Vertaald proza

BOEKEN NR. 7, MEI 2016

Adrien Bosc: Morgenvroeg in New York

door Jan Baes

De Lockheed Constellation F-BAZN van Air France, ook wel het ‘Vliegtuig van de sterren’ genoemd, staat op de avond van 27 oktober 1949 klaar om van Orly naar New York te vliegen. Het had zijn naam die avond niet gestolen, gelet op de twee supersterren die in de vertrekhal de journalisten te woord stonden en door persfotografen werden vereeuwigd. Het voormalige wonderkind, nu een alom bejubelde violiste Ginette Neveu met haar broer en begeleider Jean Neveu en de bokser Marcel Cerdan, een publiekslieveling, op weg om zijn wereldtitel middengewicht te gaan heroveren op Jake LaMotta. Een als furieus aangekondigde strijd tussen de Nemeïsche Leeuw en de Minotaurus die op 2 december zou plaatsgrijpen in Madison Square Garden.

‘La Môme’ Edith Piaf, op tour in de Verenigde Staten, had er sterk op aangedrongen dat hij haar zo snel mogelijk zou vervoegen. Zodoende had Cerdan zijn voornemen laten varen om met de boot de oversteek te maken, en, alhoewel hij een hekel had aan vliegen, toch maar beslist aan de dringende  smeekbede van zijn ‘passionaria’ gehoor te geven. Drie passagiers werden met zachte aandrang verplicht hun plaatsen aan de wereldster over te laten.

Aan boord van de Lockheed 37 passagiers en 11 bemanningsleden, waaronder drie voormalige gevechtspiloten die tijdens de oorlog hun strepen met verve hadden verdiend. Na aankondiging van het slechte weer op de Noord-Atlantische route had de gezagvoerder en oorlogsheld Jean de la Noüe geopteerd voor het meer zuidelijk gelegen alternatief van de Azoren, met een tussenstop op het vliegveld van Santa Maria. Onverwacht slechte weersomstandigheden, en, zoals uit een reconstructie later zal blijken, problemen met een storende zender en feilende  radiobakens, werden de Constellation fataal. Vrijdagochtend om 02:51.02 uur valt ieder contact weg en crasht het viermotorig lijntoestel tegen de Redondo berg nabij Algarvia op São Miguel, bekend als het ‘Groene Eiland’ van de Azoren.
Edith Piaf zal zichzelf haar hele verdere leven verwijten de oorzaak te zijn van het verdwijnen van haar geliefde. Sterker nog. Ze zal lang blijven beweren dat Marcel nog leeft en claimt, na talloze spiritistische seances : ‘dat hij op me wacht’. ‘Ik wil dood, maar ik ben bang dat ik hem nooit meer terugzie als ik zelfmoord pleeg.’

Dat verhaal, samen met het trieste wedervaren van Ginette Neveu, was jarenlang stof voor de toenmalige media en resulteerde in talloze publicaties die de vele details van de ramp trachtten uit te pluizen. Julien Bosc echter, vertelt het gebeuren in zijn totaliteit en tracht in 48 hoofdstukken het complex van verhalen - ook dat van de andere passagiers - te recycleren tot een Grieks noodlotsdrama. Zo is er het verhaal van de jonge Thérèse Etchepare en vier herders uit dezelfde streek in Baskenland die hun bruidschat gingen verdienen op diverse ranches in Arizona. Van het ‘merchandising’ genie Kay Kamen die de exclusieve rechten had verworven op de fabricatie van Disney-producten en op weg was om zijn contract te verlengen. Van Amélie Ringler, een arm naaistertje uit Mulhouse, door een rijke, bijna vergeten peettante naar Detroit geroepen om de erfgename te worden van een fortuin dat met hard werken en veel doorzicht werd vergaard.

Verhalen uit alle windstreken dus, zoals ook dat van het 49ste slachtoffer, Margarete Fröhmel, die Ginette Neveu vanaf haar eerste optreden in 1931 had gevolgd en het brutaal afgebroken einde van die schitterende carrière niet kon verwerken. Ze zou  kort na het ongeval zelfmoord plegen. Van de pijnlijke verwisseling tijdens de begrafenisplechtigheid van twee stoffelijke overschotten, dat van Ginette (in een rood kleedje) en Amélie (in een groen) die de moeder van de violiste ertoe bracht de toestemming voor de ter aardebestelling te weigeren. Dat van de krul van de Guadagnini ten slotte, de gebeeldhouwde kop van een van Ginette’s kostbare violen die in 1982 plots zou opduiken in Le Grand Echiquier, het bekende  televisieprogramma van Jacques Chancel, tijdens een vraaggesprek met de vioolbouwer die nog voor Ginette Neveu had gewerkt.

Een boeiend verhaal van noodlot en toeval, waarbij de opmerking van Georges Bernanos te lezen in zijn roman Sous le soleil de Satan niet mag ontbreken : ‘Het toeval past zich aan ons aan’. Dat samen met die andere verwijzing in hoofdstuk 30 waar de slotalinea, hoewel tussen aanhalingstekens, geen auteur vernoemt. Het gaat hier om de in onze contreien te weinig bekende Franse schrijver Antoine Blondin die zijn roman L’humeur vagabonde met dezelfde alinea eindigt - met als  slotzin : ‘Un  jour, nous prendrons des trains qui partent’.
Amsterdam : Cossee 2016, 224 p. Vert. van: Constellation door Carlijn Brouwer. ISBN 9789059366480

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Couperus in de Oriënt

José Buschman

De buurjongen

Jan Siebelink

Het verkoolde alfabet

Paul de Wispelaere

The night

Rodrigo Blanco Calderón

Werk werk werk

Christophe Van Gerrewey

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Een nacht op het strand

Elena Ferrante, Mara Cerri (ill.)

Het bos slaapt

Rébecca Dautremer

Optimisme is dodelijk

Susin Nielsen

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri