Vertaald proza

BOEKEN NR. 5, NOVEMBER 2015

Kamel Daoud: Moussa of de dood van een Arabier

door Jan Baes

Albert Camus heeft met zijn roman L’étranger (De vreemdeling) een even onaangedaan als indringend beeld geschetst van de zinloosheid van het bestaan, zoals die in de persoon van de sociale outcast, Meursault, tot uiting komt. Een vreemdeling in ons midden die, noch door het overlijden van zijn moeder, noch door zijn eigen veroordeling tot de doodstraf, wordt aangegrepen. Een veroordeling ingevolge de zinloze moord op een toevallige passant op het strand van Algiers. Een Arabier, die hij, na een voorafgaandelijk handgemeen, met vijf kogels had afgemaakt.
 
In de debuutroman van Kamel Daoud , Meursault, contre-enquête, vertaald als Moussa of de dood van een Arabier, krijgt de Arabier een naam en een verleden : de naam Moussa en een broer, Hoessein, die hem in een lange monoloog tot leven brengt, totdat dit door een kogel brutaal wordt afgebroken. Een stem ook, van Hoessein, die niet alleen het verhaal van zijn broer, maar ook het zijne vertelt aan een toevallige klant in een kroeg, net zoals we in La Chute, (De val)de laatste roman van Camus, het verhaal van Clarence aanhoren, die een meisje heeft laten verdrinken in de Seine; een bekentenis afgelegd in een kroeg in Amsterdam en een verklaring van onmacht, om wat hij heeft nagelaten te doen: haar, en meteen zijn eigen vrijheid redden.
 
Beide romans van Camus, de eerste en de laatste, vinden hun neerslag in Moussa of de dood van een Arabier, het even onbekende als onbeduidende slachtoffer uit De vreemdeling, waarvan men zelfs het lijk nooit heeft teruggevonden. ‘Grote god, hoe kun je iemand vermoorden en hem dan ook nog zijn dood afnemen ? Die kogel heeft toch mijn broer geraakt, niet hem ! Moussa, niet Meursault – nou dan?’ De Arabier, Moussa, die hier dan toch een menselijke gestalte krijgt aangemeten, maar door een broer die zich, op zijn beurt, zal gaan gedragen als Meursault en een al even zinloze, een zich van hemzelf vervreemdende moord op een vluchtende Fransman pleegt. (‘Daar zat hij, in de val tussen twee verhalen en een stel muren, met als enige uitweg mijn eigen verhaal, waarin hij volkomen kansloos was.’) Hoessein zal net als Clarence uit De val, zijn vrijheid (en verantwoordelijkheid) offeren op het altaar van de zinloosheid van het bestaan. Zijn verhaal zal net als dat van De vreemdeling ‘geschreven zijn door een lijk, niet door een schrijver’.
 
De wijze waarop Daoud in deze, uit meerdere lagen bestaande roman, feiten en fictie, verbeelding en realiteit tot een onverbreekbaar geheel kneedt, is indrukwekkend. De realiteit zou hem overigens snel achterhalen, eerst door zijn uiterst kritische visie op de onafhankelijkheidsstrijd en de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen sindsdien in Algerije, maar zeker door zijn uithaal naar het geloof en naar God (‘Er is niemand hier! Er is nooit iemand geweest! De moskee is leeg! Het is hier leeg!’) wat hem meteen een fatwa opleverde. Dat alles plaatst deze intens en met passie geschreven roman niet tegenover Camus, zoals men soms lijkt te denken, maar wel pal naast de schrijver van L’étranger die ons immers ook L’Homme révolté (De mens in opstand) schonk.

Amsterdam : Ambo /Anthos, 2015, 149 p. Oorspr. titel: Meursault, contre-enquête, vertaling: Manik Sarkar. ISBN 9789026332890 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri