volw. non-fictie

Kerry Mallan: Secrets, lies and children's fiction

door Kyra Fastenau

Dat geheimen niet per definitie goed of slecht zijn, blijkt wel uit de discussie die ontstond nadat Edward Snowden in juni 2013 informatie lekte over de spionageactiviteiten van de NSA. Terwijl de klokkenluider in de media als een held onthaald werd omwille van zijn openheid, was het recht op privacy net het onderwerp van discussie. Leugens daarentegen zien we meestal als iets negatiefs. Liegen gaat verder dan de waarheid verzwijgen; het is de waarheid verdraaien. Toch zijn leugens in onze hedendaagse beeldcultuur alom aanwezig. Maar terwijl gefotoshopte covermodellen dikwijls onze verontwaardiging opwekken, creëren we op onze eigen Facebookpagina’s net zo goed een vertekend beeld van de werkelijkheid. Onze vakantiekiekjes zien er tenslotte net iets aantrekkelijker uit met een Instagramfiltertje erover. Opnieuw die paradoxale houding: we veroordelen liegen, en toch doen we het zelf ook.
Geheimen en leugens hebben niet alleen voordelen, ze zijn bovendien onontkoombaar. Tegelijkertijd lijken ze, met de opkomst van sociale media en klokkenluiderswebsites als Wikileaks, meer taboe dan ooit. Hoe leer je opgroeiende kinderen omgaan met deze complexe werkelijkheid? Kan jeugdliteratuur daarbij een rol spelen? Of draagt ze, door vorm en inhoud, zelf bij aan deze paradox? Die vragen onderzoekt Kerry Mallan in Secrets, Lies and Children’s Fiction.
Jeugdliteratuur heeft van oudsher een didactische functie, zo stelt Mallan. Vroeger eindigden kinderverhalen vaak met een moralistische boodschap. Eerlijkheid duurt het langst en wordt bovendien beloond, zo leert het verhaal van Pinokkio ons. Moderne jeugdliteratuur biedt een genuanceerder beeld van de werkelijkheid en toont dat liegen soms preferabel of zelfs noodzakelijk is, bijvoorbeeld in Jaqueline Wilsons Secrets (2002), waarin een meisje onderdak biedt aan een vriendinnetje dat slachtoffer is van huiselijk geweld, of in Gouden sterren van Lois Lowry (1992), over een Deense familie die Joodse onderduikers helpt tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bovendien is ‘waarheid’ een moeilijk begrip. Geheel in lijn met het postmodernisme stelt Mallan dat waarheid subjectief is: er bestaat niet zoiets als dé waarheid; in plaats daarvan zijn er verschillende waarheden die elkaar aanvullen of tegenspreken.
Wanneer het op literatuur aankomt, wordt het begrip ‘waarheid’ nog complexer. Verhalen worden per definitie geclassificeerd als fictie, verzonnen. Tegelijkertijd hebben ze van oudsher een verklarende functie (mythologie, de Bijbel), ze bevatten een zekere ‘waarheid’. Maar als we kijken naar de vorm die literatuur aanneemt, zegt Mallan, dan zien we een en al ‘leugens’ en ‘geheimen’: beeldspraak, allegorie, open plekken, dubbele bodems... Als verhalen al een ‘waarheid’ bevatten, dan krijgen we daar alleen toegang toe in verkapte vorm. Dit alles geldt voor jeugdliteratuur des te meer, omdat de toegankelijkheid hier een rol speelt: het doelpubliek dwingt de auteur om een complexe boodschap te brengen op een manier die begrijpelijk is voor jonge mensen, en daarbij is beeldspraak een handig hulpmiddel. In het geval van prentenboeken bieden de illustraties bovendien de mogelijkheid om meerdere waarheden naast elkaar te zetten en het verhaal bijvoorbeeld een andere afloop te geven.
Mallan benadert haar onderwerp in de breedst mogelijke zin. Zo is er een chapiter over hoofddoeken (die kunnen je ware identiteit verbergen, zoals in de graphic novel Persepolis (2009) van Marjane Satrapi, of juist benadrukken, zoals in Randa Abdel-Fattahs young adult-roman Does my head look big in this? (2006)). Verder wijdt ze een hoofdstuk aan de zondebok, en hoe deze in kinderboeken subtiel gecreëerd wordt via negatieve vergelijkingen die niet per se overeenstemmen met de werkelijkheid. Dieren worden in de jeugdliteratuur vaak gebruikt om subtiel associaties aan een personage toe te kennen (een sluwe vos, de grote boze wolf...). Mallan toont aan hoe auteurs daarmee spelen, bijvoorbeeld door personages tegen zulke beschuldigingen te laten protesteren: ‘[F]oxes aren’t popular you know’, zegt de vos in Jonathan Allens prentenboek Fowl Play (2006), wanneer hij beschuldigt wordt van een inbraak in het kippenhok. Mallan gaat ook in op geheime genootschappen: die kunnen zowel aanlokkelijk als gevaarlijk zijn, zowel bescherming als dreiging bieden door druk uit te oefenen op hun leden. De leugens die we onszelf vertellen komen eveneens aan bod, van onschuldig dagdromen tot serieuze trauma’s. Daarnaast zijn er ook meer voor de hand liggende case study’s over boeken waarin geheimen een belangrijke rol spelen (bijvoorbeeld The Other Side of Truth (2000) en Web of Lies (2004) van Beverly Naidoo, vervolgromans over Nigeriaanse asielzoekers), of dystopische verhalen over jongeren die protesteren tegen een corrupt systeem (‘De hongerspelen’ van Suzanne Collins (2009-11), Cory Doctorows Little Brother (2009)). Deze hoofdstukken zijn de minst sterke: Mallan beperkt zich tot een zeer oppervlakkige interpretatie (de jongeren dienen als voorbeeld voor de lezer) en geeft voornamelijk lange plotbeschrijvingen.
De reikwijdte van Mallans onderzoek is de sterkte, maar ook de zwakte ervan. Enerzijds opent ze de ogen van de lezer voor alle mogelijke manieren waarop leugens en geheimen een rol spelen in de jeugdliteratuur, anderzijds kan ze omwille van de vele onderwerpen nergens echt in de diepte gaan. Ze beschrijft vooral hoe de maatschappij gereflecteerd wordt in jeugdboeken, maar legt niet voldoende uit hoe jeugdliteratuur of literatuuronderwijs jongeren kan leren omgaan met de gecompliceerde plaats die leugens en geheimen innemen in de maatschappij.
Mallan stelt dat geheimen en leugens een overlevingsstrategie kunnen zijn. Haar voorbeelden hierbij spreken echter voor zich. Bovendien doen ze geen recht aan de complexe werkelijkheid van pakweg de affaire Snowden. In sommige situaties is liegen en bedriegen geoorloofd, bijvoorbeeld als je, zoals Katniss Everdeen, strijdt tegen een corrupte overheid. Maar in hoeverre is de NSA te vergelijken met de schurken uit ‘De hongerspelen’? In hoeverre waren hun afluisterpraktijken geoorloofd? Spreken, zwijgen en liegen zijn niet per definitie goed of fout, stelt Mallan terecht, dit hangt af van de situatie. Maar dat betekent niet dat de keuze gemakkelijk is. Het gaat er niet alleen om de juiste beslissing te nemen, maar ook dat je leert leven met de consequenties van die beslissing. Kijk maar naar Edward Snowden, die nog altijd in ballingschap leeft.


Kerry Mallan, Secrets, lies and children's fiction, Palgrave MacMillan Basingstoke, 2013, 238 p., ill. € 59,99. ISBN 9781137274656. Distributie: MacMillan

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswolf 2013

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2019

Alle verhalen

Hugo Claus

Dagboek van een dief

Jean Genet

De menselijke maat

Roberto Camurri

Grote verwachtingen. In Europa 1999-2019

Geert Mak

Vaderliefde

P.F. Thomése

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 11, DECEMBER 2019

Dromers

Bibi Dumon Tak, Charlotte Dumas (fotogr.)

Het geheime bondgenootschap

Philip Pullman

Het werkstuk, of Hoe ik verdween in de jungle

Simon Van der Geest en Karst-Janneke Rogaar (ill.)

Oef wat een geluk!

Ghislaine Roman, Tom Schamp (ill.)

Verloren woorden. Een betoverboek

Robert Macfarlane, Jackie Morris (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri