Nederlands proza

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2016

Vonne van der Meer: Winter in Gloster Huis

door Liesbeth Vantorre

We zijn in het jaar 2024. In Nederland is zo net de ‘klaar met leven’-wet gestemd die 80+'ers toelaat om uit het leven te stappen wanneer ze vinden dat het genoeg geweest is. Euthanasie bij levensmoeheid dus, bij eenzaamheid, niet zozeer bij ondraaglijk psychisch of fysiek lijden. Arthur en Richard zijn net hun vader verloren. Hij was oud en ziek, maar niet eenzaam. Hij kreeg elke dag hulp en bezoek van Irma, die ervoor zorgde dat hij niets te kort kwam. De broers erven een verborgen diamantschat, die hun vader ontdekte tijdens werkzaamheden in het huis. Na een schatting blijkt dat ze op een fortuin zitten.
 
Hun vader heeft hen opgedragen om met dat geld iets goeds te doen. Richard, de oudste van de twee broers, wil een hotel openen waar mensen gratis waardig kunnen sterven in het kader van de nieuwe wet. De ‘klanten’ kunnen volledig zelf kiezen hoe ze hun laatste uren doorbrengen: ze kunnen genieten van een overheerlijk vijfgangenmaal, of van een eenvoudig pompoensoepje met een boterham. In de grote bibliotheek vinden ze ongetwijfeld hun lievelingsboek terug, dat ze for old time’s sake nog eens kunnen herlezen. Of ze kunnen gebruikmaken van de wellnessfaciliteiten. Maar veel gebruik wordt daar niet van gemaakt. De mensen die in zijn Vaarwelhotel komen sterven, vinden immers geen plezier meer in een goed boek, een lekkere maaltijd of een bezoek aan de sauna.  
 
Arthur, de jongste van de twee broers en psychiater, heeft het moeilijk met het Vaarwelhotel. Hij steunt zijn broer weliswaar, maar mensen aanbieden om op hotel te komen sterven is voor hem een brug te ver. Nadat hij een voorstelling van King Lear heeft bijgewoond, weet hij wat hij wil doen met zijn deel van de erfenis. Het stuk van Shakespeare heeft hij al verschillende keren gezien, maar nu pas valt de verhaallijn over Gloster hem op. De oude, blinde man vraagt aan een vreemdeling om hem tot aan de rand van de klippen te brengen, zodat hij kan springen. De vreemdeling, die eigenlijk zijn verloren zoon is, laat hem van een hoogte van een paar centimeter springen en maakt hem wijs dat hij een gigantisch hoge val overleefd heeft. Gloster legt zich neer bij het leven en verzucht: ‘Voortaan zal ik ellende verdragen tot zij zelf uitroept: “Genoeg! Genoeg en sterf!”’  
 
Tegenover het Vaarwelhotel opent Arthur het Gloster Huis. Aan een opname in het Vaarwelhotel gaat steeds een intakegesprek vooraf, door Arthur geleid. Want ook Richard is er zich van bewust dat sommige mensen gewoon niet meer het leven willen leven dat ze leiden, maar niet weten hoe ze het nog over een andere boeg kunnen gooien. Dan is de dood de makkelijkste optie. Maar Arthur twijfelt net iets vaker aan de motivatie van de potentiële klanten dan Richard. Die mensen wil hij overhalen om in het Gloster Huis te komen wonen. Er is wel een zwembad en een bibliotheek, maar het huis is niet zo luxueus en glamoureus als het hotel. Wat Arthur en zijn team bieden, is aandacht voor de bewoners. Iemand die naar hun verhalen luistert, iemand om aandacht aan te schenken, iemand om samen mee te eten. Het beperkte leventje dat de bewoners van Gloster Huis al jaren leiden, wordt hier doorbroken. Het is niet zo vanzelfsprekend om mensen echt te overtuigen om naar het Gloster Huis te komen. Ze hebben immers voor zichzelf, na heel wat nagedacht te hebben, besloten om te sterven. De proefpersoon, Noor, wordt dus ontvoerd vanuit het Vaarwelhotel. Na een diepe slaap ontwaakt ze in het Gloster Huis, waar het personeel haar stilaan laat ontdekken dat ze niet echt dood is. Ze voorzien haar van gezelschap, meneer Azim, die wel op de hoogte is van het plan. Als ze echt willen, kunnen Azim en Noor naar het Vaarwelhotel terug. Maar dat gebeurt niet. De bewoners vinden hun levensvreugde terug. Kiezen om te sterven is een optie, maar ook niet meer dan dat. Het is niet meer de enige uitweg. Net zoals Gloster uit het stuk van Shakespeare stonden ze aan de rand van het leven, klaar om de dood in te springen. En net zoals Glosters zoon staat Arthur klaar om hen er onbewust van te overtuigen dat er nog een andere optie is. Wie steeds maar hoort dat hij deel uitmaakt van een plaag gaat dromen van zijn eigen einde.
 
Winter in Gloster Huis is een actueel boek. De vergrijzing stelt Europa voor heel wat nieuwe uitdagingen: er is meer behoefte aan kwalitatieve langdurige zorg, al dan niet in bejaardentehuizen, het aandeel werkende mensen wordt kleiner, ook al gaan we met zijn allen langer werken, enzovoort. Maar ook al wordt iedereen ouder, ouder worden brengt ook meer eenzaamheid met zich mee. Het begin van je pensioen kun je vullen met tal van activiteiten met leeftijdsgenoten die nog even fit zijn als jij, maar wanneer je de 80 gepasseerd bent, schieten er vaak niet meer zoveel vrienden over. En ook al ben je voor je leeftijd nog redelijk gezond en heel helder, alleen op stap gaan wordt moeilijker. Voor veel mensen is opvang in een bejaardentehuis niet per se nodig. Een luisterend oor, bezoek om naar uit te kijken, iemand om je aandacht op te vestigen heeft daarentegen iedereen nodig. De euthanasiewet wordt stilaan uitgebreid. Het is dus niet geheel ondenkbaar dat er binnen 10 à 15 jaar een ‘klaar met leven’-wet gestemd zou worden. <br /> 
Van der Meer heeft deze denkoefening op een subtiele en gevoelige manier vormgegeven. Maar haar eigen visie op de hele zaak is wel erg duidelijk. Dat laat zich vooral merken in de graad waarin ze de personages uitgewerkt heeft. Arthur, de ‘uitbater’ van het Gloster Huis, is psychiater. Hij is dus professioneel (maar ook van nature uit) begaan met het welzijn en de (geestelijke) gezondheid van de mensen. Hij vertelt ook het verhaal. Zijn verstandhouding met Richard is best goed, maar er heerst toch een zekere spanning. Waar die zijn oorsprong heeft, is niet helemaal duidelijk. Het personage Richard is dan ook weinig of niet uitgewerkt. Niet alleen wordt geen enkel onderdeel van het verhaal vanuit zijn perspectief verteld, we komen bijna niets te weten over zijn leven. We weten dat hij een reclameman is. Net zoals zijn broer is hij dus ook met mensen bezig, en probeert hij hen te begrijpen. Niet vanuit altruïsme, maar om hen te overtuigen. Hij staat duidelijk voor het oppervlakkige, Arthur voor het diepzinnige.
 
Tussen de twee broers heerst een vreemd soort concurrentie. Richard wil niet dat Arthur klanten steelt of het hotel in een slecht daglicht plaatst, maar over de publieke perceptie van dat hotel krijgen we eigenlijk niets te lezen. Pas helemaal aan het einde van de roman blijkt dat er rondleidingen gegeven worden in het Gloster Huis, maar over het hotel wordt eigenlijk niet meer gerept. We weten zelfs niet of het opgedoekt is, en of het Gloster Huis zelf nog draait. Dat alles is een beetje jammer, want een diepere kijk op Richard was ook boeiend geweest. De mensen die er uiteindelijk voor kiezen om te sterven omdat ze echt klaar zijn met leven, krijgen geen stem. Voor de keuze om in een mooi hotel in de natuur te sterven, waar quasi al je laatste wensen nog ingewilligd kunnen worden, valt immers ook iets te zeggen. Sommige mensen die al te lang in de eenzaamheid van hun appartementje of huisje geleefd hebben met enkel maar herinneringen aan wat ooit een rijk gevuld leven was, hebben er misschien gewoon echt wel genoeg van. Arthur heeft daar wel begrip voor, maar probeert hen toch nog te allen prijzen te redden van een dood die ze misschien niet gewild hebben. Telkens iemand in het Vaarwelhotel sterft, voelt het voor Arthur aan als een nederlaag. Maar voor de mensen die zo’n dood wel echt willen hebben noch hij, noch Van der Meer oren.
 
Bovendien was het minstens zo interessant geweest om het effect van die ‘klaar met leven’-wet op de hele maatschappij eens te bestuderen. Nu heeft de roman iets geforceerds. Het boek begint met een onvoorstelbare deux ex machina: twee broers vinden zó’n grote verborgen diamantschat dat ze iets uit de grond kunnen stampen waar ze absoluut geen geld voor hoeven te vragen. Er wordt voor het hotel en het Gloster Huis wel een maatschappelijk kader gecreëerd, namelijk de ‘klaar met leven’-wet, maar buiten de reactie van twee klanten/patiënten lijken de ontwikkelingen in het hotel en het Gloster Huis in een maatschappelijk vacuüm plaats te vinden.
 
Katholieke moraal
Vonne van der Meer schrijft in een rustige, bijna dromerige stijl die je meesleept in het verhaal. Ze staat terecht stil bij de behoefte aan aandacht en menselijk contact. Meer dan een sauna of een luxehotel willen mensen het gevoel hebben dat hun leven de moeite waard geweest is. Iemand om hun mooie en minder mooie herinneringen mee te delen is veel belangrijker dan luxe. Iemand die hen doet beseffen dat oud zijn niet betekent dat je afgeschreven bent. De Virtuele Zorg waarvan sprake in het boek kan niet voldoende zijn. Van der Meer maakt op zich een juiste analyse van een steeds groter wordend probleem, maar haar analyse is ook eenzijdig.  
 
Twintig jaar geleden bekeerde Vonne van der Meer zich tot het katholicisme. Dat uit zich ook in haar maatschappelijk engagement. Zo is ze lid van het comité van aanbeveling van Siriz, de vroegere Vereniging ter Bescherming van het Ongeboren Kind. In een interview met Ester Naomi Perquin voor VPRO (15 oktober 2015) stelt Van der Meer dat haar jongste pennenvrucht niets met haar geloof te maken heeft. Er komt inderdaad geen religie aan het verhaal te pas. Maar de katholieke moraal is wel duidelijk. De schrijfster heeft duidelijk een agenda. Dat agenda zit hem in wat ze niet zegt of weergeeft, namelijk het standpunt van Richard en van de mensen die wel voor het hotel kiezen. Niettemin is Winter in Gloster Huis een ontroerend verhaal over waardig ouder worden en leven, eerder dan over waardig sterven.
 
Amsterdam : Atlas/Contact 2015, 139 p. ISBN 9789025446222 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri