Vertaald proza

Pierre Lemaitre: Tot ziens daarboven

door Elien Van Wynsberghe

Pierre Lemaitre mocht in november 2013 voor zijn oorlogsroman Tot ziens daarboven (Au revoir là-haut) de Prix Goncourt, de meest prestigieuze prijs binnen de Franse literatuur, in ontvangst nemen. Lemaitre debuteerde in 2006 als thrillerauteur en heeft bekroonde titels als Bruidsjurk (2010) en Rollenspel (2011) op zijn palmares staan. Verder is hij ook scenarist. Met Tot ziens daarboven schreef hij een meesterwerk, waarmee hij heel wat lezers wist te bekoren. Zo zei jurylid Bernard Pivot de adembenemende, cinematografische schrijfstijl van Lemaitre enorm te waarderen: ‘De manier waarop Lemaitre zijn tijd neemt om een gebaar of actie uit de doeken te doen, maar toch gebruik weet te maken van flitsende beschrijvingen, is bewonderenswaardig’, klonk het. Pivot overdreef geenszins.

Ongekende kracht

Tot ziens daarboven opent met een ongekende kracht. De Eerste Wereldoorlog is bijna ten einde. Het is november 1918, tien dagen voor de wapenstilstand een feit is. Soldaat Albert Maillard voelt net als de andere soldaten het einde van de oorlog naderen en wil deze het liefst afwachten, rustig tussen zijn spullen, ‘met roken en brieven schrijven’. Want ‘als laatste doodgaan […] is hetzelfde als als eerste doodgaan, lulliger bestaat niet’. Maar dat is buiten luitenant Henri d’Aulnay-Pradelle gerekend, die nog een laatste offensief tegen de Duitsers wil uitvoeren om zo naam en faam te maken binnen het Franse leger. Hij stuurt de oudste en de jongste soldaat uit op verkenning, schiet hen vervolgens zelf neer om op deze manier verontwaardiging op te wekken bij de rest van zijn divisie, die daarop de aanval inzet. Albert ontdekt dit, maar Pradelle is hem te snel af. Tijdens de aanval duwt Pradelle Albert in een gat, een granaattrechter, en begraaft hem vervolgens levend door de boel te laten ontploffen.
Meteen grijpt Lemaitre zijn lezers bij de keel en laat hen niet meer los. Hij kent zijn roman extra karakter toe door gedurende het hele verhaal, maar zeker in dit eerste hoofdstuk — want wat hierboven beschreven is, gebeurt allemaal binnen een tijdspanne van enkele bladzijden — gebruik te maken van zwarte humor. Zo ook wanneer Albert beseft wat hem overkomen is en hij zich onder de grond naast een ontbindende paardenkop bevindt: ‘Hij moet dit klotegat uit! brult hij tegen zichzelf. Op een dag doodgaan, oké, maar niet nu, nee, dat zou al te stom zijn. […] Hij staat even stil bij de treurige conclusie: de moffen proberen hem al vier jaar te doden, maar ze zijn er niet in geslaagd en nu is het een Franse officier die het doet. Verdomme.’ Om ten slotte, na de helse doodstrijd van Albert te besluiten: ‘Albert Maillard, soldaat, is zojuist gestorven.’
Of niet? Lemaitre zette ons geslaagd op het verkeerde been. Albert wordt gered door Edouard Péricourt die hem uit het gat trekt, vervolgens zo hard op zijn borst duwt dat hij weer begint te ademen, maar tijdens deze heldendaad zelf slachtoffer wordt: een granaatscherf treft hem recht in het gezicht. De scherf heeft ‘zijn hele gezicht weggeslagen, er gaapt een leegte onder zijn neus, dat is zijn keel. Alleen zijn gehemelte en zijn boventanden welven zich boven een magma van scharlakenrood vlees met achterin iets wat zijn stemspleet moet zijn, hij heeft geen tong meer, zijn luchtpijp is een rood en vochtig gat…’. In gedetailleerde en morbide beschrijvingen als deze laat Lemaitre zijn voorliefde voor cinematografie de vrije loop. Hij wordt hierbij vaak zodanig plastisch dat de lezer werkelijk de geur van rottend vlees kan ruiken. Lemaitre wil zijn lezers het verhaal doen leven, aan de zijde van zijn personages.

De ruïnes van de Grote Oorlog

Dan is de oorlog ten einde, de drie protagonisten zijn voorgesteld en Lemaitre gaat verder. Want met het einde van de oorlog stopt de ellende niet. Hij brengt het aandoenlijke relaas van Albert die na zijn demobilisatie, volledig berooid, zijn leven opnieuw tracht op te bouwen in een Frankrijk dat de oorlog zo snel mogelijk wil vergeten en hem, net zoals zo vele gedemobiliseerden — gekwetst en getraumatiseerd — buitensluit uit de maatschappij. Eveneens vertelt hij het armzalige lot van Edouard met zijn ‘gueule cassée’. Nadat hij uit het ziekenhuis ontslagen is, wil Edouard niet naar huis terug. Hij weigert een gezichtstransplantatie en is werkelijk niet om aan te zien. Albert helpt hem aan een nieuwe identiteit en meldt Edouard Péricourt dood bij diens fortuinlijke familie. Zijn zus Madeleine laat zich echter niet afschepen en wil haar broer in de familietombe begraven. Zo komt ze in contact met Pradelle, met wie ze zal trouwen. Stilaan raken de lotgevallen van de hoofdpersonages opnieuw met elkaar verweven.
Met Pradelle laat Lemaitre de keerzijde van de medaille zien. De man is nog steeds even malafide en tracht profijt te slaan uit de ontelbare doden die de Grote Oorlog heeft geëist. Hij richt een bedrijfje op dat de soldatenlijken ruimt uit de akkers en ze onderbrengt op militaire kerkhoven. Hier hoopt hij miljoenen mee te verdienen. Pradelle wordt zo een personage dat van het begin tot het einde haatgevoelens opwekt vanwege zijn verziekte karakter. Lemaitre buit de mythe van de schurk dermate uit dat er in Pradelles geval geen grijszone meer bestaat. Hij is intrinsiek slecht. Punt.
Pradelle is echter niet de enige die een markt ziet in de catastrofale naoorlogse omstandigheden. Ook Albert en Edouard ontdekken mogelijkheden, want hun miserabele situatie — ze leven met zijn tweeën in een krocht, Edouard is morfineverslaafd, en Albert doet er alles aan om in die behoefte van zijn makker te voorzien — kan niet blijven duren. Edouard, die in zijn vorig leven kunstenaar was, ontwerpt een catalogus met fictieve oorlogsmonumenten, die ze naar duizenden Fransen rondsturen. Met de voorschotten die ze ontvangen op de verkochte monumenten willen hij en Albert onderduiken. De ontwerpen komen echter ook bij vader Péricourt terecht, met wie Edouard jarenlang in de clinch lag, maar die nu rouwt om de dood van zijn zoon.
Uiteindelijk vallen de verschillende verhaallijnen samen. Lemaitre weet de spanning dermate op te drijven dat het nagelbijten is tot de laatste bladzijde, de verdienste van een bekwaam thrillerauteur. Tot ziens daarboven biedt een magistrale fresco van het naoorlogse Frankrijk waarin fraudeurs zegevieren en kapitalisten munt slaan uit de ruïnes van de Grote Oorlog.

Schelmenroman

Lemaitres fascinatie voor de Eerste Wereldoorlog dateert al van in zijn jeugd, toen hij op zeventienjarige leeftijd die andere meesterlijke Franse roman las over de Grote Oorlog: Les croix de bois van Roland Dorgelès. (De roman leverde Dorgelès eveneens een nominatie voor de Prix Gongourt op, maar hij moest het afleggen tegen Marcel Prousts A l’ombre des jeunes filles en fleurs). Les crois de bois heeft Lemaitre naar eigen zeggen erg aangegrepen en geïnspireerd, want de emoties uit deze roman uit 1919 zijn intact gebleven. De zeventienjarige Lemaitre identificeerde zich met de soldaten die op extreem jonge leeftijd gedwongen werden naar het front te trekken.
Lemaitre noemt Tot ziens daarboven zelf geen historische roman. Zijn doel was niet de geschiedenis te reproduceren, maar een waarheid bloot te leggen door middel van fictie en dat met de vrijheid die een romancier geniet. Hij spreekt van een ‘schelmenroman’, een verhaal van een verschoppeling, die aan de rand van de maatschappij leeft. In dit geval is dat Albert Maillard, goedaardig van karakter maar gedwongen tot wandaden door het onrecht dat de samenleving hem aandoet. In feite is Albert een antiheld en dat blijkt ook uit zijn karakteromschrijving: ‘Albert Maillard. Hij was een slanke jongen met een enigszins traag, bescheiden karakter. […] Vóór de oorlog was hij kassier in een filiaal van de Banque de l’Union parisienne. Het werk beviel hem niet erg, hij bleef er alleen vanwege zijn moeder. […] Zijn hele leven heeft Albert nooit ergens in geloofd en vanwege de pech die hem overkomt zal hij heus niet ergens in gaan geloven’. De antiheld gaat uiteindelijk tegen zijn natuur in. Zo wordt hij een personage dat permanent de strijd voert met zijn eigen waarden.
En dan is er dat tweede, uitzonderlijk intrigerend personage dat Lemaitre prachtig wist neer te zetten: Edouard, een kunstenaar zonder gezicht. Hem kende de auteur een symbolische rol toe, het personage dat na de oorlog niet meer was, niet meer kon zijn. Letterlijk, want hij verloor zowel zijn gezicht als zijn identiteit. Hij werd beroofd van elke representatie van zichzelf, kan zichzelf niet meer zien, niet meer herkennen. Daardoor is hij niemand meer. Een lot dat vele soldaten na het einde van de oorlog was toegedaan. Ook de tragische relatie tussen Edouard en vader Péricourt wordt op een treffende manier uit de doeken gedaan. Na jaren hun eigen ‘Grote Oorlog’ te hebben gevoerd, zullen de twee elkaar uiteindelijk naar de verlossing leiden. Lemaitre voorziet met zulke intriges zijn roman van een prachtige gelaagdheid.
Dat Tot ziens daarboven met de Prix Goncourt bekroond werd, mag dus geen verrassing heten. Natuurlijk is het moment van uitgave tactisch, wat sommige critici de wenkbrauwen deed fronsen en deed veronderstellen dat Lemaitre naast de prijs zou hebben gegrepen als het boek enkele jaren eerder was uitgebracht. Dat neemt niet weg dat Tot ziens daarboven op een uitzonderlijk treffende wijze en met filmische kracht is geschreven. ‘On croit mourir pour la patrie, on meurt pour des industriels’, merkte Anatole France in de jaren twintig van de vorige eeuw op, nadat de zwendel waarop Lemaitre de verhaallijn van Pradelle baseerde, aan het licht kwam. Laten we dat als de kernboodschap van dit meesterwerk beschouwen. Maar ook de onvoorwaardelijke vriendschap van twee soldaten, die door de oorlog gedwongen worden tot zielsverwantschap, de dieperliggende waarheden over de uitersten van de menselijke natuur en de ontluistering telkens wanneer die worden onthuld, maken dat deze ontroerende roman blijft nazinderen.


Pierre Lemaitre, Tot ziens daarboven, Xander Amsterdam, 2014, 479 p., € 22,5. ISBN 9789401601931. Vert. van: Au revoir là-haut door Liesbeth Van Nes. Distributie: L&M Books

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswolf 2014

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Couperus in de Oriënt

José Buschman

De buurjongen

Jan Siebelink

Het verkoolde alfabet

Paul de Wispelaere

The night

Rodrigo Blanco Calderón

Werk werk werk

Christophe Van Gerrewey

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Een nacht op het strand

Elena Ferrante, Mara Cerri (ill.)

Het bos slaapt

Rébecca Dautremer

Optimisme is dodelijk

Susin Nielsen

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri