Vertaald proza

BOEKEN NR. 10, SEPTEMBER 2016

Breece D’J Pancake: Vossenjagers

door Katja Feremans

Kort voor hij zevenentwintig zou worden, schoot Breece D’J Pancake (1952-1979) zich met een jachtgeweer door het hoofd. Jagen was, net als vissen, een geliefd tijdverdrijf van de auteur die in het bergachtige West Virginia opgroeide. De twaalf kortverhalen die hij naliet, zijn diep in zijn ruige geboortestreek geworteld.

In het openingsverhaal ‘Trilobieten’ - fossielen die ooit als heel waardevol werden beschouwd door de indianen in de regio vanwaar Breece Pancake afkomstig was - word je meteen ondergedompeld in de hoofdthema’s van zijn werk: afgrondelijke eenzaamheid en levens die dikwijls al in de knop worden gebroken bij gebrek aan mogelijkheden in een streek die drijft op gasbronnen, koolmijnen en kleinschalige, vaak verlieslatende, landbouw. Ook Colly probeert de ouderlijke boerderij na de dood van zijn vader draaiende te houden, maar weet dat hij niet om de verkoop ervan heen zal kunnen. Het praatje met de man van de lening bedrukt hem, net zoals de ontmoeting met zijn ex-liefje Ginny, die sinds twee jaar in Florida studeert:

‘Ik kijk lange tijd naar de holle schaduwen die haar ogen verbergen. Ze is iemand die ik lang geleden heb ontmoet. Ik kan me haar naam even niet herinneren, en dan schiet hij me weer te binnen’.

Na een zielloze vrijpartij in een vervallen stationsgebouw vertrekt Ginny abrupt. Wanneer Colly opkijkt, ziet hij de achterlichten van haar wegrijdende auto oplossen in de mist.

Het zijn de wrange details die je bijblijven, eerder dan de weg die wordt afgelegd door de personages - boeren, mijnwerkers, truckers, liefhebbers van hanengevechten, vossenjagers, serveersters: doorgaans zitten hun levens zo muurvast dat er van een ontwikkeling geen sprake is. In ‘Wat zal met het dorre geschieden?’ stopt de trucker Otto bij de Gerlocks, zijn pleeggezin, althans tot het geld van de bijstand op was. Otto had het goed kunnen vinden met hun dochter Sheila en haar neef Buster. In hun puberteit geraakten de onderlinge verhoudingen echter uit evenwicht. Daarbovenop kregen Otto en Buster een auto-ongeluk waar Buster zwaar gehavend uitkwam. Na het onbevredigende weerzien, muist Otto ervanonder.

De titel van dit verhaal is ontleend aan een bijbeltekst. De in de Angelsaksische wereld postuum bejubelde Pancake had zich dan ook tot het katholieke geloof bekeerd toen hij halverwege de twintig was. John Casey (verbonden aan de Universiteit van Virginia, toen hij in de lente van 1975 Pancake voor het eerst ontmoette) zegt in het nawoord bij deze verhalenbundel dat hij evenzeer in het duister tast over Pancakes zelfmoord als over zijn bekering. James Alan McPherson (Afro-Amerikaanse auteur, collega van John Casey, winnaar van de Pulitzerprijs voor fictie in 1978) meent in het voorwoord wel iets te hebben begrepen van wat Pancake bewoog. Langs de kronkelige bergwegen in diens geboortestreek was hem namelijk het gebrek aan horizon opgevallen: je keek er óf naar de hemel, óf naar de huizen beneden in de dalen. Vooral met de vaak uitzichtloze diepte confronteert Pancake zijn labeurende personages in deze stationaire verhalen, die stuk voor stuk van een wrede, mistroostige schoonheid zijn.   
Amsterdam : Lebowski, 2016, 180 p. Vert. van The stories of Breece D 'J Pancake door Johannes Jonkers. ISBN 9789048828111

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri