Nederlands proza

BOEKEN NR. 6, APRIL 2016

Lodewijk van Oord: Alles van waarde

door Henk van Viegen

In sommige opzichten is dit tweede boek van Lodewijk van Oord een ouderwetse universiteitsroman. Enkele constanten van dat genre, als de docent/onderzoeker hoofdpersonage is, zijn gemakkelijk aan te wijzen. De anti-held Wijnand Struif is als academicus best wel geslaagd te noemen. Hij wordt de opvolger van de alom geliefde hoogleraar numismatiek Jagtman aan de Universiteit van Leiden, is in staat een congres in goede banen te leiden. Maar buiten de universiteit (hij woont overigens vlakbij het werk) faalt hij in bijna alle opzichten. Hij kent de moderne maatschappij slecht, met vrouwen weet hij slechts moeizaam om te gaan, boodschappen doen of koken zijn nauwelijks aan de orde en een beetje wegkletsen met iemand heeft niet zijn belangstelling.

Dat de universiteit mee moet in de vaart der universiteiten in de verinternationaliseerde wereld: het boeit hem nauwelijks. De status van de universiteit, en ‘zijn eigen’ prachtige collectie munten, gaan hem zeker aan het hart, maar dat er in rendement gedacht moet gaan worden: het is hem een gruwel. Toch zal zijn instituut eraan moeten geloven, het is te klein en te duur, bovendien staat de schimmel op de muren in het overal lekkende gebouw. De collectie munten is er eerder om een gat in de begroting te dichten, in de ogen van de snelle manager/bezuiniger Sjuul van Baarlo. Waarmee we bij het belangenconflict zijn gearriveerd, ook een vast element van de universiteitsroman (die natuurlijk in allerlei opzichten de echte wereld in het klein is).    
Een eerste stap is in elk geval digitalisering, die kan het instituut nog even draaiende houden. Er wordt een medewerkster op de klus gezet: Taziri Azulay, ze werkt al parttime in de tamelijk muffe bibliotheek. Ze zorgt ook voor continuering van het onderwijs, als enige masterstudent. In de privélessen van Wijnand houdt deze zich aardig staande, maar hij raakt meer en meer in de ban van de moderne Marokkaanse. Die schudde zijn beschutte leventje overigens direct al op in het, enigszins ongeloofwaardige maar wel geestige begin, waar de erotische droom van een bibliotheekbezoeker wordt ingezet als feitelijke gebeurtenis. De omslagmaker heeft ervoor gekozen de openingsscène niet direct al weg te geven, waardoor de volle nadruk nu ligt op de oud ogende boeken van het instituut.

Een aanval op het moderne rendementsdenken kun je dit boek nauwelijks noemen, daarvoor is het instituut in zekere zin te onbenullig en de harde bezuiniger te karikaturaal met z’n vlotte babbel en snelle auto. Wat dat betreft was Van Oords eerste roman (Albrecht en wij (2014) scherper, satirischer. Net als in dat boek laat hij zien dat hij goed ingelezen is in de materie en zijn vlotte pen maakt zelfs de numismatiek spannend. Maar het meest aardige van deze vrij traditionele roman (met knipoogjes naar W.F. Hermans en Maarten ’t Hart) is de manier waarop Van Oord in de plot een beroemd gedicht van Lucebert heeft ingezet. Aardig wat Nederlanders en erg veel Rotterdammers en Gentenaren kennen, dankzij neon dak- en gevelletters, in elk geval één regel: ‘alles van waarde is weerloos’. Het komt uit het titelloze gedicht ‘…de zeer oude spreekt…’  Zinnen en woorden eruit (‘het gezang der zeer ouden’, ‘er is niet meer bij weinig’, ‘als het hart van de tijd’) komen met enige regelmaat aan de orde. Aanvankelijk gebruikt de uittredende professor Jagtman elementen van het gedicht in zijn strijd tegen de verloedering en de vercommercialisering van zijn Leidse universiteit, maar later blijkt het ook in Wijnands systeem te zitten. ‘als het hart van de tijd’, mompelt hij als hij beseft dat Taziri er geen enkele behoefte aan heeft zich met antieken of zeer ouden te vereenzelvigen. Zij is de ideale figuur om het hart van de eigen tijd te treffen.

Bij de manager bestaat de waarde van een collectie uit het succes bij een redelijk groot publiek, dat een product afneemt. De waarde van iets is dus niet ongrijpbaar, zoals Wijnand het graag ziet, maar inderdaad weerloos. Digitalisering is bij het binnenhalen van gelden en publiek tegenwoordig een toverwoord. Tegelijkertijd betekent het dat daarna je collectie ongelooflijk fraai, van alle kanten en in hoge resoluties, in alle delen van de wereld te bekijken valt, waarmee een bezoek eraan eigenlijk niet meer nodig is. Wat de fysieke collectie dus in zekere zin waardeloos maakt. Voor dat probleem blijken Taziri en haar vriend Abdul in het verrassende én slim voorbereide slot een erg mooie, hippe oplossing gevonden te hebben. We hebben er weer een aardige universiteitsroman bij. 
  
Amsterdam : Cossee, 237 p. ISBN 9789059366466 
  

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri