Beschouwingen

Geert Lernout: Nietwaterstaat (1) : Me?

door Geert Lernout

Het overkomt ons allemaal wel eens. Je ogen glijden over een zee ongelezen tekst. Dan springt er plots één woord uit, maar even snel is het weer onder het oppervlak verdwenen, zonder de minste rimpeling achter te laten. Toch weet je zeker dat het er wel degelijk was. Het kost tijd en moeite om dat ene woord terug te vinden, en dan nog staat er dan soms een ander woord.

Deze vorm van mislezen komt zelfs voor bij romanpersonages. In het achtste hoofdstuk van Ulysses krijgt de wandelende hoofdpersoon Leopold Bloom een pamflet van een sombere jongeman van de YMCA en dan gebeurt er dit: ‘Bloo.... Me? No. Blood of the Lamb.’ Als Bloom verder leest, blijkt het om een aankondiging te gaan voor het optreden van een Amerikaanse evangelist: ‘Are you saved? All are washed in the blood of the lamb.’ Deze mislezing is bijna niet te vertalen: in het Nederlands kan je nog met de eerste drie letters werken, maar dan mis je de ‘m’ van ‘Me’ die ervoor zorgt dat er in de originele tekst wel de volledige naam van het personage staat.

Wat is het toch met onze eigen naam dat we die op de merkwaardigste plaatsen zien opduiken? Uit ervaring weet ik dat ik ook geneigd ben om mijn eigen naam te zien op plaatsen waar die dan later niet altijd blijkt te staan. Soms heb ik maar een paar letters nodig: mijn initialen, gl, die in het wild niet al te vaak in deze (of in een andere) volgorde voorkomen. Nu was mijn naam (en nog meer die van mijn dochter Jo) een tijdje meer dan genoeg te horen en te lezen: ik moest me toen aan vreemden voorstellen als ‘Lernout non Hauspie’.
 
Mensen hebben nu eenmaal de neiging om dingen te zien die er helemaal niet zijn: de mensheid mist het talent om de chaos de chaos te laten en we zien soms onbestaande patronen. Een monster in de schaduw onder het bed, het gezicht van Jezus op het Marsoppervlak, de maagd Maria op de muur van een garagebox in Mortsel. Wat we zien als er niets te zien is, heeft dan wel niets te maken met de echte wereld, maar het zegt heel wat over onszelf.
 
De monsters onder ons bed maken we zelf, omdat we blijkbaar liever bang zijn van wat dichtbij is en braaf onder het bed blijft zitten. Maar de goden die we zo graag overal zien, bewijzen die niet dat we iets hogers zoeken, iets dat juist buiten onszelf bestaat? Waarom is dan iedere man met een baard Jezus van Nazareth en elke vrouw Maria? En waarom zien moslims nooit de naam van Thor of Odin in de wolken staan? Met letters is dat blijkbaar niet anders: we lezen alleen die woorden die we willen zien, en niet wat er staat.
 
Wat we willen zien, is meer van onszelf, alsof de hele werkelijkheid niet anders is dan een spiegel waarin we alleen maar ons eigen gezicht kunnen zien, of anders die dingen die we zelf belangrijk vinden. Zo maken we de wereld weer even overzichtelijk. Maar hebben we daar niet net de taal en het schrift voor uitgevonden? Om te ontsnappen aan het hier en nu, aan het ik, mij en mijn?
 
Mensen onderscheiden zich van de dieren door die vreemde technologie die taal is. Daardoor kunnen we niet alleen beloven, afspreken en plannen maken met andere mensen, maar hen ook op allerlei manieren bedriegen. Daarom hebben we vervolgens het schrift moeten uitvinden, want het gesproken woord vervliegt en alleen geschreven woorden blijven. Contracten worden niet meer eenzijdig opgezegd en de verhalen die we elkaar vertellen om de chaos van het verleden een zin te geven, kunnen niet meer worden aangepast aan de veranderende wereld.  
 
Maar ondertussen liegen we wel nog altijd in ons eigen hoofd een heel verleden bij elkaar, dat niet altijd veel te maken heeft met wat er in de echte wereld gebeurt. Misschien vinden we daarom zo graag overal onze naam en onze verhalen terug en denken we dat grote lappen teksten eigenlijk over onze spannende avonturen gaan.
 
Maar genoeg over onszelf. Zoals Leopold Bloom heel snel ontdekt, gaat het nu eenmaal niet altijd en zelfs meestal niet over ons. Toch is er niets mooiers dan een woord of een naam die opduikt en juist niet van mij is, die zelfs niets met mij te maken heeft.
 
Als we woorden herkennen in nog ongelezen oppervlakten tekst, op basis van letters die niet in de juiste volgorde staan of er niet allemaal zijn, dan kunnen we die namen ook zelf schrijven, liefst in een tekst die verder over iets heel anders gaat. De woordenbrij waarin we allemaal dagelijks dreigen te verdrinken, licht dan plots even op met een naam die niet de jouwe is. Een paar letters maar.
 
Het mooist is nog altijd het opduiken van de naam van de geliefde: in een vijver van verveling, een zee van onzin, een oceaan van zelfgenoegzaam geleuter duikt even het glanzende kopje op van de Naam der Namen, het kijkt je net lang genoeg aan zodat jij het herkent en dan verdwijnt het weer: een medeklinker hier, misschien een tweeklank daar, op al die plaatsen waar die niets te zoeken hebben. Wat er dan gebeurt, is het omgekeerde van de selfie.
 
Terwijl de digitale medemensen dwangmatig hun bestaan bevestigen door zichzelf te fotograferen, confronteren wij, bij de gratie van die veel oudere technologie, heel even onze medemens met het feit dat we niet alleen zijn. Want er staat echt alleen maar wat er staat.
 
Oorspronkelijk verschenen in De Leeswolf 2014 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Couperus in de Oriënt

José Buschman

De buurjongen

Jan Siebelink

Het verkoolde alfabet

Paul de Wispelaere

The night

Rodrigo Blanco Calderón

Werk werk werk

Christophe Van Gerrewey

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Een nacht op het strand

Elena Ferrante, Mara Cerri (ill.)

Het bos slaapt

Rébecca Dautremer

Optimisme is dodelijk

Susin Nielsen

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri