezeer Godijn daarbij ook de nodige zelfrelativering aan de dag legt, zijn verzen ontkomen bijwijlen niet aan een zekere pseudodiepzinnigheid waar poëzie meestal niet beter van wordt. De volgende in het hoofd van de professor malende vragen zijn daar mijn inziens een fraai voorbeeld van:  
 
‘Hoe kan ik denken
dat het zijn niet inkrimpbaar is, dat er niet één Waarheid –  
 
maar, integendeel, méér Waarheden zijn,
niet samenhangend, maar strijdig
en tegelijk: één God, tot in alle eeuwigheid’ [...]
 
Hoewel het natuurlijk een heel terechte vraag-zonder-vraagteken is, betwijfel ik sterk of ze een of ander lyrisch effect sorteert. Maar op die bedenking na zou ik niet aarzelen Wouter Godijns nieuwe bundel aan te bevelen en daarbij te hopen dat ook zijn overige werk, behalve in het hoge Noorden, ook in Vlaanderen mag worden gelezen en geapprecieerd.
 
Amsterdam : Atlas Contact, 2015, 60 p. ISBN 9789025444884

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2018

Het genootschap van onvrijwillige dromers

José Eduardo Agualusa

Ik wordt

Harry Vaandrager

niets=iets

Wouter Godijn

Pachinko

Min Jin Lee

Terug naar Reims

Didier Eribon

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2018

De muis en de muur

Britta Teckentrup

Ei! Ei!

Harriët van Reek en Geerten Ten Bosch

Het wonderlijke verhaal van Angelino Brown

David Almond

Liebermann. De zee van meneer Max

Koos Meinderts, Annette Fienieg (ill.)

Veertien

Tamara Bach

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri