Nederlands proza

BOEKEN NR. 13, DECEMBER 2016

Jan Cremer: Odyssee: Fernweh

door Christophe Van Eecke

Het literair oeuvre van Jan Cremer valt grosso modo in drie delen uiteen. Eerst zijn er de picareske autobiografische romans van de Ik Jan Cremer-cyclus, die inmiddels een afgesloten trilogie vormen. In tweede instantie zijn er de reisreportages, gebundeld in onder meer Logboek (1978) en De Wilde Horizon (2003). Tenslotte is er het epische historische panorama van De Hunnen (1983), een tweede trilogie. Met zijn nieuwste boek begint Cremer nu aan een derde cyclus, Odyssee, waarin hij, onder meer op basis van nieuw ontdekte documenten, zijn familiegeschiedenis reconstrueert. Daartoe hervertelt hij regelmatig gebeurtenissen die reeds in eerder werk aan bod kwamen, maar vanuit een ander perspectief. Wat Odyssee onderscheidt van de eerdere picareske en epische trilogieën is namelijk het meta-karakter ervan: hier wordt vaak hetzelfde verhaal verteld, maar altijd nadrukkelijk vanuit een poging tot reconstructie van het feitelijke verleden, en met name Cremers familie-geschiedenis. Na de picarske en epische kunnen we hier dan ook spreken van een genealogische cyclus.
 
In Odyssee: Fernweh, gaat het er Cremer vooral om te achterhalen wie zijn vader, Jan Cremer senior, nu eigenlijk was. Daarbij valt op dat Cremer, ongetwijfeld bewust, een portret van Cremer senior schetst dat als een blauwdruk van Cremers eigen persona kan gelden. Beide mannen zijn geboren zwervers, rusteloos en opgejaagd door Fernweh of het verlangen om door de wereld te dolen. Beiden veroveren tijdens die omzwervingen talloze vriendinnen, liefjes en zogenaamde ‘verloofdes’; Cremer senior heeft er in elke Duitse stad wel eentje zitten. Net als zijn zoon was ook Cremer senior een boek aan het schrijven dat schandaal zou veroorzaken, maar met dit verschil dat het nooit werd gepubliceerd en dat Cremers moeder het manuscript uiteindelijk heeft vernietigd. En zowel vader als zoon hebben tijdens hun vele omzwervingen reisreportages geschreven voor kranten en tijdschriften.
 
Een groot deel van het boek is gewijd aan het reconstrueren van seniors omzwervingen, het in kaart brengen van alle liefjes die hij overal had zitten, en het evoceren van de landschappen die hij daarbij doorkruiste. Hierbij citeert Cremer ook regelmatig passages uit de publicaties van zijn vader. Maar Cremer heeft ook veel aandacht voor het leven van zijn moeder, dat vooral de tweede helft van het boek beheerst, waarin we deelgenoot worden van de talloze ontberingen die ze samen met haar jonge zoon in en kort na de Tweede Wereldoorlog in Enschede heeft geleden.
 
Waar de vader een moeilijk vast te pinnen figuur is van wie voornamelijk literaire sporen en fragmenten bestaan, was de moeder een overweldigende realiteit waartoe Cremer zich duidelijk met veel liefde verhoudt. Haar trots, vasthoudendheid en schoonheid, maar ook haar groeiende verbittering en haat tegen Nederland en tegen de man (Cremer senior) die haar in dat akelige land deed belanden, worden door haar schrijvende zoon treffend en pakkend opgeroepen. De fascinatie voor de vader en de liefde voor de heldhaftige moeder: dat zijn de twee helften van dit boek, waarin de auteur zelf als zoon de wortels van zijn identiteit op papier probeert te krijgen. Daarin is Fernweh, net als de rest van Cremers oeuvre, ook een daad van verzet tegen de vergetelheid, en met name tegen het vergeten van het onrecht en van het individu dat zich daartegen heeft verzet.
 
De opzet van het boek zorgt stilistisch voor een aantal interessante effecten. In zekere zin laat het Cremer toe om zijn beproefde genres door elkaar te gebruiken. Het boek bevat aardig wat reisreportage, telt meerdere hoofdstukken met een meer picareske toon (met name wanneer de omzwervingen en amoureuze exploten van senior worden naverteld), en grijpt vooral in de tweede helft terug naar het weidse epische panorama van De Hunnen, waaruit verschillende scènes hier opnieuw worden verteld. Maar bij elk van die genres is er hier een extra slag om de arm omdat er een duidelijke ambitie is om alles te gronden in een zekere genealogische betrouwbaarheid. Dat betekent dat dit boek Cremer minder vrij laat om aan de automythografie te doen die hij eerder zo graag heeft beoefend. Er is dus een grotere claim op historische waarachtigheid in dit boek. Die was er natuurlijk altijd al, maar hier wordt ze meer dan ooit tevoren in het boek zelf gethematiseerd, waardoor Cremer in Fernweh veel meer dan in de Ik Jan Cremer-boeken in het vaarwater van de traditionele autobiografie en de biografie terecht komt. Dat maakt van Fernweh een interessante tekst in het huidige bloeiende landschap van life writing: hoewel het een duidelijke claim op waarachtigheid heeft (en er is geen reden om aan die waarachtigheid te twijfelen), kan dit boek natuurlijk onmogelijk los worden gelezen van het ‘fenomeen’ Cremer dat de auteur in zijn eerdere boeken heeft gecreëerd. Hierdoor wordt meer dan ooit duidelijk hoe hybride en veelvoudig Cremers literaire oeuvre is, en hoe makkelijk het is om de complexiteit ervan te onderschatten.
 
Cremer slaagt erin om zijn genealogische oefening even meeslepend en toegankelijk te houden als zijn eerdere boeken. De stijl is nog altijd direct en levendig, vaak in eenvoudige taal, alsof hij naast je zit te vertellen (iets wat zich ook laat aflezen aan het veelvuldig gebruik van elliptische zinnen die aanvullingen geven op observaties of personen uit de vorige zin, alsof Cremer los uit de pols zijn geheugen laat spreken), en met niet zelden een directe emotionele impact op de lezer (met name wanneer Cremer, in herhaling van eerder werk, het onrecht beschrijft dat zijn moeder tijdens de bezetting en na de bevrijding in het bekrompen Nederland moest ondergaan). Bovendien blijft het een boek dat de condition humaine met vitaal pessimisme beschrijft. Wat in De Hunnen al duidelijk was, wordt hier, in compacter vertelde vorm, nog eens herhaald: de mens heeft geen Hitler nodig om zich als een hond te gedragen. Het enige wat het individu kan doen om zich in een wereld van andere mensen overeind te houden, is zich steeds weer trots boven de massa verheffen en zich vechtend een weg naar buiten knokken. Die filosofie was er al in de eerste Ik Jan Cremer (1964) en blijft vandaag even centraal in Cremers schrijverschap.
 
Op zijn best is Cremer een schrijver die complexe situaties en ingrijpende gebeurtenissen met meeslepende directheid weet te vatten. Zijn stijl lijkt journalistiek en eenvoudig, maar daarachter gaat een consistent schrijverschap schuil dat een welomschreven levensvisie vertolkt. De literaire kritiek heeft zich wel vaker laatdunkend over Cremer uitgelaten, maar zijn literaire oeuvre heeft inmiddels een enorme omvang en een grote inhoudelijke en stilistische coherentie. Het vergt een bijzonder aanzienlijk talent om over een periode van meer dan vijftig jaar drie autobiografische cycli te kunnen opzetten die elk een eigen toon hebben, maar toch intrinsiek met elkaar verbonden blijken in een complexe mozaïek-structuur, en bovendien elk op zich ontzettend vakkundig in elkaar zijn gestoken. Cremer leest misschien wel los uit de pols, maar zijn inzicht in narratieve structuren en hoe men deze kan gebruiken om breed opgezette vertellingen tot het einde spannend te houden; zijn inzicht in wat werkt op het blad om een filmisch of visueel effect te sorteren; en zijn begrip van de universele elementen van de menselijke psychologie, wat hem toelaat om in krachtige en sterke lijnen figuren te schrijven die toch menselijk en complex op ons overkomen: al deze elementen wijzen op een voldragen en uniek schrijverschap dat, op zijn eigen literaire merites beoordeeld, een veel groter gewicht heeft dan het loutere ‘fenomeen’ Cremer zou laten vermoeden.
 
Met Fernweh heeft Cremer de aanzet gegeven tot een nieuwe laag van zijn literaire project. Het boek is geen nieuwe De Hunnen. Het zou niet alleen oneerlijk zijn om dat te verwachten, het genealogisch opzet van het boek is ook anders van toon en aard. Maar Fernweh schept wel hoge verwachtingen voor de volgende delen. En als we Cremer als schrijver een beetje kennen, mogen we hopen dat de volgende delen in crescendo zullen gaan en dat hij zijn literaire schilderspen voluit zal gebruiken om zijn familiegeschiedenis, zich afspelend in het provinciale Enschede of niet, met de nodige epische contouren voor ons te ontrollen. Bovendien blijft het verhaal van dit boek ontzettend eigentijds: het gaat tenslotte om een migrantenfamilie (Cremers moeder was een Hongaarse die zich verloren voelde in het vijandige Nederland) waarvan de zoon, Jan Cremer zelf, tegelijk Nederlander en wereldburger is. Door Fernweh naar de einders van de wereld gedreven; gepokt en gemazeld in Nederland; en op zoek naar Oost-Europese wortels voor de eigen identiteit: Cremer is een fenomeen waarin het idee van een ‘Europese identiteit’ op onverwachte maar relevante manieren wordt ingevuld.
 
Amsterdam : De Bezige Bij, 2016, 287 p. ISBN 978-9023499824 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri