Beschouwingen

Tine Van Landegem: Mag het ietsje minder? : Dierenboeken voor kinderen

door Tine Van Landegem

Het uitgeven van goede dierenboeken voor kinderen baart auteurs en uitgeverijen zorgen. Er staat immers een moeilijk en gevarieerd publiek te wachten. Je hebt leergierige kopjes en mooie-beestjes-kindjes, doeners en denkers, stille lezertjes en stoere natuurzoekers. Op een passende, kwaliteitsvolle manier tegemoetkomen aan hun wensen en interesses is geen sinecure. Sommige boeken zie je na de eerste aanblik liever niet meer terug, maar soms lopen er ook echte pareltjes van de pers. Van die boeken met een gouden randje, die inhoudelijk en vormelijk compleet af zijn. Boeken die worden verslonden tot de bladhoeken omkrullen, die liefst ook zo tijdloos mogelijk zijn en de generaties overleven.  
 
Eenzame ‘Ooggetuigen’
Vroeger stonden de natuurhistorische boeken in de reeks ‘Ooggetuigen’ van uitgeverij Standaard bij iedereen bekend als dé standaardwerken. Mooie, sobere lay-out, correcte en interessante teksten en rechttoe rechtaan van aanpak; échte natuurboeken  zijn het, geen promotieblaadjes. Erg lang stonden ze dan ook op eenzame hoogte in het natuurboekenaanbod. Maar de laatste tijd komt daar gelukkig verandering in. Uitgeverij Tirion heeft de laatste jaren ook regelmatig een informatief dieren- of natuurboek in haar jeugdfonds en sommige niet-gespecialiseerde uitgeverijen laten zich bijstaan door de juiste mensen. Ook enkele natuurverenigingen slagen er in toffe boekjes te maken die niet enkel de diehards onder de natuurliefhebbers aanspreken.  
 
Het basisprincipe van een goed natuurboek voor kinderen is eigenlijk de eenvoud zelve: het is gericht geschreven voor de doelgroep, heeft geen neiging tot betutteling en geeft enkel correcte informatie. Kwaliteit verbergt zich aan de binnenkant en heeft geen nood aan lichtreclames. Het is dus zaak je niet te laten leiden door spectaculaire titels, beelden en beloftes. Het kan gebeuren dat ‘de meest complete gids ooit’ ook de saaiste is en dat ‘het beste’ dierenboek ronduit treurig van kwaliteit is. En wanneer er duidelijk werk van gemaakt wordt om het boek op te peppen met een veel te brede waaier van grafische hoogstandjes, dan wordt de inhoud misschien wel als triviaal beschouwd?  
 
Boeken met mooie, grote en scherpe foto’s en tekeningen, daar mag men gerust enthousiast over worden. Als daarbij wordt ingezoomd op de details van het dierenrijk, zoals insectenogen en vogelveren, dan zit het ook snor. Laten we duidelijk stellen: eenvoud staat in deze branche garant voor degelijkheid. En zo hebben we het graag!  
 
De chemie van de einderedactie
Een uitgeverij moet een doel voor ogen hebben, hoe naïef dat heden ten dage ook mag klinken: een goed boek uitbrengen. Dat lukt hier alleen door een uitgekiende samenwerking tussen auteur, illustrator en vormgever, en onder het waakzame oog van de eindredactie. Maar deze chemie is niet vanzelfsprekend. De Londense uitgeverij Dorling Kindersley Limited slaat hier bijvoorbeeld vaak de plank mis. Boeken als Oceanen, of de reeks Bzzz, Plons, Woesssj (alle bij Gottmer in vertaling) laten je uitgebreid kennismaken met alle kunsten van de vormgeving, maar leveren weinig interessante en correcte informatie. Het is dan ook soms een raadsel waarom deze krijsende uitgaven een vertaling naar het Nederlands verdienden.  
 
Wil een boek tegenwoordig nog een plaatsje in het rek verdienen, dan moeten er vanaf het begin keuzes gemaakt worden. Of er nu gekozen wordt voor de oudere of jongere jeugd, voor een algemeen beschouwend natuurhistorisch boek of een interactief doeboek, kwestie is dat men trouw blijft aan de gemaakte keuze. Ook hier hebben auteurs en redactie de handen vol als ze niet willen dat er een boek met identiteitsproblemen van de pers rolt.  
 
Zo heb je de Nederlandse educatieve uitgeverij Biblion die een reeks themaboekjes voor zwakke lezer vanaf acht jaar uitgeeft (‘Skoop’) en er daarbij prat op gaat een ‘serie expert’ en een ‘deskundige’ in het schrijfteam te hebben. Dat team kan evenwel niet verhinderen dat er een dodelijk saaie, schoolse layout gebruikt wordt en dat de doelgroep totaal verkeerd benaderd wordt. De juiste vragen worden gesteld en er is met goed beeldmateriaal gewerkt, maar de antwoorden en de teksten zijn ofwel veel te hoog gegrepen of ze worden gebanaliseerd. Zo wordt ‘groter worden’ erg simplistisch beschreven: ‘Jonkies  eten, ademen en bewegen. Ze gebruiken hun zintuigen. Ze poepen en plassen. Langzaam worden ze volwassen. Dan kunnen ze zelf weer baby’s krijgen’. Naast deze kindertaal krijgen de lezers wel ‘parthenogenese’ voorgeschoteld of de ‘dubbele-bevruchting’ van regenwormen.  
 
Less is more
Wanneer de samenwerking echter bruist, kunnen er wondermooie boeken uit groeien. De eerder genoemde uitgeverij Dorling Kindersley Limited bewijst, ondanks een aantal miskleunen, toch kunde in dit vakgebied, met boeken als Wow dieren! (Van Holkema & Warendorf) en Dieren in actie (De Fontein/Tirion). De boeken zijn doordacht en duidelijk, de focus ligt helemaal op het verstrekken van informatie en de beelden zetten dat kracht en kleur bij. De lay-out maakt het af. Dieren in actie blinkt uit in een eenvoudige, zachte vormgeving en presenteert mooie foto’s en schematische voorstellingen. Meteen weet het boek inhoudelijk te overtuigen.  
 
Dat toeters en bellen ook niet nodig zijn voor jonge kinderen, wordt bewezen door Pittau en Gervais, de twee nieuwe prijsbeesten van Lannoo. Al enkele jaren werken auteur en illustrator samen en ze schenken de kinderboekenplank ware schatten. Zo staan de levensgrote boeken Verborgen vogels en Verborgen dieren en hun recentste uitgave  De seizoenen binnenste buiten garant voor jarenlang genieten, voor klein én groot. De boeken gaan uit van eenvoudige, wondermooie potloodtekeningen van een dier of een plant op een witte achtergrond. Ze worden verborgen achter silhouetten, openklappagina’s of zijn verdeeld in puzzelstukjes. Zonder opsmuk, de puurheid zelve. In de wereld die ze creëren, kiezen de auteurs voor een minimum aan woorden. Een ode aan de eigen fantasie en invulling. Een verademing ook, in het huidige aanbod van luidruchtige en wollige kinderboeken.
 
Kiezen is niet verliezen
Ook met boeken rond een specifiek thema kan een uitgeverij zijn strepen verdienen. In de reeks ‘Ooggetuigen’ heeft Standaard uitgeverij er een paar uitgebracht. Haaien is er een van en er wordt hier indrukwekkend volledig te werk gegaan. Ook ‘Tirion Natuur’ slaagt erin een mooie kwaliteit te bieden dankzij auteurs als David Melbeck. Hij heeft vakkennis, wordt bijgestaan door twee goede tekenaars en zorgt in een reeks voor de jonge natuurvriendjes voor enkele waardevolle gidsen. De jonge sporenzoeker is bijvoorbeeld een plezier om lezen. Met mooie en exacte tekeningen, korte, duidelijke teksten en opdrachten is dit boek een must voor elke actieve natuurvriend. De doordachte details maken het alleen maar leuker. Zo sieren kleine terugkerende tekeningetjes de hoofdstukken (een pootafdrukje onder ‘sporenzoeken’, een nestje bij ‘rustplaatsen’) en worden de titels gevormd met met dierenrestjes, besneeuwde paaltjes, pootafdrukjes... Een extra troef is dat deze gids enthousiasmerend werkt. Bovenop het educatieve en informatieve aspect lokt hij de jonge lezertjes ook mee naar buiten. En dat is niet iedereen gegeven. Zo bracht Ploegsma onlangs Het leukste buitenboek voor kinderen uit, een vertaling uit het Engels van Manning en Granström. Hoewel de uitgeverij een verdienstelijke poging doet met mooi beeldmateriaal, weet het boek niet te overtuigen. Het feit dat Ploegsma met dit boekje kinderen in de Lage Landen tracht te laten zoeken naar wilde zalmen en otters, is een brug te ver. Het boekje moet wel degelijk een bestaansreden hebben in eigen contreien, anders is een vertaling verspilde moeite.
 
Vaak kiezen uitgeverijen of auteurs ervoor om niet de puur informatieve weg op te gaan. Ze zoeken boekjes met een fictief verhaal, waarin er ‘op de achtergrond’ ook wat geleerd wordt. Ook hier geldt: het is pas waardevol als beeld en tekst correct zijn. Een kleine lapsus kan iedereen overkomen, maar systematisch foute informatie geven, zorgt voor een categorische verwijzing naar de papiermand. De KNNV uitgeverij (Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging) geeft het voorbeeld van hoe het moet en kan. Ze houden het doel, een goed boek brengen, steeds voor ogen en aarzelen niet om extra expertise aan boord te halen. Zo brachten ze samen met de Zoogdierenvereniging van Nederland het boekje Dora ondersteboven uit, en het resultaat mag er wezen. Op een speelse manier leer je over het doen en laten van de grootoorvleermuis Dora. Elk hoofdstukje beschrijft een belangrijk aspect in Dora’s leven. Zo begint het in de kraamkamer, waar alle moeders met hun jong wonen. Een mooie, grote illustratie begeleidt een kort verhaaltje over Dora, waarin de kraamkamer wordt voorgesteld. Daarop volgen twee bladzijden pure, interessante informatie, waarbij met kleine, fijne tekeningen en korte,  boeiende tekstjes alles verteld wordt over de bevalling, het zogen en het grootbrengen van de jongen. Dankzij de wisselwerking tussen kennis en verhaal werd het een bijzonder fijn boekje — in donkerblauwe tinten, omdat een vleermuis als schemerdier ook enkel dat ziet — met correcte, interessante informatie.  
 
Klein maar fijn
Dierenboeken beperken zich niet enkel tot de lezende jeugd. Kleine kinderen zijn nu eenmaal dol op beestjes en boekjes, en de combinatie is dan ook een succes. En het aanbod is haast onoverkomelijk groot. Hoe maak je hierin een keuze? Ook hier geldt de stelregel: juiste info, een mooi gemaakt boekje en gericht op de doelgroep. NNV weet ook hier te scoren. Boeken als Dora ondersteboven en Vogels zien en horen brengen beeldverhalen voor kinderen van zeven tot twaalf jaar. Maar de jongere lezertjes (of luisteraars) moeten niet op hun honger blijven en krijgen met reeksen zoals ‘Zeg kleine...’ bijzonder leuke boekjes voorgeschoteld. In deze reeks wordt er telkens één diersoort gevolgd, bijvoorbeeld de bever. Daarbij wordt gewerkt met een herkenningsfactor (het kleine dier is een leeftijdgenootje van de lezer), en het boek slaagt erin om met een minimum aan passende tekst de grote, mooie potloodtekeningen te verduidelijken. Ze houden het sober en fijn.  
 
Hoe aanlokkelijk het ook klinkt om de kleintjes te overdonderen met interactieve extraatjes als flapjes, voelpagina’s en trekfiguurtjes, het gevaar loert! Davidsfonds/Infodok viel diep in die valkuil met Mijn grote dierenboek. De witte ringmap met harde kartonnen pagina’s maakt het boek praktisch om te lezen, maar alvast niet mooier.  Het verhaal beschrijft het leven van een dier dat begint bij het ‘verliefd worden’ van een koppel. Zonder verdere uitleg komt er na het verliefd zijn plotseling een nieuw leven tevoorschijn. De auteurs hebben het wel over ‘moederkoek’ en ‘eieren in het zand’, maar verdere uitleg ontbreekt. Het verhaaltje eindigt op het moment dat de jongen het nest of de ouders verlaten, klaar om zelf verliefd te worden. Daar waar volop ingezet wordt op interactieve speeltjes (voelpagina’s, zoekelementen, flapjes en trekpagina’s), vergat men de teksten en de vormgeving degelijk uit te werken. Het resultaat is bedroevend. De vele begeleidende tekeningen zijn weinig inspirerend en soms zelfs lachwekkend (zo ‘trek’ je een babygirafje uit de ruggenwervel van de moeder om het geboren te laten worden).  
 
Dan is de reeks van Gottmer, door Stéphane Frattini bedacht, ‘Van wie is die...’ wel een blijvertje. Het concept is simpel doch succesvol: paginagrote flappen verbergen het antwoord op de vraag ‘Van wie is dit kleintje?’ Of nog: ‘Van wie is die poep?’ De foto’s zijn mooi en groot en de tekst is kort, maar interessant. Er wordt gelet op details en de te zoeken poten, poep of kleintjes worden steeds afgebeeld tegen de achtergrond van de juiste biotoop. Ook Marion Billet weet waar de klepel hangt en is een aanwinst voor ‘Clavis peuter’. Haar reeks geluidenboekjes zijn de eenvoud zelve en dat werkt. Ze zijn om van te smullen. Elke kartonnen pagina stelt één vogel, of één huisdier voor, die in zijn biotoop wordt afgebeeld en die, met een druk op de knop, ook het passende geluid maakt. Het zijn boekjes die niet alleen aandacht schenken aan het educatieve aspect of het aanleren van vaardigheden, ze laten de fantasie en eigen interpretatie de vrije loop.
 
Ola, encyclopedieën
De zwaardere kost, met name de encyclopedieën en atlassen, zijn andere koek. Laten we eerlijk zijn, het is een aartsmoeilijke opdracht om een dierenencyclopedie samen te stellen die vakkennis herbergt én aantrekkelijk is om te lezen en te bekijken. Een steengoede redactie en vormgeving zijn alvast aan de orde. Jongeren zijn niet meer gewend om met lijvige teksten om te gaan en waarom zouden ze een boek doorbladeren als er iets als Wikipedia bestaat? Bovendien verandert de wetenschap in deze tijd van grootschalige onderzoeken snel en wordt de nieuw verworven kennis steeds bereikbaarder. Hoe zit dat dan met encyclopedische kennis in een boek? Onlangs verschenen Lannoo’s nieuwe kinderencyclopedie en De geïllustreerde dierenencyclopedie (Lannoo en allebei oorspronkelijk bij Dorling Kindersley Limited uitgegeven). Beide zijn een ereplaats op het boekenrek waard. De auteurs en redacties gingen duidelijk niet over één nacht ijs. Wat volgt, is niet alleen een opsomming van de pluspunten van beide boeken, maar meteen ook een checklist voor al de komende encyclopedieën voor de jeugd.  <br /> 
Terwijl de De geïllustreerde dierenencyclopedie zich toespitst op de theorie van het dierenrijk, gaat Lannoo’s nieuwe kinderencyclopedie volledig voor de algemene natuurkennis. De redacties hielden nauwgezet elk hun doel  voor ogen en beide encyclopedieën zijn zonder meer geslaagd in hun opzet. De dierenencyclopedie belooft ‘de wonderen van het dierenrijk’ te onthullen ‘om jonge geesten te verbazen en informeren’. Je kunt dit alleen maar beamen. De kinderencyclopedie wil de jonge lezers ‘aanmoedigen om zelf op onderzoek te gaan’, en ook dat is gegarandeerd zo. Beide gaan voor de categorie zwaargewicht, met hun driehonderd glimmende, ingebonden pagina’s. Klaar om de tand des tijds te overleven. De bladzijden zijn stuk voor stuk gevuld met weldoordachte, beknopte teksten. De informatie is van een indrukwekkend niveau en er wordt de lezers niets voorgelogen noch voorgekauwd. De auteurs slagen erin een evenwicht te bewaren tussen de theoretische achtergrond en de toepassing of het dier in de praktijk, zodat de encyclopedie voor meer dan alleen de bollebozen leuk blijft. En hoewel de lezende jeugd hier serieus genomen wordt en men vooral niet wil gaan betuttelen, is het geheel speels en luchtig gehouden. Hetzij door kleine weetjes bij de diersoorten toe te voegen, of door het gebruik van quizjes en veel korte feiten.  
 
Beide boeken spitsen zich toe op het zelf leren en ontdekken, en ze prikkelen de jonge geest. Misschien is dat laatste wel hun grootste troef, want ze smaken naar meer. Boeken als deze zullen veel ter hand worden genomen en niet alleen door de jeugd. Wat erin staat blijft ook interessant voor ouders en leraars.  <br /> 
Omdat een goede encyclopedie een vaste waarde in het boekenrek vertegenwoordigt en men niet elk jaar een nieuwe koopt, moeten de boeken uiteraard tijdloos te zijn. Net dat zal het zwakke punt blijven van Lannnoo’s nieuwe kinderencyclopedie, door bijvoorbeeld zoiets als de voorstelling van enkele ‘actuele’ gebeurtenissen, zoals de tsunami van 2004.
 
Oorspronkelijk verschenen in De Leeswelp 2012

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri