Vertaald proza

Milan Kundera: Het feest der onbeduidendheid

door Francis Mus

EEN AANSTEKELIJKE LACH
Milan Kundera: Het feest der onbeduidendheid
Voor Roberto Calasso

Met het langverwachte Het feest der onbeduidendheid (zijn vorige roman Onwetendheid dateert van 2001) lijkt de inmiddels 85-jarige Milan Kundera zijn lezers uit te dagen. Reeds in de titel steekt hij een waarschuwende vinger op. Enkele jaren terug gaf hij al te kennen dat het een ‘oude esthetische droom’ was om een roman te schrijven waarin geen enkel woord serieus zou zijn. Wie uit is op een reeks uitgewerkte bespiegelingen zoals in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, het cultboek dat exact dertig jaar geleden menig adolescentenhart beroerde, zal teleurgesteld zijn. De nieuwe roman is beknopt, weerbarstig, bevreemdend.
Kundera doet er nochtans alles aan om zijn boeken hapklaar te serveren. In vier boeiende essays heeft hij zijn visie op zijn werk en op de romankunst uit de doeken gedaan. De betoogtrant is meeslepend maar onderhuids lijkt telkens wrevel schuil te gaan, een frustratie veroorzaakt door politieke of taalkundige interpretaties van zijn werk. Geregeld worden zijn romans gelezen als de uitdrukking van zijn houding ten opzichte van het communisme in zijn geboorteland Tsjechië, terwijl hij op andere momenten geportretteerd wordt als de ontheemde schrijver die ronddwaalt tussen het Tsjechisch en het Frans. Sinds hij die eerste taal in de jaren tachtig inruilde voor de laatste, is Kundera’s stijl glashelder en blijven zijn romans vrij kort. In De kunst van de roman (1986) verduidelijkte hij dat elk woord betekenisvol moet zijn, net zoals in de muzikale polyfonie ‘alleen de noot die iets essentieels te vertellen heeft, bestaansrecht heeft’. Het feest der onbeduidendheid verschilt in dat opzicht in niets van de drie voorgaande Franse romans: de tekst beslaat nauwelijks 140 bladzijden en is netjes opgedeeld in zeven delen en 45 korte paragrafen.
Zoals Albert Camus stelde dat het leven geen zin heeft maar wel de moeite waard is om geleefd te worden, zo zou Het feest der onbeduidendheid gelezen kunnen worden als een roman waarin het bestaan van de personages betekenisloos blijft, maar nooit waardeloos wordt. Het wordt ‘een feest der onbeduidendheid’, zoals de auteur het contradictorisch en provocerend noemt. Zo is er Alain, die nadenkt over de navel als erotisch middelpunt van het lichaam, Ramon, die de lange rij bezoekers voor een tentoonstelling over Chagall ontvlucht, Charles, die een toneelstuk voor het marionettentheater wil schrijven en de voormalige acteur Caliban, die volhardt in zijn nep-Pakistaans. Hun levens kruisen elkaar onophoudelijk, net zoals feestgangers zich willekeurig langs en door elkaar bewegen.
Kundera houdt vast aan zijn beroepstitel van romancier. De originaliteit van de ware romankunst bestaat voor hem in de gelijktijdige én gelijkwaardige afwisseling van ‘stemmen’ — personages, thema’s of zelfs stijlen. Op die manier kan de romancier, in tegenstelling tot de historicus of filosoof, zich een ‘verkenner van het bestaan’ noemen: alle mogelijke werelden en betekenissen kan hij in hun ambiguïteit laten zien. Iedere roman, elke ‘romaneske bespiegeling’, is voor Kundera één lang onderzoek naar een thema dat hij in de titel aangeeft: ‘de grap’, ‘het boek van de lach en de vergetelheid’, ‘de ondraaglijke lichtheid van het bestaan’, ‘onwetendheid’, ‘identiteit’ enzovoort. Het thema van Kundera’s laatste is dus duidelijk: een verkenning van de onbeduidendheid van het bestaan.
Zoals binnen de roman de ene stem niet luider klinkt dan de andere, zo zouden alle romans van Kundera zich op dezelfde manier tot elkaar verhouden. Volgens François Ricard, officiële bezorger van Kundera’s oeuvre, zou er daarom nauwelijks sprake zijn van een heldere evolutie, of van een vroege of late periode. Het is inderdaad opvallend hoe dezelfde onderwerpen terugkeren. Toch is het verleidelijk om in Het feest der onbeduidendheid een ‘ultiem’ werk te zien, een sluitstuk van een bijna veertig jaar lange schrijversloopbaan. Vaak heeft Kundera namelijk het belang onderstreept van die onbeduidendheid van het bestaan. In Het doek, een essay uit 2005, roemt hij Laurence Sternes bekendste roman Tristram Shandy wegens de ‘schokkende onbeduidendheid van de onderwerpen die hij behandelde.’ Kundera verduidelijkt waarom dit net de kwaliteit van Sterne uitmaakt: ‘Zijn grote, dramatische handelingen werkelijk de beste sleutel om de “menselijke natuur” te begrijpen? Vormen ze niet eerder een barrière die het werkelijke leven aan het zicht onttrekt? Is onbeduidendheid niet juist een van onze grootste problemen? Is ze niet ons lot? En zo ja, is dat lot een geluk of ongeluk? Een vernedering, of juist een verlichting, een ontsnapping, een idylle, een toevlucht?’ Even verderop geeft hij aan hoe die vragen beantwoord kunnen worden: ‘de roman heeft als enige de onmetelijke, raadselachtige macht van het onbeduidende kunnen ontdekken’. Anna Karenina dient als voorbeeld: haar zelfmoord op het einde van Tolstoj's roman werd niet ingegeven door een tragische aaneenschakeling van gebeurtenissen, maar was een beslissing die haar plots, in een onbeduidend moment, werd ingegeven. Meer niet.
Ook Het feest der onbeduidendheid opent met ingrijpende gebeurtenissen. Alain reflecteert over de navel als levensbegin en seksueel symbool, D’Ardelo vreest met kanker gediagnosticeerd te worden, de moeder van Alain erkent dat ze een ongewenst kind op de wereld heeft gezet, en La Franck moet het overlijden van haar man verwerken. Zowel in de handelingen als in de verklaringen van zijn personages beantwoordt Kundera de vragen die hij zich in 2005 stelde. De onbeduidendheid werkt niet deprimerend maar bevrijdend. Wie erin slaagt om een resolute gelatenheid ten aanzien van zichzelf en de wereld vol te houden, voelt zich als herboren. Wie alles en iedereen op zichzelf betrekt en in de wereld de weerspiegeling van de eigen persoon ziet, cultiveert een tegengesteld ideaal, het narcisme. In het eerste deel van het boek speelt Kundera twee personages uit die deze ingesteldheden belichamen: D’Ardelo is een narcist terwijl Quaqelique de onbeduidendheid heeft aanvaard.
Dertig jaar geleden stelde Kundera een miniwoordenboek samen waarin hij de voornaamste begrippen uit zijn oeuvre toelichtte, waaronder ‘het komische’. Zijn definitie is relevant voor Het feest der onbeduidendheid: ‘door ons de fraaie illusie van de menselijke grootsheid te schenken, biedt het tragische ons troost. Het komische is veel wreder: het onthult meedogenloos de onbeduidendheid van alles.’ Inderdaad: wanneer de moeder van Alain oog in oog komt te staan met de dood, ervaart ze plots een direct contact met de wereld, die haar met een ‘ongastvrij gezicht’ aankijkt.
Toch wordt er veel en gevarieerd gelachen in Kundera’s nieuwste roman. Het komische valt niet te begrijpen als ‘iets grappigs’, zoals de pointe van een mop die aanleiding geeft tot lachen, maar als een eigenschap van de ons omringende wereld, de relativiteit van de betekenis die we toekennen aan alles en iedereen. Wat Kundera’s personages onderscheidt, is dat sommigen al tot dat besef gekomen zijn, en anderen nog niet: het zijn ‘lyrische’ personages, narcisten of ‘agelasten’ die het komische aspect van de werkelijkheid niet (willen) zien. Dat thema is niet nieuw: in de filosofie benoemde Heidegger het als existentiële verveling, terwijl Kafka’s romans dat inzicht onophoudelijk illustreren.
Kundera gaat een stap verder wanneer hij zich via zijn personages openlijk afvraagt hoe met dat ondraaglijke gevoel moet worden omgegaan. In heel wat van zijn romans lijkt het cynisme de boventoon te voeren. Op het eerste gezicht lijkt dat ook de teneur te zijn in Het feest der onbeduidendheid: een radicale gelatenheid, een grijnslach naar die betekenisloze wereld, een uitnodiging tot een levensstijl waarin feest en genot de boventoon voeren. Zo wordt het verjaardagspartijtje van D’Ardelo uitvoerig beschreven, maakt Stalin zijn opwachting als personage tijdens een groots feest, en is er op het einde van de roman een kinderpartijtje aan de gang.
Uit de tekst spreekt een zekere gelatenheid, maar er is meer aan de hand. De auteur formuleert een impliciete maar actuele kritiek op zij die het komische niet meer willen, kunnen of durven herkennen en daarom vervallen in fundamentalisme en apathie. De humor, zo schreef Kundera in 1993, laat immers zien dat de mens een diepgaand onvermogen heeft om over de ander te oordelen. Het feest der onbeduidendheid is een onverholen zoektocht naar wat er nog rest aan positiviteit in de wereld. Na de voorstelling van zijn personages Alain, Ramon, Charles en Caliban treedt de verteller naar voor en bekent kleur: hij erkent zijn ontnuchterende visie op mens en wereld. Hij voegt er meteen aan toe dat er voor de ongelovige die hij is nog één woord ‘heilig’ is: de vriendschap. Het contrast tussen de onverschillige wereld en de innige vriendschapsbanden tussen de personages — en vaak ook tussen de korte paragrafen — is opvallend. Zou Het feest der onbeduidendheid ook een ode aan de vriendschap kunnen zijn?
André Breton schreef ooit een vlammende kritiek op een recensent die de verbeeldingswereld van de symbolistische dichter Saint-Pol-Roux wilde ontcijferen door een aantal beelden in diens werk voorgoed te verklaren: ‘‘Kristallen uiers’ wil zeggen: ‘een karaf’. Nee, meneer, niet ‘wil zeggen’. Wees er maar zeker van dat hetgeen Saint-Pol-Roux heeft willen zeggen, dat ook gezegd heeft.’ Bij Kundera is het net zo. Herhaaldelijk heeft hij ervoor gewaarschuwd een romancier te herleiden tot een vertaler of illustrator van esthetische of filosofische ideeën. Door zijn ongebreidelde vrijheid kan de romancier een gedachte- en verbeeldingswereld oproepen die nooit eenduidig wordt, en die de werkelijkheid dus nooit onrecht zal aandoen. Hij kan historische periodes door elkaar laten lopen (in Het feest der onbeduidendheid maakt Stalin zijn opwachting in het Parijs van vandaag), zijn verbeelding hoeft geen grenzen te kennen (moppen, anekdotes, theaterspelen, dromen maken deel uit van de vertelling), en allerlei genres worden gemengd (proza, filosofisch essay, divertissement).
Op het eerste gezicht lijkt Het feest der onbeduidendheid een uitgepuurde tekst, ontdaan van emotie, herleid tot een speelse afwisseling van een aantal taferelen. Een te grote nadruk leggen op onbeduidendheid of humor kan tot een verschraalde lectuur leiden van Kundera’s nieuwste roman, die gelukkig onhoudbaar verder meandert. De denkende en de vertellende stem zijn onlosmakelijk met elkaar verweven: het verhaal is nooit onschuldig, de gedachte nooit eenduidig. Kundera is ervan overtuigd dat het mysterie van de menselijke omgang onmogelijk in woorden te vatten is. In Het feest der onbeduidendheid beschouwt hij dat gegeven niet als een nederlaag maar bekijkt hij het met een geamuseerde blik en een schalkse lach, die hopelijk aanstekelijk werkt.

Milan Kundera, Het feest der onbeduidendheid, Ambo /Anthos Amsterdam, 2014, 106 p., € 14,99. ISBN 9789026328190. Vert. van: La fête de l'insignifiance door Martin De Haan. Distributie: Veen Bosch en Keuning

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswolf 2014

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri