Nederlands proza

BOEKEN NR. 4, OKTOBER 2015

Joris Note: Van de wereld

door Liesbeth Vantorre

Joris Note schrijft graag over het recente verleden. De debuutroman van de criticus-essayist De tinnen soldaat (1992) gaat over een Vlaams-katholieke jeugd. Zijn dito jeugd in Lokeren blijkt dan ook vaak een inspiratiebron voor zijn werk. In 2002 schrijft hij met Timmerwerk een eerste echt biografisch werk over het leven van zijn vader. Van de wereld is het tweede boek van Notes hand in dat genre. Het is een ode en herinnering aan zijn overleden broer Herman en zus Lut, respectievelijk 10 en 12 jaar ouder dan de schrijver zelf.
 
Maar Van de wereld zomaar in de categorie ‘biografie’ plaatsen, zou te kort door de bocht zijn. Het boek is meer dan dat. Het is een dubbel zelfreflexief boek: het gaat over het leven van de schrijver en over literatuur. Meer nog. Het is een literair-wetenschappelijk traktaat met een echte bibliografie van maar liefst vier bladzijden achterin. Gemakkelijke literatuur is het alles behalve. Je hebt de concentratie nodig van een uiterst ijverige (al dan niet door energiedranken rechtgehouden) student om het meanderende relaas te kunnen volgen. Maar het is de moeite om bij de les te blijven.
 
(Literaire) traditie
Note beschrijft in Van de wereld zijn onbekommerde jeugd als nakomertje. Zijn broer en zus zaten beiden op internaat en waren vooral de grote afwezigen. Wanneer hij wat ouder wordt, en het leeftijdsverschil wat kleiner, wordt zijn broer Herman zijn intellectuele uitdager. Note vertelt het verhaal van zijn broer als een soort innerlijke monoloog, waarbij hij van de ene gedachte naar de andere springt en associaties maakt. Maar het is meer dan wat losse herinneringen aan zijn broer. Het verhaal is een minutieus verslag van Hermans leven en Note schuwt de details niet. Niet alleen wordt Hermans karakter met wetenschappelijke precisie ontleed, ook met randinformatie is de schrijver heel kwistig. Note lijkt bang te zijn ook maar iets te vergeten te vertellen over zijn broer. Tot een lijst van examens toe die zijn broer in de opleiding godsdienstwetenschappen aflegde. Note, die zelf een tijd universitair docent was, doceert over zijn broer. Het zegt veel over de band tussen hen: de oudere broer die de jongere graag wat bijbrengt, de jongere die opkijkt naar de kennis en ervaring van de oudere. Herman heeft hem zó veel geleerd. Joris Note moet bewijzen dat hij zijn intellectuele evenknie geworden is.
 
Maar het doceren gaat wat ver. De docent Joris Note haalt er letterlijk secundaire literatuur bij. Pagina’s lang leest de lezer zich in in joodse of christelijke schrijvers en theoretici. Zo wordt het relaas op bladzijde 122 onderbroken door een passage van bijna 20 bladzijden lang over de roman De heenreis van Jakob Glatsein. De passage is echter te lang en te academisch om te blijven boeien. Daarnaast somt de schrijver ellenlange lijsten op van werken die Herman doorploeterde of vertaalde. Note doet graag aan namedropping en noemt met gemak Barthes, Foucault, Lyotard, Merleau-Ponty en Julia Kristeva in één adem. Je moet als lezer dus al enige academische voorkennis hebben van de twintigste-eeuwse literatuurwetenschap om die namen nog maar te kunnen plaatsen. Door het hoge ex cathedra-gehalte van dit soort fragmenten en de ‘anthologische’ precisie waarmee Note over bepaalde auteurs of werken doceert, geraakt de link tussen deze fragmenten en het eigenlijke verhaal zoek. Het is te veel. Je ziet door de bomen het bos niet meer. Je ziet door de details, door de lange passages secundaire literatuur, het personage Herman niet meer. Bovendien komt dit spuien van kennis behoorlijk arrogant over. Het maakt je met momenten een beetje opstandig.
 
Dit hoge academische gehalte van de tekst staat bijna haaks op de verwijzingen naar Louis Paul Boon. Zijn inleiding, ‘Misschien een verhaal?’, roept herinneringen op aan Boons magnum opus De Kapellekensbaan/Zomer te Ter-Muren. De stijl die Note in dit fragment hanteert, is een echo van de mijmerende, spreektalige schrijfstijl, waarmee Boon de petite histoire van zijn straat weergeeft. Op bladzijde 204 verwijst hij zelfs heel letterlijk naar diens werk en leven: ‘Wij hier met ons tweeën, in deze sociale woonwijk in dit dorp van meer dan twee fabrieken...’ Boon verwijst in zijn oeuvre vaak naar Aalst als de stad van twee fabrieken. Voor het overige lijkt de band met Boon enigszins zoek. Vooral dan omdat Boon doorheen de Aalsterse anekdotiek iets over ‘de wereld’ vertelde. Door de afwisseling tussen persoonlijke anekdotes en korte stukken over literatuur, actualiteit of geschiedenis ontrafelt Boon de contemporaine maatschappij. Note slaagt daar maar half in. De lezer krijgt weliswaar een beeld van de jaren vijftig en zestig in Vlaanderen, maar dat beeld wordt overschaduwd door een stevige cursus literatuurwetenschap die niets te maken lijkt te hebben met de rest van het verhaal. Behalve dan dat Herman erin geïnteresseerd was.
 
Leven van Lutgart
Maar misschien is het net Notes bedoeling om zijn broer Herman in die docerende stijl te portretteren. Herman was zoals gezegd zelf docent, een eeuwige student en een veellezer. Met zijn zus Lut was de band heel anders en dat vertaalt zich ook in de stijl. Lut was zijn lagere schooljuf en een soort tweede moeder, tot ze intrad in een kloosterorde en in West-Vlaanderen ging wonen. Haar leven als non kan Note niet goed vatten. Het lijkt hem een beperkt leven: ze ging immers niet naar tentoonstellingen, toneel of concerten. Maar tussen de regels door, door de manier waarop hij bijvoorbeeld de aantekeningen die Lut in haar ziekbed maakte, letterlijk aan de lezer toont, lees je dat ze veel meer was dan zuster-directrice. Je leert een erg intelligente, ruimdenkende vrouw kennen, die door haar keuze voor een leven als non in de jaren vijftig-zestig eigenlijk koos voor zelfstandigheid. Net zoals haar broer Herman is ze geen meegaand schaapje in de christelijke kudde. Ze twijfelt en stelt zich vragen. Note laat deze vragen heel mooi voor zich spreken. Hij doorspekt het verhaal over Lut heel toepasselijk met subtiele en passende passages uit het dertiende-eeuwse Leven van Sinte Lutgart. De fragmenten over Lut zijn zoveel universeler en menselijker en benaderen in dat opzicht eigenlijk wel het werk van Boon. Hier vind je wellicht de meest ontroerende passage uit het hele boek. Overigens een uitstekend voorbeeld van de stijl die Note in zijn Lut-stukken hanteert:
 
‘Zij scheen te weten waarheen ze ging, en ze zei het ook, ze had natuurlijk haar geloof maar ze zei niet dat ze naar God ging en ze noemde onze ouders niet, ze zei dat ze naar de anderen ging en ze zei uitdrukkelijk dat ze naar jou ging, I’m going there to meet my brother, he said he’d meet me when I come, dat zei ze: Ik ga naar Herman, je was pas drie jaar weg, jullie waren ooit de enige kinderen geweest, maar ik denk dat ze het ook speciaal tegen mij wilde zeggen, en toen viel ik in de dieperik en er waren geen bouwvakkers om mij te bevrijden en op te richten, o mijn zus mijn juf mijn lut.’
 
Veeleer dan de stomme bewondering die hij voor Herman koestert, voel je hier de diepe liefde voor een moeder-zus, met wie hij misschien minder diepgaande gesprekken had, maar een intuïtievere en emotionelere band.
 
Misschien een verhaal?
Van de wereld is een bijzonder boek. You love it or you hate it. Het maakt veel los bij de lezer. Maar ook een heel herkenbaar gevoel van intimiteit en liefde. Note slaagt erin om zijn broer en zus elk hun eigen stem te geven. Hun band kan dus hecht genoemd worden, maar de docerende stijl doet vermoeden dat er eerder dan diepe genegenheid sprake was van bewondering en aanzien. De ivoren toren is hoog, en de link met de wereld soms wat zoek. Ook al was Herman een grotere avonturier dan Lut.
 
Met Lut waren de diepgaande gesprekken misschien minder frequent, maar door de stijl en de tekst schemert de onvoorwaardelijke liefde die hij voor haar voelde. En het onbeschrijfelijke gemis. Deze intieme fragmenten hebben een grote, universele kracht. Ook al gaan ze niet over de grote namen uit de joods-christelijke, al dan niet literaire, traditie.
Een verhaal is het misschien niet echt, wel het relaas van een jonge broer die zijn familie ziet verdwijnen. Hij klampt zich wanhopig vast aan hen, aan een voorbije wereld die met hen gestorven is. <br /> 
‘In mijn koortsdroom ontwikkelde ik een theorie over het samenhorigheidsgevoel en de onderlinge vereenzelviging tussen broers en zussen, zo saai klink het inderdaad maar hoe vurig vlammend was het, verweile doch, maar bij het ontwaken waren theorie en vuur in één klap weg, er pruttelde amper nog iets na. Stuk van mij, stukken van mij, blijf.’

Amsterdam : De Bezige Bij, 2015, 282 p. : ill. ISBN 9789023489993 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri