Vanaf twaalf jaar

Martha Heesen: Bajaar

door Jürgen Peeters

Over de diepten van de kinderziel 
  
Met drie Zilveren Griffels (De vloek van Cornelia, Mijn zusje is een monster en Stekels) en een Gouden Uil Jeugdliteratuur voor Toen Faas niet thuiskwam wordt Martha Heesen door critici tot een van de beste jeugdauteurs van ons taalgebied gerekend. Eenzelvige, tobberige protagonisten, diepgaande psychologische portrettering en een impliciete benadering van de thematiek maken onmiskenbaar deel uit van haar poëtica. En dankzij haar nieuwste roman Bajaar kan ook ‘vernieuwing’ worden toegevoegd aan voorgaand lijstje. 
  
Julia, de dertienjarige hoofdpersoon uit Bajaar, leeft niet het leven dat ze zou willen. Samen met grootmoeder Momo en haar vijf jongere zusjes woont ze op het Brabantse platteland, ver buiten het dorp, dat hen als buitenstaanders bestempelt. Voornamelijk Momo en Julia vormen het hart van deze besloten enclave. Ze blijven ongewild hangen in het verleden, letterlijk en figuurlijk, vullen hun dagen met wachten, al blijft voorlopig nog in het ongewisse waarop precies. In gebalde zinnen, ogenschijnlijk eenvoudig, maar strak gecomponeerd en met meerdere betekenislagen, ontvouwt Heesen slechts sporadisch de ware toedracht van de feiten. Heesen vat de gezinssituatie zelf mooi samen met volgende paradox: ‘Niet dat we praten. Het is eerder zwijgen, maar dan weten we waarover.’ In zwijgen blijkt grootmoeder Momo overigens bijzonder sterk. Slechts uit schijnbaar terloopse opmerkingen over de uitzonderlijke familiale situatie kan de aandachtige lezer snippers informatie destilleren. De auteur toont daarmee overtuigend dat de familie over de pijnlijke gebeurtenissen uit het verleden eenvoudigweg niet kán praten. Omdat ze te pijnlijk zijn, bijvoorbeeld, omdat ze herinneringen oproepen aan een in het kraambed overleden moeder, of een sinds de Tweede Wereldoorlog vermiste vader. Zoveel gemis valt vanzelfsprekend niet buiten te sluiten; het meandert door de hele roman heen. Een oorlogsboek is Bajaar niet geworden. De Tweede Wereldoorlog, en dan vooral de naweeën ervan, worden niet expliciet gethematiseerd, maar via een rijkgeschakeerd netwerk aan herinneringen en beelden uit het dagelijkse leven opgeroepen.  
  
Net als in eerder werk zijn Heesens personages einzelgängers die zich (on)bewust afzetten tegen de gangbare (maatschappelijke) normen en waarden. Als oudste neemt Julia de zorg voor haar vijf jongere zusjes op zich, en hecht ze zich erg aan het haast mythische paard Bajaar. Hoewel ze eigenlijk nog een kind is, bepalen Julia’s vroegere ervaringen haar nuchtere kijk op de haar omringende wereld. Martha Heesen peilt feilloos de diepten van de kinderziel, en vindt daar allesbehalve een romantisch kind- en wereldbeeld. Wél overtuigt ze met een authentiek portret en psychologische diepgang. Grootmoeder Momo kan niet echt uiting geven aan het verlies, al heeft ze haar gezicht wel ‘voorgoed omgeruild’. Momo lijkt altijd chagrijnig, maar wordt eigenlijk verteerd door zorgen en heeft de hoop op de terugkeer van haar zoon stilaan opgegeven. De familie krijgt nog wel bericht van de dienst ‘afdeling opsporing vermiste personen’, maar Momo’s eenzame tochten naar de stad brengen weinig soelaas. 
  
De link met de robuuste oma Mei uit Benny Lindelaufs Negen open armen en De hemel van Heivisj is dan ook nooit veraf, al overtuigt Momo wel in haar uniciteit. Heesens verhaal heeft overigens wel meer gemeen met Lindelaufs bekroonde boeken, zoals de goed uitgewerkte historische setting, de glansrol van een paard, de authentieke benadering van de rijke verhaalstof en de sterke sfeerschepping. De gevoelige, wat eenzelvige jongetjes uit Heesens eerder werk worden dan wel vervangen door een sterke adolescente, maar de auteur knoopt met Bajaar wel opnieuw aan bij eerdere thema’s, zoals de sterke band tussen grootouders en kleinkinderen of de liefde voor natuur (en paarden in het bijzonder, zoals in Sterre en Joe). De sterke introductie van het mythisch aandoende paard Bajaar wordt toch volkomen geloofwaardig en aannemelijk in het verhaal geïntegreerd. Bajaar verschijnt en verdwijnt steeds weer onverwacht, maar vormt op zijn manier toch een verbindende factor tussen de gezinsleden. De verwijzing naar het ros Beiaard blijkt dan ook goedgekozen, zij het wat expliciet verwoord. Immers, precies de impliciete typering van de personages schraagt mede de sterke zeggingskracht van dit verhaal, en bij benadering van Heesens werk. Die lijn wordt overigens overtuigend doorgetrokken in de korte, maar levendige dialogen, die even veerkrachtig blijken als Julia zelf. 
  
Veel meer gebeurt er overigens niet in Bajaar. De familie wacht op de terugkeer van de vaderfiguur, en worstelt zich ondertussen zo goed mogelijk door de dagelijkse beslommeringen. Heesen beschrijft niet, maar toont, beeldt uit, roept beelden op. Ook in de kleinste, schijnbaar onbeduidende handeling ligt voor haar een groot potentieel aan verhaalstof. Het vraagt vanzelfsprekend een auteur met metier om die beelden aan de oppervlakte te brengen. Heesen slaagt met verve, en verpakt haar verhaalstof in rijke, vaak zintuiglijk gekleurde beschrijvingen, die de ware kracht van Bajaar vormen. De historische setting komt daarbij echt tot leven, ook op het niveau van de taal: de dialogen worden doorspekt met Brabants dialect, wat het verhaal een authentieke allure verleent. Heesen biedt tevens een krachtige ode aan de (scheppende) kracht van verhalen, verteld aan de schaars verlichte keukentafel, of in de donkere paardenstal, verstopt onder de dekens. Julia brengt de geromantiseerde levensgeschiedenis van grootmoeder Momo tot leven; ze verzint en herschikt, schrapt en vult aan, tot Momo’s (fictieve?) biografie als het ware woord aanvoelt. Net als grootmoeder Momo bezit haar kleindochter immers de gave van het woord. Heesen biedt zo een interessante inkijk in Julia’s literaire bildung en toont overtuigend hoe haar verhalen evolueren van schuchtere vertellingen tot beklijvende portretten, zowel inhoudelijk als stilistisch. 
  
Bajaar vormt duidelijk een omwenteling in Heesens oeuvre. Weg zijn ze, de ontwapenend tobberige jongetjes met hun fascinerende kijk op het bestaan. Heesen ruilt ze in voor gedegen uitgewerkte psychologische portretten van een meisje op de rand van de adolescenten en haar eigenzinnige, wereldwijze grootmoeder. Hoewel haar karakteristieke stijl onmiskenbaar aanwezig is, durft de auteur vernieuwen, zijpaden betreden. De duidelijker geprononceerde maatschappelijk-historische context overtuigt door de impliciete benadering, waarbij schijnbaar toevallige gebeurtenissen en beschrijvingen de historische realiteit feilloos oproepen. Het resulteert in een rijkgeschakeerde roman die moeiteloos leeftijds- en genre-indicaties overstijgt en overtuigt als een strak vormgegeven familiekroniek, een authentiek historisch verhaal en een fascinerende coming-of-age, gelardeerd met een knap vormgegeven literaire bildung. 
  
Amsterdam : Querido, 2011, 124 p. ISBN 9789045112282
   
Oorspronkelijk verschenen in De Leeswelp 2011

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri