Nederlands proza

BOEKEN NR. 7, DECEMBER 2015

Tjitske Jansen: Voor altijd voor het laatst

door Katja Feremans

Het poëziedebuut van Tjitske Jansen (1971), Het moest maar eens gaan sneeuwen, was in 2003 meteen een schot in de roos. Voor de opvolger, Koerikoeloem (2007), kreeg de (podium)dichteres in 2009 de Anna Bijns Prijs. Ze heeft met haar werk getoerd van Lowlands tot Behoud de Begeerte, wat haar naambekendheid uiteraard een boost gaf. En nu is er Voor altijd voor het laatst, waarin ze ook weer openhartig scènes uit haar leven aaneenrijgt, maar dan in prozaschetsen. Rakelings scheren deze chronologische snapshots langs de tragedie van het leven. Neem nu de kleuter Tjitske die zich zorgen maakt over haar zitje aan het stuur van haar moeders fiets: ‘Op een dag zou mijn moeder me nog net in dat stoeltje krijgen, tijdens het fietsen groeide ik verder, en ze kreeg me er niet meer uit’. De kleuter wordt een schoolmeisje dat een deel van haar jeugd in pleeggezinnen zal doorbrengen. Des te opmerkelijker is het dat Voor altijd voor het laatst aan haar moeder is opgedragen: ‘Voor mijn moeder. Je zult maar de moeder van Tjitske Jansen zijn’.

Ze snapte niet dat anderen konden denken dat ze het een troostrijk vooruitzicht zou vinden om snel over haar verdriet heen te komen na de breuk met haar eerste grote liefde. ‘Zolang je iemand mist, is hij nog bij je’, was het gevoel dat ze zelf koesterde. Er volgt een tweede grote liefde. Dit neemt niet weg dat de schrijfster het leven blijft ervaren als een doornig pad. Op de haar typisch laconieke manier vertelt ze over de groepstherapie die ze volgde bij een uit zijn ambt ontzegde psychiater: eerst bestonden de sessies uit ‘tuintherapie’, maar toen de man ging verhuizen werd er overgeschakeld op ‘helpen-met-inpakken-en-opruimentherapie’.  
Na onenigheid met haar broer over de boeken die hun vader heeft nagelaten, besluit ze zich niet langer druk te maken om materiële dingen. Die weg van onthechting brengt haar uiteindelijk naar een boeddhistisch centrum in Schotland. Met de hulp van meditatie hoopt ze er de noodlottige patronen in haar leven te doorbreken. Tekenend is hoe ze daarmee komaf maakt met de conclusie: ‘Ik las dat boeddhisten het leven zien als een lijdensweg. Ik las dat boeddhistische monniken om vier uur ’s morgens opstaan. Het leven zien als een lijdensweg en om vier uur ’s morgens opstaan, vond ik een onlogische combinatie’.
 
In haar sfeervolle boek is de eenzaamheid een veelkoppig monster dat Tjitske Jansen tegen de achtergrond van de voortschrijdende tijd telkens weer het hoofd biedt. Haar rake gevoelsindrukken worden door haar bedrieglijk eenvoudige taal en haar talent voor (zelf)relativering onmiskenbaar verdiept.
 
Amsterdam : Querido 2015, 113 p. ISBN 9789021457642
 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri