Vakliteratuur

Theo Meder (red.): Van kikvors tot droomprins

door Lien Fret

Van kikvors tot droomprins verzamelt bijdragen van het gelijknamige sprookjessymposium gehouden in het Meertens Instituut in 2012 en gaat, zo meldt de cover, ‘met kikkersprongen door de historie’ van het sprookje. Wanneer de zeer uiteenlopende bijdragen, met ‘het sprookje’ in al zijn mogelijke betekenissen als gemene deler, op een rijtje gezet worden, zijn die kikkersprongen eerder zevenmijlsstappen. Zeer verdienstelijke bijdragen rond de ontstaansgeschiedenis, de receptie en het voortbestaan van het sprookje worden daarbij afgewisseld met essays die een minder wetenschappelijke inslag hebben.
Stijn Praet neemt ons mee in een palimpsestische lectuur van het Latijnse ‘sprookje’ van de ezelprins Asinarius uit de twaalfde eeuw. Zijn literair-contextualiserende benadering wordt ingegeven door de aard van de middeleeuwse Latijnse tekst zelf die, zo overtuigt Praet ons, geënt is op intertekstualiteit. Enkele minder gepaste vooronderstellingen over de ‘hedendaagse lezer’ terzijde gelaten, gaat hij op overtuigende wijze na welke interteksten en –beelden uit de geleerde middens van de auteur tussen de regels van het ‘sprookje’ te ontwaren zijn en hoe ze bijdragen aan een komische lezing. Zijn pleidooi om aandacht te besteden aan de interteksten uit de textual communities waarin middeleeuwse Latijnse sprookjesachtige teksten werden gecreëerd, verdient navolging. In dit essay toont Praet alvast welke interessante bevindingen zo’n invalshoek kan opleveren.
Minder diepgaand is de paper ‘De verlokkingen van de jacht’ waarin Ludo Jongen op zoek gaat naar sprookjesachtige elementen in zowel wereldlijke als geestelijke middeleeuwse teksten. Hij komt tot de conclusie dat die elementen meer wetenschappelijke aandacht verdienen dan ze op dit moment krijgen.
Daphne M. Hoogenboezem gaat in op de receptie van de sprookjes van Madame d’Aulnoy in twee Engelse edities. Terwijl ze in de ene gepresenteerd werden als literair werk dat deel uitmaakte van de belles lettres, werden ze in de tweede in verband gebracht met Engelse volksverhalen. In haar bespreking van het nieuwe frontispice dat de tweede casus sierde, wijkt Hoogenboezem wat te ver af van haar hoofdvraag. De conclusie dat de receptie van de sprookjes van d’Aulnoy minder constant was dan die van de sprookjes van Perrault, verdiende dan weer wat meer onderbouwing.
Richard van Leeuwen betoogt dat Duizend-en-één-nacht niet alleen is uitgegroeid tot een cultureel fenomeen en een enorme invloed heeft gehad op de Europese literatuur omwille van het exotische karakter van de tekst, maar dat het die status ook te danken heeft aan zijn ongrijpbare en diffuse vormkenmerken. Formele en conceptuele eigenschappen zijn volgens hem minstens zo belangrijk geweest voor de receptie en populariteit van het werk als oriëntalisme. De tekst leent zich daardoor namelijk goed voor literaire experimenten.
Willem de Blécourt gaat op zoek naar de bronnen van de gebroeders Grimm en sluit zich daarbij grotendeels aan bij de bevindingen van Heinz Rölleke. Hij oppert echter ook een aantal alternatieven voor Röllekes conclusies, met name voor bevindingen die onvermijdelijk op giswerk steunen. De Blécourt bekijkt daarbij enkele door de Grimms niet geïdentificeerde sprookjes in detail met het oog op de aan- of afwezigheid van een mondelinge traditie. Ook De Blécourt heeft hier echter slechts vermoedens, onder andere over de meisjes van gegoede afkomst die de toeleveraarsters van de Grimms de verhalen voor een stuk ingefluisterd zouden hebben. Hij benadrukt het belang van een historische verankering van de sprookjes van de gebroeders Grimm 'waar mogelijk gerelateerd aan auteur, en plaats en tijd van vertellen' maar kan, wat bepaalde aspecten van zijn onderzoek betreft, eveneens alleen maar geïnformeerd gissen.
Theo Meder geeft in zijn bijdrage ‘Hoe universeel zijn de verhaalstructuren van sprookjes?’ een populariserende uiteenzetting over het ontstaan van sprookjes en hun kenmerken, waarna hij een nieuw schema voor het analyseren van de sprookjesstructuur voorstelt die hij de narratieve matrix noemt. Verder bekijkt hij de mogelijkheid van een universele verhaalgrammatica en formuleert hij de hoop op vooruitgang in technologisch onderzoek op dit vlak. Inhoudelijk en stilistisch staat deze bijdrage in contrast met de andere, sterker wetenschappelijk georiënteerde papers die meer voorkennis van de lezer veronderstellen.
Vanessa Joosen bekijkt ten slotte hoe de psychoanalytische theorie van Bruno Bettelheim opduikt in illustraties, met name in die van de Britse illustrator Anthony Browne. Zijn verwijzingen kunnen geïnterpreteerd worden als een bevestiging van Bettelheims opvattingen maar ook als correctie op The Uses of Enchantment. Ze besluit dat voor Browne, net als voor de meeste onderzoekers in de eenentwintigste eeuw, de positieve impact van de psychoanalyse als een geloofwaardig model voor sprookjesinterpretaties voorbij lijkt.

Theo Meder (red.), Van kikvors tot droomprins, Verloren Hilversum, 2013, 149 p., ill. € 17. ISBN 9789087044077

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswelp 2013

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri