Vanaf negen jaar

Philippe Lechermeier en Rébecca Dautremer (ill.): Het dagboek van klein Duimpje

door Vanessa Joosen

Het leven van een kleine blaag
10+ - Van alle sprookjes is 'Klein Duimpje' van Charles Perrault een van de allerwreedste. Duimpje en zijn broertjes worden eerst door hun eigen ouders in het bos achtergelaten om van honger om te komen. Vervolgens worden ze bijna verslonden door een mensenetende reus, die nog even zijn mes slijpt voor hij hen letterlijk een kopje kleiner wil maken. Op de vraag van zijn vrouw of dat 's avonds al moet, antwoordt hij: 'zo kunnen ze nog wat besterven.' Door een list van Klein Duimpje vermoordt de reus uiteindelijk zijn eigen zeven dochtertjes. 's Ochtends ontdekt zijn vrouw dat de kinderen in het bloed liggen te baden, maar tegen dan zijn Klein Duimpje en zijn broers al ontsnapt. In veel vertalingen en bewerkingen worden de gruwelijke kantjes van dit sprookje eraf geveild. Zo wordt de moeder van Klein Duimpje regelmatig veranderd in een gemene stiefmoeder, en soms worden de kinderen van de reus ? als ze al vermoord zijn ? weer tot leven gewekt.

Een heel andere aanpak biedt deze uitgebreide bewerking van Phillipe Lechermeier, vertaald door Edward van de Vendel en met illustraties van Rébecca Dautremer. Dit dikke dagboek past in de hedendaagse tendens van sprookjesbewerkingen, waarbij het korte verhaal dikwijls wordt uitgebreid en de voormalige 'flat characters' uit het traditionele sprookje een eigen stem en psychologische diepgang krijgen. Dat is hier ook het geval: het sprookje van Perrault (negen bladzijden lang in mijn editie) is hier uitgegroeid tot een dik boek. Verteller van dienst is Klein Duimpje zelf, die aan zijn lezers niet alleen zijn avontuur met de reus vertelt, maar die de nodige tijd neemt om de mensen uit zijn gezin en omgeving te schetsen, zijn grote liefde te beschrijven, zijn levensgeschiedenis toe te lichten, en de lezer allerlei weetjes en filosofische gedachten mee te geven. Het snelle tempo van het traditionele sprookje wordt hierdoor sterk vertraagd, maar dit boek lees je niet in de eerste plaats voor de plot. Het is een snuisteren tussen passages, gedachten, lijstjes, kleine kanttekeningen, grappige schetsen en indrukwekkende, geschilderde scènes en portretten.  <br /> Het heel uiteenlopende gamma van tekstsoorten en illustratiestijlen roept een hele resem aan indrukken en gevoelens op. Voor het overgrote deel steunt het boek op humor, en binnen die humor is er ook nog eens veel variatie. De auteur brengt de scatologische humor terug in het sprookje, en er zitten flink wat grapjes in rond lichaamsfuncties. Dat begint al op de eerste bladzijden, waar Duimpje een lijst maakt met alle namen die zijn broers voor hem verzonnen hebben. Daar staat ook een kolommetje met 'de smerige' bij, van onderkontje tot piemeldoosje. Een hoog slapstickgehalte heeft de passage waar Duimpje binnenglipt in het korset van zijn stiefmoeder, op zoek naar verborgen brieven van een vroegere minnaar. Vaker nog zit de humor in kleine dingen. Elke nieuwe dag begint met een handgeschreven spreuk, die vaak iets tragikomisch of licht absurds heeft: 'Heb je honger? Kauw op je hand. Wat eet je dan morgen? De andere kant.' Of: 'Waar begint een ei? Waar eindigt een ei?' Even tragikomisch is het 'Certificaat voor achterlating voor altijd van kinderen, klein en groot, zowel slim als idioot.' In het handschrift van de vader zijn alle praktische details ingevuld, zoals opties voor 'de zich voorgenomen plaats van achterlating' en het 'motief voor achterlating' ? in dit geval: 'Ik heb niks meer om te knabbelen.' Het hele verhaal lang is Duimpje aandoenlijk en gevat, met zijn eigen logica en kijk op de wereld, en tegelijkertijd is zijn humor subtiel genoeg om zo'n dik boek lang te werken. Aangezien er weinig zo moeilijk is om te vertalen als humor, mag het duidelijk zijn dat vertaler Edward van de Vendel hier schitterend werk heeft geleverd.

Tegelijkertijd gaat dit verhaal de duistere kantjes van het sprookje niet uit de weg. Klein Duimpje groeit op in de tijd van 'het grote gebrek' ? hier ook wel eens afgekort tot GG. Het gemis van zijn moeder, hier vervangen door de inslechte stiefmoeder Popette, is reëel en rauw. Subtiel wordt vooruitverwezen naar het sprookje van Perrault en zo wordt de onderhuidse spanning opgebouwd. Wanneer Barnabus bijvoorbeeld door een gat in het ijs zakt, willen zijn broertjes zijn hoofd afhakken om hem eruit te halen. Het commentaar van Duimpje hierop is droog: 'Hoewel hij het toch zelden gebruikt, is Boris blijkbaar wel op zijn hoofd gesteld. Hij wil in elk geval niet zonder.' Het is een voorbode van wat er bij de reus te gebeuren staat. De tand van zijn vrouw wordt bij de eerste aanblik beschreven als 'scherp als een slagersmes.' Lechermeier en Van de Vendel schuwen de gruwel niet, maar spelen er een grotesk spel mee en voegen naar hartenlust pittige details toe. Het doet een beetje denken aan Roald Dahl die het knisperen van de heks in de oven beschrijft in 'Hans en Grietje.' Wanneer de reus in dit boek zijn mes aan het slijpen is, voert hij nog een praktische conversatie met zijn vrouw:
 
als je nog wat restjes overlaat nadat je ze hebt aangesneden, maken we er balletjes van.
Zim, zim, zim
Als jij dat wilt, schat...
Zim, zim, zim
Er is er eentje die je extra lekker zult vinden.
Hij heet Boris en die heeft me toch een hammetjes!
Zim, zim, zim
En die kleine, die heet Duim, die lijkt me lekker krokant.
Zim, zim, zim
Die kun je als borrelhapje nemen, lijkt me lachen.
Zim, zim zim
 
De 'zim, zim, zim' bootst de klank van het mes na tijdens het slijpen, en roept meteen een krachtig beeld op. Maar nog akeliger is de bladzijde erna, wanneer de 'zim, zim, zim' stilvalt en er een angstaanjagende stilte volgt. Het einde is gelukkig, net als in het sprookje, en krijgt een sociale dimensie. Duimpje kan met de voorraadkast van de reus een einde maken aan het Grote Gebrek en het hele dorp voeden. Het leed in het reuzengezin wordt niet hersteld, maar het is interessant dat Klein Duimpje hier een geweten krijgt. In zijn 'verzameling van ellendes' noteert hij als 'erge ellende nr. 7': 'de dood van zeven dochters van een reus op je geweten hebben.'
 
Even rijk en gevarieerd als de tekst zijn de illustraties van de Franse illustratrice Rébecca Dautremer, die in het Nederlands taalgebied al bekend is van onder andere Sentimento en Het grote boek van vergeten prinsessen. Doordat ze hier met een betere tekst kan werken, tilt ze ook haar illustraties naar een hoger niveau. Dautremer speelt soms wel wat gemakkelijk in op een stijl die bij een breed publiek in de smaak valt, met haar aardekleuren en close-ups van personages met grote ogen. Ook de collages met oude prenten zie je tegenwoordig bij veel illustratoren (denk maar aan Roodlapje van Pieter Gaudesaboos). Maar daar blijft het niet bij. Zo creëert ze mooie spiegeleffecten tussen bijvoorbeeld de portretten van Duimpje aan het begin en die van zijn vriendinnetje Mariballe aan het eind. Sommige beelden zijn ook moeilijk te duiden. Waarom sluit het boek bijvoorbeeld met een verscheurde, en opnieuw geplakte foto van Duimpje? Bovendien heeft hij erg androgyne trekjes in de illustraties, wat de indicaties in de tekst versterkt dat hij om zijn meisjesachtige trekjes wordt uitgelachen. Duimpje lijkt ook in grootte te veranderen. Soms is hij echt piepklein, soms heeft hij de grootte van een gewoon klein broertje. Ook bijzonder is hoe Dautremer de fantasie van Duimpje tot leven wekt. Ze vertaalt zijn letterlijke associaties naar surrealistische, experimentele beelden, bijvoorbeeld van een blik konijn of een hoofd als een takkenbos. Even sterk als de humor wordt de gruwel verbeeld in dit boek. Nog nooit heb ik de reus zo indrukwekkend verbeeld gezien als hier, met zijn halve rode gezicht en vlijmscherpe snijtanden. Door het subtiele spel met de tekst laten de prenten op goed gekozen plaatsen de fantasie van de lezer spreken. Het doden van de zeven zusjes wordt bijvoorbeeld niet getoond; je ziet enkel een stapel botjes. Meteen daarna brengt een technische, grappige prent van de zevensmijlslaarzen de nodige verlichting.
 
Het dagboek van klein Duimpje is, kortom, een ongewoon rijk gevuld boek geworden, dat eindeloos kijkplezier biedt voor de geduldige lezer. Door de zorgvuldige opbouw, de sprankelende tekst en de indrukwekkende illustraties wordt het eeuwenoude sprookje opnieuw tot leven geroepen. Lechermeier, Dautremer en Van de Vendel tonen andermaal dat 'zo'n kleine blaag' ? met de woorden van Charles Perrault ? niet alleen voor zijn gezin het grootste geluk kan betekenen, maar ook voor de lezer.  
 
Leuven : Davidsfonds 2010, 252 p. : ill. Vert. van Journal secret du petit poucet door Edward Van de Vendel. ISBN 9789059086661

Oorspronkelijk verschenen in De Leeswelp 2010 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri