Poëzie

BOEKEN NR. 11, OKTOBER 2016

Jan Kuijper: Aanmatigingen

door Dirk De Geest

Jan Kuiper bekleedt al jaar en dag een aparte plaats in de Nederlandse poëzie. Hij publiceert niet zoveel – nog geen tien dichtbundels over een periode van veertig jaar --, en daarenboven blijft hij zweren bij de sonnetvorm. Op die manier positioneert hij zich wars van alle innovatieve, laat staan modieuze tendensen in de recente poëziegeschiedenis. Tegelijk is hij geen klassiek dichter in de gebruikelijke zin van het woord. In plaats van zich te richten op de exploratie van zijn eigen leven en dat om te zetten in algemene waarheden, schrijft Kuiper bewust in de schaduw van voorgangers en tijdgenoten. Hij zweert bij het aloude ideaal van de imitatie, hoezeer dat ook in onze moderne tijden verguisd wordt.

Dat besef te werken in een lange traditie wordt door Kuiper overigens bijzonder letterlijk genomen. In zijn eerdere bundels schreef hij een groot aantal ‘tomben’, verzen voor eerbiedwaardige voorgangers uit het verleden. Hij creëert omzeggens monumenten van taal, die de overledenen levend moeten houden. Daarbij streeft Kuiper ernaar om in zijn eigen sonnetten zoveel mogelijk van zowel de thematiek als de taal van die voorbeelden te laten doorklinken. Op die manier ontstaat een bijzonder intrigerend samenspel tussen het idioom van de ‘andere’ dichter en de ‘stem’ van de eigentijdse dichter die daar onmiskenbaar in doorklinkt. Uiteraard getuigt zo een werkwijze van een bijzonder grondige vertrouwdheid met de literatuurgeschiedenis en van een groot poëtisch vakmanschap.
 
In zijn zopas verschenen bundel, Aanmatigingen, wijkt Kuiper gedeeltelijk van dat principe af, en toch weer niet. In plaats van overleden modellen bundelt hij nu een aantal sonnetten waarin actuele collega’s centraal staan. De dichter beschouwt zijn verzen als evenveel ‘Albumbladen’, eerbetuigingen die lang geleden in een soort van poëziealbum werden neergeschreven. Tegelijk is Kuiper zich bewust van het dubbele van zijn onderneming. Zeker bij nog werkzame dichters heeft zo een visie iets van een autoritaire ingreep, een ‘aanmatiging’. Wie is hij immers om zich een ander dichter toe te eigenen (ook al een titel van een van zijn vorige bundels)?
 
In dit geval gaat het om een bijzonder divers amalgaam aan dichterlijke collega’s. De bundel opent met albumbladen voor Leonard Nolens en A.F.Th. van der Heijden, twee duidelijk bewonderde figuren. Bij Nolens wordt de hardheid van zijn liefdestaalgebruik geïmiteerd, bij Van der Heijden zowel de uitbundige pathetiek als de tragiek van Tonio, het boek voor zijn overleden zoon. Daarna volgt een catalogus van namen en albumbladen die vooral de veelzijdigheid van Kuipers lectuur laat zien. Naast figuren als Ter Balkt of Gerlach duiken ook Lampe, Lecompte of Meuleman in deze bonte verzameling op. Niet alle gedichten zijn even geslaagd, maar de bundel geeft wel een verdienstelijke inkijk in hoe dichters te werk gaan, en hoe een andere dichter zich daardoor laat inspireren. Vooral het spel van stem en tegenstem is boeiend. Tegelijk is dit een bundel die zich haast vanzelf richt tot een beperkte incrowd van lezers die al vertrouwd zijn met het werk van de figuren die Kuiper oproept. 

Amsterdam : Querido 2016, 38 p. ISBN 9789021403625 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2018

De avond is ongemak

Marieke Lucas Rijneveld

De belofte. Requiem voor de misdaadroman

Friedrich Dürrenmatt

De integratie van heden en verleden bij Arnaldur Indriðason

Eenzaamheid en existentiële koudbloedigheid

Habitus

Radna Fabias

Menselijke voorwaarden

Junpei Gomikawa

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2018

Aluna

Karla Stoefs

De tunnels

Dave Eggers, Aaron Renier (ill.)

Een indiaan als jij en ik

Erna Sassen, Martijn van der Linden (ill.)

Mijn grote vriend Leeuwwitje

Jim Helmore, Richard Jones (ill.)

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri