Nederlands proza

Paul Claes: Plastic love

door Carl De Strycker

Elk van de romans van Paul Claes is gesitueerd in een welbepaalde historische context. Zijn vorige boek, De leeuwerik, speelde in de tijd van de troubadours, Sfinx in Wenen aan het einde van de negentiende eeuw en zijn meesterwerk De kameleon in de achttiende eeuw. Het zijn ook telkens pastiches: Lilly was een sentimentele meisjesroman, De kameleon een typisch achttiende-eeuws verhaal à la Les liaisons dangereuses. Die werkwijze komt voort uit een poëticale overweging: enerzijds gelooft Claes dat literatuur enkel bestaat bij gratie van de herhaling en herwerking van bestaande patronen en eerdere literatuur, anderzijds geeft hij daarmee aan dat hij elk literair (sub)genre beheerst en positioneert hij zich aldus als de meest complete auteur van zijn generatie, of tenminste toch als de meest wendbare. Ook in zijn tiende roman vinden we die beproefde strategie: Plastic love is een roman over de jaren zestig, een herschrijving van Lolita en tegelijk een parodie op de Vijftig tinten grijs-rage.
Hoofdpersonage is Herman. In de eerste scène zit hij, een jaar of drie oud, in de zandbak, met zijn mama in de buurt. Wanneer er een meisje opduikt dat met het zand ‘twee ronde bergjes’ maakt en hem uit de zandbak duwt, is de toon gezet. Dit is een roman over de verlokkingen van de vrouw, maar vooral over hoe dat Hermans ondergang wordt. Dat alles krijgt bovendien een oedipaal kader, want de scène eindigt als volgt: ‘Opeens staat mamma naast hem. Ze trekt hem mee en gaat weer op de bank zitten. Hij verstopt zijn kop in haar schoot. Zijn putje, zijn hutje.’
Tijdens de eerste honderd bladzijden zien we Herman opgroeien. Als puber voelt hij zich aangetrokken tot het dienstmeisje, wat hem op een verbod van zijn vader komt te staan. Met die vader speelt hij een langzame schaakpartij: elke dag een zet (let op de freudiaanse symboliek: de zoon die de vader tracht te (ver)slaan). Daaraan komt abrupt een einde wanneer de vader op dienstreis in het buitenland sterft. Wanneer Herman daarvan bericht krijgt en de onheilstijding wil melden aan zijn moeder, vindt hij haar vrijend op de bank met een andere man; een echte familieroman is Plastic love tot dan. Vervolgens is Herman student wiskunde aan de universiteit. Hij wordt in het studentenprotest van de jaren zestig meegezogen en ontmoet een studente geneeskunde met wie hij trouwt. Een paar jaar later is Herman leraar, het huwelijk met zijn vrouw loopt mank — zij wil een kind, hij blijkt onvruchtbaar — en allebei houden ze er een buitenechtelijke relatie met een collega op na. Tot hier toe was alles karaktertekening, context voor het echte drama dat nu pas goed op gang komt. Herman vindt een tekening op het bord waaruit blijkt dat iemand op de hoogte is van zijn relatie met z’n collega, niet veel later ontdekt hij ook een briefje achter zijn ruitenwisser. Al gauw blijkt dat zijn vijftienjarige leerlinge Cora hierachter zit. Hij spreekt met haar af en dat wordt een amour fou (in het Engels: plastic love). Ze beleven heerlijke erotische avonturen en bereiden samen een geheime reis voor, maar dan blijkt iemand te weten van deze gevaarlijke verhouding. Wanneer Herman de sportleraar opzoekt die hem probeert te chanteren en hij daar ook Cora aantreft, wordt duidelijk dat dit Cora’s voogd is. Herman lijkt in de val gelokt, maar de sportleraar blijkt ook niet ongevoelig te zijn geweest voor het pubermeisje… Dan loopt het uit de hand. Zo erg dat Herman met Cora naar het buitenland moet vluchten. Wat een idyllische trip moest worden, wat het paradijs had moeten zijn (nooit eerder was Herman dichter bij het ideaal ‘mijn putje, mijn hutje’), draait uiteindelijk uit op een nachtmerrie. Resten heel wat gewetensvragen: is Hermans liefde voor Cora echt onwelvoeglijk, wetende dat dit ware, wederzijdse liefde is? Is hij haar redder geweest of juist niet? Is de alles verzengende liefde überhaupt mogelijk (zie het motto: ‘Sans elle je n’ai rien, avec elle j’aurais tout.’)? En is het najagen daarvan niet dodelijk — letterlijk en figuurlijk?
Over the top? Schematisch? Jazeker, maar dat past binnen Claes’ literatuuropvatting. Wat knap is aan zijn romans, en wat hem met elke boek ook beter lukt, is dat je ze op twee niveaus kan lezen. De argeloze lezer zal genieten van het spannende verhaal dat niet moet onderdoen voor de betere soapserie, inclusief de vele hitsige seksscènes. Wie kennis heeft van literaire conventies, geniet echter van de vele verwijzingen die Claes in zijn boek verstopt. Soms zijn die deel van de setting (Herman rijdt uiteraard met een DS, de iconische jaren-zestigwagen — zie Roland Barthes), op andere momenten zijn ze vooral grappig. In deze roman wordt wel vaker geconverseerd met boektitels of popliedjes: ‘reis naar het einde van de nacht’, het gesprek uit Meat Love’s ‘Paradise by the dashbord light’ (‘Do you love me? Will you love me forever? Do you need me? Will you never leave me’), met daarin de dubbelzinnige regel ‘let me sleep on it’ (laat me er een nachtje over slapen, maar ook: laat me het/haar beslapen), of ‘België’ van Het goede doel. Dat soort spelletjes zijn het literaire pendant van de seksspelletjes op verhaalniveau. Net zoals die de personages doen gillen van genot, doen ze de lezer kirren van plezier. Dat is meteen het verschil met de Vijftig tinten grijs-achtige boeken. Claes’ erotische roman is vooral ook om de literaire techniek genietbaar.

Paul Claes, Plastic love, De Bezige Bij Amsterdam, 2013, 236 p., € 17,9. ISBN 9789023485315. Distributie: WPG Uitgevers

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswolf 2013

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri