Letterkunde

BOEKEN NR. 3, FEBRUARI 2016

Philip Huff: Het verdriet van anderen

door Kyra Fastenau

Philip Huff kennen we van de romans Dagen van gras (2009), Niemand in de stad (2012), Boek van de doden (2014) en de verhalenbundel Goed om hier te zijn (2013), die alle gesmaakt worden door adolescenten. Zijn nieuwste publicatie zal voor die doelgroep even wennen zijn. In de essaybundel Het verdriet van anderen (2015) neemt de jonge auteur zijn leesleven onder de loep in een reeks beschouwingen die niet zouden misstaan in een literair tijdschrift. Ze meanderen van autobiografie naar literatuur- en maatschappijkritiek, op een manier die raakvlakken vertoont met het eerder verschenen Vechtmemoires (2014) van generatiegenoot Joost de Vries. Echter, in vergelijking met die essaybundel is Het verdriet van anderen stilistisch minder leesbaar en inhoudelijk minder vernieuwend.    
Het boek begint nochtans veelbelovend, met een inleiding die de opzet kadert: na een openhartoperatie besloot Huff een tijdje aan te sterken in Oceanië en daar zijn lievelingsboeken te herlezen, om te zien hoe ze zijn wereldbeeld hebben gevormd. Hij houdt meteen een stevig pleidooi voor het belang van literatuur, waarin we de echo’s herkennen van een eerder verschenen essay op De Correspondent (‘Wie leest, leeft’ – 13 juli 2015: https://decorrespondent.nl/3065/Wie-leest-leeft/167748375630-bc15c5c6). Hij zet de baten van het lezen van literatuur mooi op een rijtje, maar voor de kenner zijn ze niet erg baanbrekend: het creëert empathie, nuanceert ons wereldbeeld, helpt ons orde scheppen in de chaotische werkelijkheid, etcetera, et cetera. In de daaropvolgende essays bereikt Huff telkens weer dezelfde conclusie: de wereld wordt gecreëerd via boeken.   
 
In het eerste essay koppelt Huff Into the Wild van Jon Krakauer aan de minder bekende boeken van de Ierse schrijver John McGahern om aan te tonen hoe boeken  jongeren letterlijk de ogen openen: ze laten ons zien hoe we ons leven zelf kunnen vormgeven. In het volgende hoofdstuk nuanceert Huff die stelling: op basis van Hemingway’s The Sun Also Rises stelt hij dat, hoewel we onze wereld zelf vormgeven, het lang niet altijd gemakkelijk is om conventies te doorbreken – sterker nog, we houden die vaak zelf in stand. Vervolgens spendeert hij een paar hoofdstukken om aan te tonen hoe literatuur de vinger legt op waarheden die dieper gaan dan alleen de feiten. Hij gebruikt J.M. Coetzee, Truman Capote en Raymond Carver om aan te tonen welke meerwaarde literatuur heeft ten opzicht van nieuwsgeving of geschiedschrijving, en met James Salter en (natuurlijk) Jan Wolkers gaat hij in op het transcendentale karakter van seksualiteit. Daarna is het – eindelijk! – tijd voor vrouwelijke auteurs: Sylvia Plath, Virginia Woolf en Jennifer Egan. Via hun boeken legt Huff uit dat literatuur ons pijn laat voelen: het kweekt inlevingsvermogen, compassie en empathie. Ten slotte komen er ook twee Nederlandse auteurs aan bod, Gerbrand Bakker en Maartje Wortel. Huff keert terug naar het thema waarmee hij aftrapte, het zelfbeschikkingsrecht van de mensen en de rol die literatuur daarbij speelt. En hoe lezers op hun beurt ook literatuur vormgeven.   
 
Al met al zegt Huff een hoop wijze dingen. Zijn analyses zijn scherp, zij het nogal herhalend. Ik kan me niet ontrekken aan het idee dit allemaal al eens eerder heb gelezen. Bovendien is Het verdriet van anderen geen lichte lectuur: lange zinnen, jargon en uitgesponnen citaten maken het boek tot vakliteratuur, een enorm verschil met de toegankelijkheid van zijn romans.  Daardoor valt het boek een beetje tussen wal en schip: voor de liefhebbers van Huffs fictie zal Het verdriet van anderen een stilistische omschakeling zijn, voor de literatuurkenner is de inhoud niet vernieuwend genoeg.

Amsterdam : De Bezige Bij 2015, 222 p. ISBN 9789023496243  
 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri