Vanaf negen jaar

Bibi Dumon Tak, Fleur Van der Weel (ill.): Bibi’s doodgewone dierenboek

door An-Sofie Bessemans

9+ — Na goud voor Winterdieren (met Martijn van der Linden) en een uitstapje naar het prentenboekengenre in Ik wil ook! (met Annemarie van Haeringen) is Bibi Dumon Tak teruggekeerd naar een vorm waarmee ze eerder al een Zilveren Griffel in de wacht wist te slepen, dat van Bibi’s bijzondere beestenboek (met Fleur van der Weel). In Bibi’s doodgewone dierenboek zijn de alledaagse veelvoeters het centrum van de aandacht. Wie kent ze niet, de muis, de mug, de regenworm, de mossel, het konijn, de duif en de wesp? Tenminste, we denken dat we ze kennen. Maar onder die doodgewone vachten, schubben en veren in dit boek huizen waanzinnige beesten, vanbuiten alledaags, vanbinnen weergaloos knap.’
 
Uitgangspunt is de verwondering van de auteur over al dat dierlijk grut dat in onze huizen en tuinen, onze velden en steden vertoeft. Onder een tegel van de stoep (de zwartbruine wegmier), onder een bloempot of een gieter (de pissebed), of zelfs op ons hoofd (de hoofdluis), op geen enkel plekje zijn ze veilig voor haar pen. In haar korte dierenportretten, doorgaans niet langer dan een bladzijde, haalt Dumon Tak een eigenschap naar boven die, zeker bij de jongste natuurliefhebbers, vrij onbekend is, bijvoorbeeld het Bruce-effect bij de muis of het ruik-proefmechaniekje van de egel. Haar publiek steeds voor ogen houdend, willen die wetenswaardigheden wel eens heel humoristisch of plastisch zijn. Zo vernemen we dat haringen communiceren via scheten en dat konijnen zich tegoed moeten doen aan hun kleffe ‘pindarotsjespoep’ om in leven te blijven. Dumon Tak zoomt in op markante feiten of gebeurtenissen in het leven die ook een mens niet vreemd zijn. Zo komen herkenbare levensfasen ter sprake bij bijvoorbeeld de duif (het voeden van de jongen), de oorworm (het zorgen voor de jongen) en de dwergvleermuis (zwangerschap en geboorte).
 
Het dier beweegt zich daarmee tussen een mysterieuze Ander en iets dat best ook wel wat weg heeft van jezelf. De opbouw van het boek is doordacht: met bijvoorbeeld de voedselketen in het achterhoofd houdt het zeker steek om de torenvalk meteen na de muis te bespreken, en de bruinzwarte mier, de bladluis en het zevenstippelige lieveheersbeestje meteen na elkaar voor het voetlicht te brengen. <br /> 
Het opvallendste aan Dumon Taks non-fictie blijft echter de manier waarop ze de dieren voorstelt. Niet alleen de keuze voor dieren en de speciale eigenschappen die ze eruit licht, maar vooral haar vertelstem is uiterst persoonlijk. Ze pakt de lezer in met herkenbare beelden (de mol: ‘Je ziet hem zelden, dit harige diertje dat door de aarde peddelt met pootjes als roeispanen en een snuit die even lang is als zijn staart. Maar wat je wel vaak ziet is de troep die hij achterlaat op het voetbalveldje vlak voor de wedstrijd begint.’), een aantrekkelijke taal en slimme verteltechnieken, waarbij ze soms een spelletje speelt met de lezer. Zo treedt ze in dialoog met een denkbeeldig lezerspubliek, dat dan reageert in cursief: ‘Dan de aardslak. Als een stel elkaar heeft versierd klimmen ze in een hoge boom en laten zich samen naar beneden vallen aan een lang koord van slijm. Hallo, we worden misselijk! Uit hun wang komt een piemel die langer is dan zijzelf en die draaien ze in elkaar. We vallen flauw! Zo hangen ze wel uren te zwiepen in de wind. Stop maar hoor, we luisteren al niet meer.’ Bij de bespreking van de mus geeft ze in de hoofdtekst te verstaan dat ze de lezer helemaal niets nieuws kan bijbrengen over de ‘niksige’ mus en jaagt ze hem weg... Tot hij in allerlei opmerkelijke ‘nog even dit’-jes weer opduikt. Effectvolle trucjes die ze natuurlijk niet vaak kan herhalen, maar waardoor je aan het einde van het boek toch met andere ogen naar die mus kijkt, naar non-fictie in het algemeen (is dit nog non-fictie?) en naar jezelf en wat je dacht te weten. Ook in dat opzicht zijn de boeken van Dumon Tak echte literatuur.
 
De prenten van Fleur van der Weel staan in perfecte wisselwerking met Dumon Taks teksten. Van der Weel toont de dieren in een heel eigen interpretatie, die al dan niet naar de tekst of de werkelijkheid verwijst. We zien onder meer een teek in een tekentang, een vos in een mand met een bal, géén halsbandparkiet (die is uit dat kooitje gaan vliegen, het deurtje staat nog open)... Zij gebruikt voor haar knappe zwart-witte illustraties de ‘Zeeuwse krastechniek’ — of is het nu ‘glasplaattechniek’? — die we ook kennen uit Bibi’s bijzondere beestenboek. Ze verfde glazen platen zwart en kraste na het drogen dierenfiguren uit met een prikpen, om tot slot een fotokopie te nemen van de plaat. (Meer informatie en filmpjes vind je op haar website: www.fleurvanderweel.com/techniek/). Sterke prenten, die in combinatie met de trefzekere teksten van Dumon Tak het boek uittillen tot het beste materiaal dat er voor deze leeftijdsgroep te vinden is.
 
Amsterdam : Querido Amsterdam, 2013, 90 p., ill.. ISBN 9789045115368
 
Oorspronkelijk verschenen in De Leeswelp 2013

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri