Nederlands proza

BOEKEN NR. 6, APRIL 2016

Max de Jong: Dagboek

door Joris Gerits

Max de Jong, geboren in Wageningen op kerstdag1917, hield een dagboek bij van 14 november 1947 tot 26 mei 1951, veertien dagen voor zijn dood in een Amsterdams ziekenhuis ten gevolge van een onbehandelde tuberculeuze herseninfectie. Dat dagboek was volgens bezorgster Marsha Keja niet bedoeld voor publicatie, maar kreeg toch een mythische status. De bron daarvan was Geert van Oorschot, met wie Max de Jong na de Tweede Wereldoorlog bevriend raakte en die in 1947 zijn lange autobiografische prozagedicht, Heet van de naald, uitgegeven had. Op het buikbandje rond het Dagboek wordt Geert van Oorschot geciteerd die in 1985 op de radio verklaarde:
 
‘Ik reken het Dagboek van Max de Jong met De avonden van Van het Reve en Bij nader inzien van Voskuil tot de drie grote monumenten van de literatuur omstreeks het midden van de eeuw.’
 
Het Dagboek is geen literair monument, wel een interessant historisch en sociologisch document.
 
Max de Jong begon na de hbs Nederlands te studeren in Utrecht en stopte ermee tijdens de Tweede Wereldoorlog, Als zoon van een joodse moeder leefde hij ondergedoken bij Leo Vromans ouders in Gouda. Na de oorlog kwam hij in Amsterdam terecht, waar hij voortdurend op zoek was naar een ‘bomvrije’ kamer waar hij ongecontroleerd vrouwen kon ontvangen. Het Dagboek bevat vele notities over de bemoeizucht van hospita’s, het radiolawaai van buren, pianospel en straatlawaai dat hem belette te slapen. Max de Jong leefde immers vooral ‘s nachts. Op 5.4.1948 noteerde hij:
 
‘Weer geen barst gedaan. Maar het is ook zo moeilijk. Die slaap, die dodelijke slaap. Of ik heb diabetes, of het komt van de lente en het afrukken, of van het schaken, of van het vloeken op de radio de Bruin, of van gebrek aan lichaamsbeweging, of omdat het zo moeilijk is.’
 
Aan literair schrijven kwam hij inderdaad niet toe. Om den brode deed hij vertaal- en correctiewerk voor de Wereldbibliotheek.
 
Een constante in zijn dagboekaantekeningen is het relaas over de ontmoetingen die hij bijna elke avond had in het eetcafé De Nieuwe Biekorf, door Max de Jong ‘Biekorff’ genoemd. Hij sprak er met schrijvers, artiesten, studenten en vrouwen. Voortdurend ontstonden er nieuwe relaties. Er werd gediscussieerd over de menstruatiecyclus van vrouwen, het pessarium, abortus, straffen bij zedendelicten, maar ook over literatuur. Er werden afspraken gemaakt wie met wie naar de film, de schouwburg, het museum of een concert zou gaan. Via de annotaties komt de lezer uitgebreid te weten wat er op de Amsterdamse cultuuragenda stond aan het einde van de jaren veertig. Hoe acuut de geldnood ook was, kocht Max de Jong boeken, meestal antiquarisch, en vormde zich een mening over het cultuuraanbod. Zijn commentaar was vaak ongezouten. Over Das Lied von der Erde schreef hij op 16.3.1948: ‘is geen muziek, moet een misverstand zijn, over honderd jaar kent niemand die Mahler meer.’ Op 28.8.1949 noteerde hij na een bezoek aan een tentoonstelling over expressionisten in het Stedelijk Museum: ‘Die Duitse expressionisten stuk voor stuks niet veel zaaks – hoogstens bereikt nu de een dan de ander een zekere achteloosheid.’
 
In de Biekorff ontmoette hij ook geregeld Gerard Reve, toen nog Simon van het Reve (De Jong spelt altijd ‘Reeve’) en Hanny Michaelis. De conversaties verliepen niet bepaald vlot of vriendelijk. Enkele voorbeelden:
 
‘Biekorff. Er was weinig plaats, ik ging maar ergens zitten, daar kreeg ik Simon van het Reeve en zijn geliefde naast me. De conversatie liep helemaal vast. […] Ik heb hem gevraagd hoe het zat, of hij dat verneukeratieve toontje hanteerde of het verneukeratieve toontje hem’. (5.2.1948)
 
Zes dagen later:
 
‘Met Simon van het Reeve een compleet gesprek gehad, dat kan hij toch niet. Hij begon weer over mijn buik, dus heb ik hem gezegd, dat zijn benen te kort zijn. Hij zegt nogal eens, dat ik inderdaad een warhoofd ben.’
 
Op 10.4.1948 typeerde hij Reve als volgt: ‘Hij is autistisch en onmogelijk, banaal en vervelend, en verrekt geestig.’ Op 14.12.1949 schreef hij ‘Een half uur heel prettig zitten praten met Simon van het Reeve en Hanny Michaelis. Ik vroeg hem, of hij nog schreef, jawel, zei hij, en in mijn vrije tijd trek ik me af.’ Zelf schreef Max de Jong in zijn dagboek veel en zonder terughoudendheid over zijn seksuele noden en afwijkingen.
 
‘Hevige aanval van bronst. Dat moet werkelijk anders, ook al heb ik geen bed en geen geld.’ (1.9.1948) ‘Me een vol etmaal niet afgetrokken en daardoor werkelijk enigszins in moeilijkheden geraakt.’ (3.1.1950) Op 15.10.1950 bekent hij aan zichzelf ‘En ik ben inderdaad erotomaan.’
 
Voortdurend probeerde hij vrouwen vanuit de Biekorff naar zijn kamer mee te nemen. Tot een echte vrijpartij kwam het zelden. In het Dagboek beschreef hij scènes van zichzelf als een voyeur met een grote nieuwsgierige belangstelling voor plassende vrouwen. Eén voorbeeld. Met Annelies Ehrlich liep hij op 10.7.1949 langs de Amstel en noteerde nadien in het Dagboek: ‘Haar achter een struikje laten pissen, ik dacht eigenlijk dat ze naast de schuur zat, maar ze zat achter het struikje, daardoor onbedoeld te veel haar kant uitgekeken.’ Als het dan uitzonderlijk toch tot een coïtus kwam, was zijn reactie nog onvoldaan zoals blijkt uit deze aantekening: ‘Eveline heeft geen gevoel. Lag er bij de coïtus bij alsof ze in de Kalverstr. was. (28.12.1950).
 
De Jongs Dagboek blinkt uit door rancuneuze, misogyne uitspraken:
 
‘Het schijnt, dat je inderdaad alleen maar met vrouwen kunt trouwen of ze links laten liggen, daar tussenin zijn ze toch niet te harden.’ (11.9.1948)
 
‘Volgens haar (Betty van Steenderen) zijn vrouwen gevoels- en geen verstandsmensen. Op het punt van lectuur is ze dan ook een geheelonthoudster.’ (26.8.1949)
 
Over Maaike Wientjes: ‘Van culturele elites, van artisticiteit, van analyseren, van het denken zelf – overal wil ze af zijn. Geprobeerd haar godsdienstige overtuiging te schokken, je kunt net zo goed gaan debatteren met het gras.’ (26.8.1950) <br /> 
Zelf was hij bij het publiek van de Biekorff niet bepaald geliefd. De geruchten die hij opving over de meningen die anderen over hem hadden, heeft hij met een soort masochisme aan zijn dagboek toevertrouwd. Hij noteerde dat hij een ‘wandelende chronique scandaleuse ‘genoemd werd (11.7.1949). En ook:‘Mij vond hij (Niek Schors) a) ontevreden (sjagrijnig), b) scherp (geestig), c) sadistisch (sarderig). Over dat sadisme nog eens nadenken. Noodsadisme.’ (1.8.1949)
 
Op 10.6.1950 vat hij de grieven die men tegen hem had als volgt samen: ‘Die grieven dan waren het ‘roddelen’ dat ik volgens iedereen doe, en dat ik nooit behoorlijke kleren aan had, en dat dit corrigeren nog niets was en dat ik altijd geklaagd had, dat ik niet aan schrijven toe kwam, maar dat ik nooit iets anders gedaan had dan mijn tijd verknoeien en op de Biekorff hangen.’
 
In haar Nawoord schrijft Marsha Keja dat Max de Jong liefst bekend was geworden met zijn essays en aforismen. Dat is niet het geval. Wie de zevenhonderd bladzijden van het Dagboek wil doorploeteren zal op veel detailopnames van het leven in de kunstenaarsscene in het naoorlogse Amsterdam stuiten. Ik wens de lezer veel volharding toe.
 
Amsterdam : Van Oorschot, 2016, 848 blz., ISBN 9789028261105 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri