Vertaald proza

Franz Fühmann: De jodenauto

door Jan Baes

‘Het moet zich rond 15 september 1938 hebben afgespeeld, in de tijd dat we op de Duitse radio drie keer per dag de afgrijselijkste verslagen hoorden over de bloedige terreur van het Tsjechisch-Joods-marxistische moordenaarstuig tegen de vreedzame Sudeten-Duitse bevolking.’ Aan het woord is Franz Fühmann (1922-1984) uit Sudetenland, die pas zestien is geworden en al van zijn vroege jeugd totaal beïnvloed is door fascistische propaganda. Zoals de meerderheid van de Duitstalige bevolking verwelkomt hij de inval in Tsjechoslovakije door de Wehrmacht, die als bevrijders worden bejubeld: ‘en we schreeuwden Heil en nog eens Heil, en onze ogen schoten vol tranen’. Ondanks het feit dat ook zijn vurigste aanhangers ervan overtuigd zijn dat Hitler absoluut geen oorlog wil en alleen maar die gebieden annexeert die Duitsland bij rechte toekomen, begrijpt het volk dat hij in 1939 geen andere keuze meer heeft dan oorlog. Zeker als die hem door Frankrijk en Engeland wordt opgedrongen. Hij moet immers wel optreden na ‘de Poolse gruweldaden tegen de weerloze Duitse broeders en zusters in de Warthegouw’. ‘Het volk wist immers’, bedenkt de jonge Franz, ‘wat gruweldaden tegen weerloze Duitsers waren. Ooit hadden we die zelf meegemaakt. Ik dacht aan de wegversperringen op de markt van Reichenberg en aan de grens waar de douanier onze sigaretten had gestolen en aan alle bloedige daden waarover we op de Duitse radio hadden gehoord’. Of hoe tot in den treure herhaalde leugenachtige propaganda tot hersenspoeling leidt, ook bij degenen die ogen en oren hebben om het tegenovergestelde te zien en te horen. Het begint al heel vroeg. Zoals wanneer de negenjarige Franz te horen krijgt dat Joden op jacht gaan naar christenmeisjes om ze af te slachten en met het bloed hun Heilig brood te bakken. Kort daarop meent hij in een paniekstemming vier Joden met messen tussen de tanden te zien die hem in een gele auto achterna zitten. Als achteraf blijkt dat hij het zich verbeeld heeft, doet dat niets ter zake. Joden, vrijmetselaars en communisten zijn erop uit onschuldige mensen te vermoorden en de wereld te vernietigen. Alleen zijn held, Hitler, kan en zal daar een dam tegen opwerpen.
Fühmann wordt op zijn zeventiende lid van de Sturmabteilung en doet als de oorlog uitbreekt dienst in het oosten, eerst bij de Rijksarbeidsdienst, later bij de Wehrmacht. Als telexist bij de verbindingstroepen van de Luftwaffe in Kiev ontsnapt hij aan frontdienst. Na Stalingrad wordt hij als codespecialist naar Athene versast. Bij de terugtocht uit de Balkan raakt hij gewond en na een kort herstelverlof vervoegt hij het front dat in 1945 in complete chaos is verzonken. Fühmann wordt krijgsgevangene gemaakt en afgevoerd naar Rusland, waar hij in de ban raakt van het communisme. Hij wordt socialist en zal na zijn vrijlating in 1949 de DDR vervoegen. Van de ene hersenspoeling naar de andere dus.
Fühmanns getuigenis is zonder twijfel oprecht, zeker wat betreft zijn oorlogservaringen. Opvallend is wel dat hij niet lang blijft stilstaan bij de Duitse wreedheden waarmee ook hij soms in aanraking komt. Maar het blijft vooral vreemd om het kritiekloze verslag van zijn gevangenschap en zijn terugkeer naar Duitsland te lezen. Alsof hij van zijn eerdere ervaringen niet veel heeft opgestoken. Desondanks blijft het verhaal indrukwekkend. Twaalf van de veertien losse hoofdstukken, die telkens rondom een bepaalde gebeurtenis draaien, zijn niet alleen qua inhoud maar ook qua vorm knappe evocaties van een leven in de ban van de nazi’s. Enkele hoogtepunten: de vreugde-uitbarsting bij de zogenaamde bevrijding van Sudetenland, de vervanging van een gebroken verbindingskabel in Kiev (een van de zeldzame keren waarbij gewag wordt gemaakt van het barbaarse optreden van de Duitsers tegenover de bevolking), en de burleske scène wanneer na de mislukte aanslag op Hitler alle adellijke bevelvoerders en officieren stante pede per telex hem hun eeuwige trouw willen betuigen. Het pleit voor Fühmann dat hij later ook de totalitaire aard van het DDR-regime zou doorzien en aan een scherpe kritiek zou onderwerpen, zoals onder meer blijkt uit zijn briefwisseling met Christa Wolf (Monsieur – wir finden uns wieder: Briefe 1968-1984, Berlin 1995).

Franz Fühmann, De jodenauto, Lebowski Amsterdam, 2014, 219 p., € 19,95. ISBN 9789048819713. Vert. van: Das Judenauto : Vierzehn Tage aus zwei Jahrzehnten door Lucienne Pruijs. Distributie: Agora Uitgeverscentrum

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswolf 2014

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri