Vertaald proza

Yannick Grannec: De godin van de kleine overwinningen

door Jan Baes

'De som van verspilde beetjes tijd en andermans vertragingen is gelijk aan een verloren leven', bedenkt de 28-jarige Anna Roth, documentaliste bij het Institute for Advanced Study (IAS), wanneer ze voor de zoveelste keer in de gang van bejaardentehuis Pine Run zit te wachten tot Adèle Porkert, weduwe Gödel, terugkeert van een behandeling of een animatie. Ze tracht daar de 'Nachlass', het archief van het wiskundige genie Kurt Gödel, veilig te stellen. Het wetenschappelijke topinstituut in Princeton is immers bang dat de tegendraadse vrouw de papieren zal doen verdwijnen of aan een andere universiteit overmaken. Omdat Anna het 'Gabelsbergersteno' beheerst en heel wat teksten van de wiskundige in die schrijfwijze werden genoteerd, zal zij zich met de inventarisering ervan bezig houden. Maar de eerste horde die zij moet nemen, is het archief daadwerkelijk verkijgen.
Het blijkt geen sinecure om de balsturige en cynische oude dame te benaderen, laat staan tot een vertrouwensrelatie te komen. Bezoek na bezoek begint het ijs echter te breken — mede dankzij een af en toe binnengesmokkelde fles Bourbon-whiskey. Adèle ontdooit en begint te vertellen over haar leven met Kurtele, zoals zij Gödel noemt. Een bijzonder zwaar parcours aan de zijde van een egocentrisch mens en een maniakale perfectionist wiens enige bekommernis ligt in het oplossen van wiskundige problemen zoals de verzamelingenleer, het ontstaan van de onvolledigheidstelling en het bestaan van meerdere en grotere oneindigheden. Gedurende hun vijftigjarig jaar samenzijn zou de uiterst fragiele persoonlijkheid van Kurt, die een ware hypochonder was, meer en meer last krijgen van psychotische stoornissen, achtervolgingswaan en een stijgende angst om vergiftigd te worden.
Toch begint Adèles verhaal eerder als een sprookje, wanneer op een zekere avond in 1928 de jonge en elegant geklede student wiskunde — lid van de beroemde wetenschappelijke discussiegroep Wiener Kreis — een nachtclub bezoekt en verliefd wordt op een van de danseressen van 'Nachtfalter' ('Hij viel voor mijn benen, maar bleef bij me voor mijn eclatante onwetendheid'). Tegen de zin van zijn moeder, die haar 'Kleine Herr Warum' dreigt te verliezen, gaat hij met de iets oudere, gescheiden Adèle samenwonen, en zal hij, tien jaar later — kort na de Anschluss in 1938 — ook met haar trouwen. Onder de toenemende repressie van de nazi's verlaten steeds meer wetenschappers het land, vooral joodse. En ook Adèle en Kurt zullen, nadat hij van zijn leeropdracht is ontheven, eveneens — en maar net op tijd overigens — uit Wenen kunnen vluchten, op weg naar de Verenigde Staten, waar hij enkele jaren voordien al een reeks opgemerkte lezingen gaf.
In Princeton wordt hij, als de man die de formele logica tot zijn uiterste consequenties heeft doorgevoerd, met open armen ontvangen. Te midden van andere wetenschappelijke hoogvliegers (Pauli, Morgenstern, Oppenheimer, Von Neumann...) klikt het vooral met Einstein ('Ik ga alleen nog naar mijn kantoor om het voorrecht te hebben met Kurt Gödel naar huis te wandelen.'). Ondanks de eerdere argwaan waarmee alle Duitstalige ingezetenen te maken kregen, krijgt hij in 1947 — te midden van het gestook van communistenjager senator McCarthy — toch het staatsburgerschap en later ook een vaste benoeming aan het IAS. Ondanks het feit dat ze geen materiële zorgen meer hebben, wordt het leven voor Adèle een hel. Kurt trekt zich stelselmatig terug uit het sociale leven, maakt steeds meer ruzie en weigert uit argwaan dikwijls te eten. Hij zal uiteindelijk in 1978 — tijdens de opname van Adèle in een ziekenhuis — overlijden aan de gevolgen van anorexia ('Zonder haar deed hij niets om in leven te blijven').
De herinneringen van Adèle worden afgewisseld met het verhaal van de moeizame relatie tussen haar en de onzekere Anna Roth, die steeds meer gaat twijfelen aan het succes van haar opdracht. Het portret dat we daarbij van de jonge documentaliste krijgen, is nogal mager en er te duidelijk aan toegevoegd om het romanaspect te rechtvaardigen. Blijft het feit — door de auteur in een commentaar benadrukt — dat zij getracht heeft alle biografische, historische en wetenschappelijke gegevens zo zorgvuldig mogelijk weer te geven ('een vlechtwerk van objectieve feiten en subjectieve waarschijnlijkheden'), met de vermelding van alle dichterlijke vrijheden die ze genomen heeft en van alle verzonnen passages en personages. Die nogal oppervlakkige inbreng maakt echter, samen met de wat protserig aandoende wiskundige disputen, nooit wezenlijk deel uit van het dieptragische verhaal van het echtpaar Gödel en doet al bij al kunstmatig aan. Geen literaire hoogvlieger dus — in tegenstelling tot bijvoorbeeld Paolo Giordano’s De eenzaamheid van de priemgetallen, waarin de wiskundige aspecten organisch deel uitmaken van de handeling — maar een vlot geschreven, intelligente en soms ook geestige roman die de lezer tot het einde blijft aanspreken, vooral dan in het verhaal van het echtpaar Gödel.

Yannick Grannec, De godin van de kleine overwinningen, De Arbeiderspers Utrecht, 2013, 414 p., € 22,95. ISBN 9789029588409. Vert. van: La déesse des petites victoires door Marijke Arijs. Distributie: WPG Uitgevers

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswolf 2013

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri