Peuters en kleuters

JEUGDBOEKEN NR. 3, OKTOBER 2015

Hans en Monique Hagen, Ch. Dematons (ill.): Nooit denk ik aan niets

door Jan van Coillie

5+ - Nooit denk ik aan niets. De titel van de nieuwste dichtbundel van Hans en Monique Hagen is pure poëzie: hij klinkt wonderlijk en zet je meteen aan het denken. Gedachten staan centraal, zoals in veel van de recente poëzie voor kinderen. Misschien staat de kat met haar bedachtzame blik, die telkens weer opduikt op de illustraties, hier wel symbool voor.
Het openings- en meteen titelvers laat meteen een kleine denker aan het woord:
 
‘maar wanneer is nul en wat is niets
wanneer is ooit wanneer is nooit
en waar is nergens
dat moet ik nog bedenken’.
 
Ooit, als hij met denken klaar zal zijn, wordt hij ‘een wetenaar’. ‘Blij’ begint met ‘ik denk wel eens iets / wat niemand nog dacht’. Typisch voor de denker zijn de vragen, die getuigen van een open houding vol verwondering. Aan het vliegtuig vraagt de vogel: ‘hé vreemde vogel / uit welk nest kom jij / ben je zo geboren / of kom je uit een ei’. Het gedicht bevat een originele vorm van beeldspraak. ‘Waar’ bestaat uit niets anders dan vragen over de hemel. ‘God’ stelt al even wezenlijke vragen: ‘zou er een god zijn / en als er een is / waar is hij dan van’ en verder ‘kan god mij helpen / als ik iets moeilijks doe / maar hoe weet god dan hoe’. De finale vraag is wel heel abstract voor kinderen, misschien onder dwang van het rijmwoord:  
 
‘lijkt hij op een mens
is god gemaakt van lucht
of
is god gemaakt van wens.’
 
Behalve gedachten zijn ook gevoelens het cement van deze bundel. De tederheid in sommige versjes roept herinneringen op aan de bekendste bundel van de Hagens, Jij bent de liefste (2000). ‘Hallo’ is een kort, origineel gedicht over het verschil tussen communicatie per gsm of in levenden lijve. Alleen als de ander er is, kan een echte zoen. Die zoen vormt de overgang naar ‘ik zie’, een dubbelgedicht over liefde in blauw en rood dat, ook door de illustratie, jong en oud zal aanspreken. ‘Kus’ is speels en luchtig, maar flirt tegelijk met meligheid:
 
‘ik blaas een liedje in een zeepbel
een liedje van verlangen
en voor jou blaas ik een kus
een zoen in zeep gevangen.’
 
‘Bang’, ‘Boos’ en ‘Blij’ vormen een trio. Het is knap hoe elk gevoel een eigen poëtische verwoording krijgt. In ‘Bang’ helpt het huppelende ritme de angst te bezweren. Het ritme in ‘Boos’ is dan weer stampend zoals dat hoort, met functionele antimetrie en een spetterend scheldrefrein dat doet denken aan ‘Hé hé’, een liedje van Jan de Wilde: ‘rode knetter dynamiet / takkenbijter kakkepiet / stekkert kukert slakkensop…’ In ‘Blij’ dragen zowel het speelse ritme als het spel met uitdrukkingen het gevoel:  
 
‘nu ben ik iets kwijt
maar ik weet niet wat
 
is het de kluts
of zijn het mijn kladden
zijn het mijn lurven
of mijn smiezen.’

De uiterst sobere verwoording van ‘Beer drukt dan weer helemaal het gevoel van eenzaamheid uit. Al even indringend is ‘Kat’, waarin de tedere verkleinwoorden en lichte klanken het immense verdriet een beetje draaglijker moeten maken.
 
De verwoording is opmerkelijk gevarieerd. De gedichten bevatten rijmen, maar slechts uitzonderlijk een rijmschema. Alle zijn ze ritmisch, maar geen enkel heeft een strak metrum. Dit zorgt ervoor dat je niet zomaar over de regels heen kunt glijden en gedwongen wordt stil te staan bij bijzondere combinaties. Een mooi voorbeeld hiervan is ‘Altijd’. Het gedicht begint met een uitspraak over de tijd, die een hele gedachtestroom op gang brengt, die al meteen hapert in de derde regel:
 
‘opa heeft veel tijd voor mij
maar niet altijd zegt hij
want altijd bestaat niet.’
 
 Ook verder in het gedicht zet het spel met woorden aan tot denken: ‘jij groeit uit je schoenen / ik groei uit mijn tijd.’ In de slotstrofe wordt de kerngedachte herhaald en dwingt de ellips in de tweede regel de lezer om zelf aan te vullen:
 
‘altijd bestaat niet zegt opa
maar we hebben nog zeeën
wat zullen we doen
met die tijd voor ons tweeën.’
 
Geregeld bedenken de dichters nieuwe woorden of geven ze bestaande woorden een nieuwe betekenis: ‘een pop krijgt geen kinderen / mijn rups leert later vlinderen’. Daarbij laten ze zich leiden door klanken en kronkels van de taal:
 
‘een meisjesvriend is een vriendin
een damesdanser danseres
is zwanin een vrouwtjeszwaan
of heet ze zwaneres’
 
Soms ook is de impact van oude rijmen en sprookjes merkbaar in klankrijke, magische regels als ‘klets klats klandere’ of ‘hocus pocus icarus’ of in het slaapliedje ‘lam ram ooi’.
 
De illustraties van Charlotte Dematons zijn overweldigend. De voorkant maakt meteen nieuwsgierig: wat doen die twee kinderen op een reuzenei in een nest met klaprozen op een verkeerstoren. Waar zwemmen die wolkenvissen heen en waar komen die luchtbellen vandaan. Als je de bundel uit hebt, besef je dat de omslagtekening elementen uit de illustraties binnenin combineert. Stuk voor stuk getuigen die illustraties van Dematons sterke beheersing van perspectief, compositie en kleurgebruik. Het denkende kind bij ‘Ooit nooit niets’ tekent ze vanuit vogelperspectief, waardoor de gedachten als vanzelf een vlucht nemen. Ook die gedachten brengt ze in beeld, als een sliert schimmig blauwe, kleine figuurtjes. Een omgekeerde techniek gebruikt ze om de hemel vorm te geven, met doorschijnende torens en bruggen als ijs op azuurblauw. In ‘Dames en heren’ werkt het vogelperspectief anders. Als bevoorrecht toeschouwer kijk je uit over een landschap waarin je de wonderlijkste figuren kunt ontdekken, van zwarte Piet tot een ‘pinguïnes’.
 
Dematons kleurgebruik is meesterlijk. Bij ‘Bang’ contrasteert het witte licht op het bed van de dappere jongen geruststellend met het donkerblauw van de nacht en het gifgroen van de draak. ‘Boos’ is gedrukt tegen een rode achtergrond met zwarte en rode krassen. Dit duister contrasteert dan weer mooi met het vrolijke geel uit ‘Blij’. De kleine, ineengedoken beer in het eindeloze sneeuwlandschap op de volgende prent drukt een en al verlatenheid uit. Indrukwekkend is ook de dode kat in de doos die lijkt te zweven tegen een waterige grijze achtergrond. De klaproos en de blauwe distel op de voorgrond zorgen voor een vleugje troost. Altijd voegt Dematons iets toe aan het gedicht, waarbij ze op haar eigen manier tussen de regels leest. Het kind in ‘Veren’ dat leert zwemmen in de lucht en duiken in de wind tekent ze zwemmend in een stroom van wolken in de vorm van vissen. En het bed bij het gedicht ‘Hallo’ is een knipoog naar Vincent Van Gogh.
 
Nooit denk ik aan niets doet je denken aan van alles. Gedichten en illustraties laten je nu eens boven alles en iedereen uitstijgen, zodat je de dingen vanuit een ander perspectief ziet, dan weer doen ze je wegduiken in een zee van gevoelens. Bovenal is dit een bundel waar jong en oud samen van kunnen genieten.

Amsterdam : Querido, 2015, [52] p. : ill. ISBN 9789045117614

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2019

De grote verkilling

Geert van Istendael

Kamers antikamers

Niña Weijers

Verlaten

Jane Harper

Verwondering

Aharon Appelfeld

Winterlaken

Micha Andriessen

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2019

Adres onbekend

Susin Nielsen

Mag je haaien aaien?

Katrijn De wit, Inge Rylant (ill.), Laura Bergans (design)

Niet te stoppen

Angie Thomas

Ploef

Espen Dekko, Mari Kanstad Johnsen (ill.)

Zo slapen dieren

Jiří Dvořák, Marie Štumpfová (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri