Nederlands proza

Johan De Boose: Jevgeni

door Jooris Van Hulle

We schrijven anno 1390. De tijd van Johan Huizinga’s Herfsttij der middeleeuwen, waar Johan de Boose in zijn motto bij Jevgeni, het tweede deel van zijn romantrilogie ‘Het vloekhout’, naar verwijst. Dit motto liegt er niet om: ‘Het is een boze wereld. Het vuur van haat en geweld brandt hoog, het onrecht is machtig, de duivel dekt met zijn zwarte vlerken een duistere aarde. En spoedig wacht de mensheid het einde van alle dingen.’ Hoe dit kantelpunt uit onze geschiedenis werd beleefd, vormt het thema van Jevgeni.
Na een avontuurlijke zwerftocht door Europa – die van Jevgeni ook een reisverhaal maakt – komen twee Russische monniken terecht in de abdij van Ehinham, de plek waar ooit, zoals De Boose noteert, ‘een villa stond van een wufte Romein’ — een directe verwijzing naar Gaius, het eerste deel van de trilogie. Daar, op de plek die nu het huidige Ename moet zijn, raken ze betrokken bij het leven in het klooster. De Boose voert een aantal opmerkelijke figuren ten tonele. Zo is er abt Rogier van Scheeluwe, die er zijn eigen leventje leidt met rond zich twee Florentijnse schandknaapjes, wier aanwezigheid en functioneren binnen de abdijmuren gerechtvaardigd wordt onder het motto ‘zonder schuld kan er geen boete bestaan’. En dat hij zowat alle zinnen die hij uitspreekt, op ‘zo’ laat eindigen, houdt ook al een duidelijke vingerwijzing in. Voorts maakt de lezer er kennis met een aantal monniken die ‘allemaal een tik van de molen hebben’. Pater Ysewin van Wistrachia onder meer, de pater-poetsman die altijd in de weer is met een spons om letterlijk en figuurlijk het vuil van de zonde weg te vegen en ooit, in een relatief ver verleden, Ruusbroec persoonlijk heeft ontmoet; of Adam Van Baldac, de reus die in zijn moestuin uit de tekens van de natuur de toekomst meent te kunnen lezen; of lekenbroeder Didderic Dodenhuis, of Willemszoon van Baudelo, die altijd in alliteraties spreekt en aan een geheim boek werkt dat het ‘Liber Culpae et Pudoris’ moet worden, het ‘Boek van Schuld en Schaamte’. En dan zwerft door het klooster nog een zuster Maria Assumpta, die in de wasserij van de abdij werkt, maar wier aanwezigheid verder blijkt te reiken dan de haar toegewezen taak. Het mag duidelijk zijn: De Boose schildert in een zwierig en vaak naar overdaad neigend taalpalet de wufte kloostersfeer aan het eind van de middeleeuwen. Een sfeer die onmiddellijk doet terugdenken aan Umberto Eco’s De naam van de roos. Niet toevallig vermeldt De Boose dat ooit in de abdij een zekere William van Baskerville te gast was, ‘jazeker, hij was het die de roemruchte moordzaak in ’n Noord-Italiaanse abdij oploste’. Een sfeer overigens die er niet om liegt: lachen is er verboden, maar evengoed zijn er de wilde orgieën waarvan Jevgeni en zijn kompaan Bogomil getuige zijn, er is de angst voor het nieuwe (de leesbril wordt gezien als een teken des duivels), er is de algemene sfeer die het einde der tijden aankondigt met niet ophoudende regens en stank. En dat ook de inquisitie in de figuur van Johannes Korst, een plaats krijgt toegewezen, zet nog maar eens in verf hoe verward de goegemeente aankeek tegen de geloofsproblemen op het eind van de veertiende eeuw.
In het relaas van hun leven doen Jevgeni, de zanger, en Bogomil, de iconenschilder, verschillende steden aan op hun vlucht naar het Westen. Hoe zij erin geslaagd zijn te ontkomen aan de Tataren in Rusland, vormt op zich al een apart verhaal. Maar er is meer: De Boose voert in hun relaas een spel op met de tijd. In ‘Aemstelledam’ bijvoorbeeld maken ze de opgraving mee van een heilige vrouw die ten onrechte werd terechtgesteld; in Cracovia (Krakow) vindt een ‘summum Europae’ plaats, een Europese top waar de lezer onder meer Willem Fermette (Guy Verhofstadt) ontmoet, en Angelius Merkelius en Nihil Ravage, die koning Casimir ‘een natte dweil en een tweederangs bankbediende noemde’. En zelfs hier wordt het spel nog verder doorgetrokken door een zekere Domenicus Strascanius op te voeren, ‘steeds klaar om zich letterlijk in allerlei zaken te wringen, vooral als die zaken een rok droegen’.
Jevgeni en Bogomil worden ten slotte met de vinger gewezen als mogelijke schuldigen aan de catastrofe die zich als het einde der tijden aankondigt. Dat vormt binnen de roman een verhaallijn die het geheel een spanning verleent die aanhoudt tot aan het slot. Jevgeni is in de roman de ‘getekende’: de splinter die hij in zijn hand meedraagt, is het restant van het kruis waaraan Jezus werd opgehangen. En dat Bogomil het stuk hout dat in mysterieuze omstandigheden in het klooster van Ehinham wordt bewaard, met een Madonna-afbeelding beschildert, legt nog eens de nadruk op de godsdienstwaanzin waaraan de kloosterlingen zich hebben overgegeven. Onderwijl wordt het hele verhaal nog eens ingebed in de vraag naar goed en kwaad, naar de strijd tussen het hogere en het lagere, tussen God en de duivel kortom, die een wreed schaakspel spelen met de mensheid als inzet. Dat in het filosofisch discours ook figuren uit de toekomst ter sprake komen – van Sartre en Derrida tot Houellebecq – bewijst nog maar eens hoe vrij wordt omgesprongen met de verhaalstof. De Boose evoceert dit alles in een eruptief taalvuurwerk waartegen de lezer zich bijna letterlijk moet weten te wapenen wil hij tot het eind doorlezen. Dat alles doet nu al uitkijken naar het slotdeel van de trilogie, waarin De Boose zijn verhaal projecteert in onze eenentwintigste eeuw.


Johan De Boose, Jevgeni, De Bezige Bij Antwerpen Antwerpen, 2014, 348 p., € 19,99. ISBN 9789085424383. Distributie: WPG Uitgevers

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswolf 2014

deze pagina printen of opslaan



ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri