Vanaf zes jaar

JEUGDBOEKEN NR. 3, OKTOBER 2015

Edward van de Vendel en M. van der Linden: Stem op de okapi

door Frauke Pauwels

Wat de dieren ons leren

8+ - Het is gedurfd: een heel boek wijden aan één schijnbaar betekenisloos dier, en zin voor zin de tijd nemen om dat dier ‘van zijn tong tot zijn staartje’ te verkennen. Je zou Edward van de Vendel er op het eerste gezicht van kunnen betichten mee te willen surfen op het succes van dierenportretten, zo sterk beheerst door bijvoorbeeld Bibi Dumon Tak, maar dan ga je voorbij aan zijn kunde en onmiskenbaar enthousiasme voor het onderwerp. Van de Vendel was al een veelzijdig auteur en slaagt er met Stem op de okapi - opnieuw – in zijn oeuvre overtuigend en met veel métier te verbreden. Ook in de reeks rond Sofie ging hij aan de slag met feitelijke informatie rond dieren als pinguïns, ijsberen en dolfijnen, maar het amalgaam van fictieve en non-fictieve genres dat hij daarin op luchtige toon bijeenbrengt is niet te vergelijken met het eerder poëtische Stem op de okapi.

Martijn van der Linden, die opvallend vaak dieren neerzet in zijn illustratief werk en recent bekroond werd met de prijs van de kinderjury op de Biënnale van Bratislava, kleurt met zijn warme illustraties het okapi-universum helemaal in. In de verschillende hoofdstukken wordt duidelijk hoe breed zijn palet kan gaan: van warm realistische portretten in het eerste deel tot cartooneske schetsen bij de geschiedenis en interviews, potloodtekeningen als kader voor het denkbeeldige museum of grafische en uitgepuurde vormen elders. In deel twee ‘waarin we je de okapi in andere verf laten zien’ krijgt Van der Linden volop de kans om de diversiteit van zijn illustratiekunst uit te spelen. Een pluim dus ook voor de uitgever: een boek deze ruimte geven is niet meer vanzelfsprekend in deze tijden, waarin (ook) de boekensector sterk onderhevig is aan de beperkingen van de markt. Dat in Stem op de okapi bladzijdenlang plaats wordt gemaakt voor illustraties die tonen hoe verschillend de okapi in beeld kan worden gebracht – ook door andere illustratoren, is zonder meer geweldig.

Geduldig kijken
Stem op de okapi neemt de tijd om de okapi vanuit verschillende hoeken te belichten, en getuigt van gedegen research. Niet alleen het uiterlijk en gedrag wordt getypeerd, ook de verrassend recente ontdekking van de okapi en zijn opname in onze dierentuinen wordt uitvoerig beschreven. Aansluitend is er, in interviewvorm, aandacht voor het beheer en behoud van diersoorten, in dit geval dus de okapi, de geboorte en de verzorging ervan.
 
Mooi is dat Van de Vendel en Van der Linden een wetenschappelijke en artistieke benadering combineren. Dat doen ze niet alleen met een paar ‘okapi-liedjes’ (wat mij betreft het zwakste deel van de bundel) en met een fictief museum ‘waarin we je de mooiste okapi-schilderijen laten zien’, maar ook door de zoektocht naar geschikte beelden voor wat verteld moet worden: zo dragen okapi’s ‘spierwitte zonnestralen op hun achterste’ en hebben sommige okapi’s witte spatten op hun knieën ‘alsof hun kousen versleten zijn. Alsof er een gat in gevallen is’.

Die verteltoon en de combinatie van feitelijke informatie met sterke beeldspraak en vergelijkingen deelt Van de Vendel met zijn collega-auteurs. Vele van de gehanteerde technieken zijn intussen immers gemeengoed geworden in de ‘literaire non-fictie’, en hebben er hun effectiviteit en poëtische kracht ruimschoots bewezen. Zo spreekt hij de lezer rechtstreeks aan, wat soms letterlijk leidt tot fictieve dialogen – ‘Nu denk je: waaahaaaa. Wat een dier waaahaaaaa! Je denkt: het lijkt wel een aan elkaar geplakt dier. Beetje hert. Beetje paard. Beetje zebra.’ Veel vaker nog mondt die rechtstreekse aanspreking uit in vergelijkingen of in gedachte-experimenten: ‘Je zult maar een onschuldig blaadje zijn. Dan word je door die schrik-van-een-okapi-tong van je takje gehaakt, en daarna beland je tussen nare tanden.’

‘Iets bijzonder bijzonders’
Dat leidt ons naar wat – wellicht - de fascinatie voor dieren (bij auteurs) en dierenportretten (bij hun lezers) uitmaakt. In hun nawoord geven de makers het aan: ‘Terwijl je over hem las, heb je misschien ook aan mensen gedacht die je kent. Die ook niet schreeuwen en ook niet op de voorgrond willen staan, maar waarvan je toch zo blij bent dat ze er zijn. Okapi-achtige mensen zijn het, schitterend en stil.’ Misschien is dat wel wat de vele dierenportretten ons vertellen: hoe rijk en divers de mensheid is. Al eeuwenlang bevolken antropomorfe wezens onze verhalen en kennen we dieren menselijke trekken toe. Die menselijke blik uitschakelen kunnen we niet, maar het lijkt erop dat we in een omgekeerde beweging steeds meer graven naar dierlijke eigenschappen waarvan we denken ‘hé, dat heb ik ook’.

Misschien helpt die benadering om mens en dier gelijkwaardiger te maken. Veel waarschijnlijker nog helpt het om aan te tonen hoe ongrijpbaar de menselijke aard is, en hoe graag we die willen vatten – een gegeven dat volgens meerdere onderzoekers aan de grondslag ligt van onze honger naar, ook fictieve, verhalen. Geen andere kunstvorm leidt ons zo direct naar de binnenkant van het brein, naar het innerlijk van een ander. Geen wonder dus, dat Van de Vendel en Van der Linden kozen voor de okapi, dat ‘mysteriedier’. ‘Of de okapi nu je nieuwe lievelingsdier is of niet, je hebt hem een tijdje laten rondstappen in je hoofd, je hebt aan hem gedacht.’

Amsterdam : Querido, 2015, 160 p. : ill. ISBN 9789045117324

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri