Nederlands proza

BOEKEN NR. 12, NOVEMBER 2016

Guido van Heulendonk: Niemand uit België

door Yvan de Maesschalck

Engelse geschiedenis in een notendop 
Wie vanop enige afstand naar de geopolitieke conflicten kijkt van dit tijdsgewricht, wordt geconfronteerd met een overstelpende hoeveelheid niet altijd even opwekkend materiaal. Wie als romancier op zoek is naar een verhaallijn die knipoogt naar de werkelijkheid of er de onwaarschijnlijke inslag van wil aantonen, kan dan ook zijn pret niet op. De surreële en vaak mensonterende scenario’s die zich op dit – en eigenlijk op elk – ogenblik aandienen overtreffen de verbeeldingskracht van de meest getalenteerde schrijvers.
 
Tot die schrijvers behoort ongetwijfeld Guido van Heulendonk: hij steekt graag zijn voelsprieten uit en bedient zich kieskeurig en toch royaal van de werkelijkheid, die als een verwarrende dissonant op hem afkomt. Dat geldt iets minder voor zijn vroege werk (Hoogtevrees, 1985; Logboek van een narrenschip, 1988; Vreemde vogels, 1989; De echo van de raaf, 1991), maar vanaf De vooravond (1994) over Paarden zijn ook varkens (1995), Barnsteen (2010) en En dan, als ik weg ben (2014) tot zijn recente roman Niemand uit België (2016) vormen de actualiteit en het bijbehorende verleden een belangrijke inspiratiebron voor zijn schrijverschap.

In zijn laatste roman maakt hij, min of meer naar het model van zijn vorige, gebruik van drie erg op elkaar betrokken verhaalstrengen. Het gemeenschappelijke element is hoofdfiguur Blancke, wiens voortijd als student, leraar, bankbediende en ambtenaar Hoge Cultuur, wordt afgewisseld met een scenisch verslag van zijn intussen afgebroken huwelijk met Marie-Claire, een bevlogen bètageleerde gespecialiseerd in ribosomen, en dat van zijn huidige relatie met Cynthia. Het langgerekte virtuele nu-moment valt samen met Blanckes en Cynthia’s uitstap naar de zuidkust van Engeland, meer bepaald Hastings. Daar zal namelijk het huwelijk plaatsvinden van zijn dochter Fleur, waarop – zo blijkt naderhand – alleen hij, maar niet zijn voormalige echtgenote is uitgenodigd. Tot een botsing met een bestelwagen daar anders over beschikt.
 
Hastings, dat voor velen geldt als de geboorteplek van de Engelse natie, vormt niet alleen het uitgangspunt voor de verkenning van een historisch zwaarbeladen landschap, de veldslag van 14 oktober 1066 is ook een welkome aanleiding om over oorlog als dusdanig te prakkiseren. Dat doet Blancke overigens met verve, want hij beschikt over een begenadigd associatief vermogen en overweegt vaak in stilte de oorzaken, gevolgen en alternatieven van persoonlijke en maatschappelijke gebeurtenissen. Het geval wil dat de trip naar Hastings samenvalt met politiek roerige tijden: het anti-Europese discours van de extreemsrechtse partij UKIP, de beledigende uithaal van Nigel Farage naar Herman van Rompuy, de luide roep om eindelijk werk te maken van een Brexit, de vreemdelingencrisis en het daarmee verbonden aanzwellende racisme.
 
Voor Blancke is de ‘Norman Conquest’ ook onlosmakelijk verbonden met het examen Angelsaksische geschiedenis dat hij ooit bij professor Koornhert aflegde en waarvoor hij net niet slaagde. De veldslag is de eerste in een lange reeks, die onder meer ter sprake komt omdat Blancke in zijn altijd malend/terugflitsend brein als vanzelf lijnen uitzet naar de grote oorlogen van het voorbije millennium. Af en toe verwijlt hij in gedachten ook bij het ongelijke treffen tussen de Perzen en de Grieken bij de Thermopylen in 480 v.Chr., dat op zijn beurt wellicht spoort met de ongelijke krachtsverhouding tussen de goed bewapende Normandische krijgers/ruiters en de pover uitgeruste Engelse boeren/landlieden. Parallel daarmee is het lang vervlogen examen over Hastings zoveel als de eerste onverdiende nederlaag in zijn eigen levensgeschiedenis. De spontane abortus van Marie-Claire kort na hun huwelijk, hun echtscheiding en Marie-Claires nieuwe man Hendrik Ter Kameren, de moeilijke verhouding met hun dochter Fleur, die op vijftienjarige leeftijd ‘het non-country België’ onherroepelijk inruilt voor Groot-Brittannië, zijn mislukking als leraar, enzovoort vormen evenzoveel nederlagen waar hij mee in het reine tracht te komen.
 
In lijn met de meeste mannelijke hoofdpersonages die in zijn andere romans aantreden, is Blancke het prototype van de intellectuele antiheld. Revelerend is bijvoorbeeld de herinnering aan een tafelbabbel met Marie-Claire over de status van het heldendom. Voor hem ‘[heeft] de literatuur het concept gejat’ en ‘[is] de held even reëel als de mens zelf.’ Terwijl zij naderhand klinkt ‘op de helden’, denkt hij aan ‘de deserteur’ uit de Eerste Wereldoorlog, wiens graf ‘bij Abbeville’ ze ooit bezochten. Als Blancke aan een held denkt, komt hij steevast uit bij de (over)moedige Griek Leonidas, die de Perzen ooit uitdaagde en het met zijn leven bekocht. Maar zo’n held is hijzelf allerminst. Tegelijk put hij het nodige zelfbewustzijn uit het besef meer cultuur in huis te hebben dan zijn concurrenten, in elk geval meer dan bijvoorbeeld Marie-Claires tweede echtgenoot Hendrik Ter Kameren, voor wie hij van meet af aan een spontane afkeer koestert. Wanneer die een publiek pleidooi houdt voor meer agenten op straat, denkt Blancke bij zichzelf:  
 
‘That was the question. Eerst de laarzen, dan Shakespeare. Hoewel hij betwijfelde of Old Ringbaard dit citaat in huis zou hebben’.
 
In gedachten verkoopt hij zijn baltsende rivaal een doodsteek, want het bedoelde citaat betreft de gevleugelde uitspraak van F.M. Dostojevski dat ‘een paar laarzen meer waard zijn dan Shakespeare’. Een gedachte die in de context van Van Heulendonks precieuze roman helder oplicht en tot nadenken stemt.
 
In het tafelgesprek waarvan eerder sprake, komt ook de chaostheorie aan bod, een intussen allang ingeburgerde opvatting waarmee zowel filosofen, wetenschappers als geschiedschrijvers aan de slag zijn gegaan. De vraag die de chaostheorie opwerpt, formuleert Marie-Claire zo:
 
‘Kan de vleugelslag van een vlinder in Frankrijk een oorkaan veroorzaken in Amerika?’
 
Zelf lijkt ze niet zoveel op te hebben met die benadering, maar Blancke vermeit zich onophoudelijk in de hypothetische (on)mogelijkheden van het verleden. Een aardige knipoog terzake is de afbeelding die Blancke mag aanschouwen bij een bezoek aan het ouderlijke huis van Fleurs aanstaande echtgenoot Sebastian, zoon van de zwaar gehandicapte Carl Middlewood, wiens vrouw in tragische omstandigheden is omgekomen.
 
‘Aan de muur boven het toilet een poster met een Escherachtige vlindercompositie. Blancke blijft ernaar staren, meegezogen in de malende insectenwolk, de gedachte wegduwend of hier een verborgen wens in zit: de nostalgie van iemand die alleen nog kan dromen van dartelheid en vrije vluchten’.
 
Ja, wat als Middlewood van India niet naar Engeland was overgekomen? Wat als de tragedie waar buurvrouw Coalfax op alludeert niet was voorgevallen? Of als Marie-Claires eerste zwangerschap goed was afgelopen en het verhoopte dochtertje Dawn was geboren? Meer dan speculaties leveren de antwoorden op die vragen niet op, maar de roman toont wel hoe Zeger Boon, haar eerdere amant en Blanckes jaargenoot, evengoed haar echtgenoot had kunnen zijn. Hoe de miskraam van Marie-Claire een schaduw werpt op hun huwelijk en een onbevangen omgang met dochter Fleur in de weg staat. Hoe de overwinning van de Franse Willem de Veroveraar, met de hulp van Vlaamse ‘huurlingen’ een vreemdtalige heerschappij in Engeland installeert, een land dat pakweg duizend jaar later, ironisch genoeg, in hoge mate gekant blijft tegen Europese integratie. Of zoals het bij monde van een naamloze Brit in de wachtzaal van ziekenhuis Conquest Hospital wordt verwoord:
 
‘We kunnen toch niet iedereen binnenlaten, zegt de man. We leven op een eiland. Straks staat het hier vol moskeeën’.
 
Een en ander klopt, een en ander klopt vooral niet. Maar het kan niet worden ontkend dat er onzichtbare draden lopen van het bloedige slagveld nabij Hastings naar het slagvaardige ziekenhuis van Hastings, waar een gehavende Cynthia na Blanckes onfortuinlijke automaneuver wordt opgekalefaterd. Of de klap die Blancke veroorzaakt een late echo is van Middlewoods ongeluk, laat ik graag in het midden, maar in een roman waarin vlindereffecten tot de thematische kern behoren is zoiets niet ondenkbaar. Dat Blancke met deze prikkelende visie niet alleen staat, bewijst met name het essay Engeland, wonderland (Davidsfonds, 2005) van de vooraanstaande Engelandkenner Raoul van Caenegem. ‘Als het allemaal net zo goed anders gekund had, dan heeft het zin de alternatieven te bestuderen’. Dat is precies waar Van Heulendonk met zijn roman op aanstuurt.
 
Hoe prikkelend de these van Niemand uit België ook is, toch lijken me vooral een paar ondergeschoven motieven en taalspelige details de aantrekkelijkheid ervan op te drijven. Een ervan is het tweelingmotief. Het door Marie-Claire opgevangen embryo blijkt dat van een mannelijke tweeling te zijn, een weerloos dubbelwezen dat herhaaldelijk in de herinneringen van Blancke opduikt. Bijvoorbeeld wanneer hij door het raam zijn dochter gadeslaat die op een bankje in het park bij twee berken is gaan zitten. ‘Nog altijd deed hun aanblik hem aan de tweeling denken’. Zoals hij zich overigens ooit inbeeldde dat zijn lievelingsleerling Kimberley haar Engelse spreekbeurt over tweelingen hield om hem te raken. ‘Het bleef door zijn hoofd spoken: dat hier een wraakoefening gaande was’. Een soortgelijke associatie doet zich voor wanneer Blancke zijn ex-vrouw opbelt naar aanleiding van Fleurs huwelijk. Hij verneemt een en ander over Hendriks tanende gezondheid – alsof hij Middlewoods troosteloze toestand imiteert? – en over Fleurs abortus, waarvan hij absoluut niets afwist. ‘De tweeling, denkt hij’. Roept de ene abortus de andere op, spiegelt het ene feit zich in het andere, afgezien van tijd en ruimte? Aan de lezer om het verder na te speuren.
 
Even opvallend is het motief van de pijl. Niet die van de tijd, zoals in de experimentele roman Time’s Arrow: or the Nature of the Offence (1991) van Martin Amis, maar de pijl die zich in het oog van Harold Godwinson zou hebben geboord, of de pijl die de blanke borst van de albatros dodelijk treft in The Rime of the Ancient Mariner (1798) van S.T. Coleridge, een ballade die tijdens een college Engelse literatuur ter sprake kwam. Of de pijl die Leonidas tussen de ribben krijgt en hem noodlottig wordt. Of nog, de pijl die Blancke de weg wijst naar de ‘Fracture Clinic’ waar Cynthia wordt verzorgd. Wijzen deze en andere pijlen hem erop dat zijn levenspad vooraf is uitgetekend? Dat wat een rechte weg lijkt uiteindelijk terugleidt naar het (embryonale) begin? Zoals de herinnering aan zijn examen over Hastings in de openingsbladzijden weer opduikt in de slotalinea van de roman, zodat het verhaal ondanks alle losse draadjes zichzelf als het ware oprolt en even sluitend is als een cirkel?
 
Het is uitdagend de nauwe band tussen fictie en feitelijkheid nader te onderzoeken. De expertise waarvan professor Koornhert getuigt, doet onverwijld denken aan die van de eerder genoemde Raoul van Caenegem, een gerespecteerd/erudiet historicus die in staat is/was ongeveer elke minuut van de beroemde veldslag bij Hastings te reconstrueren (en dat in zijn colleges ook heeft gedaan). Volgens de roman blijkt hij getrouwd met een bankiersdochter van Zwitserse komaf, een gegeven dat niet klopt met de feiten en dat Van Heulendonk wellicht ontleent aan het huwelijk van een voormalige, bijna even beruchte hoogleraar in de Engelse taalkunde. Zoals hij mijn inziens de hier opgevoerde minister van cultuur modelleert naar de nog actieve Vlaamse minister-president, zeker als de talrijke vermeldingen van de Hoogweivlakte/-première/-vlag gelden als een speelse verwijzing naar de jaarlijkse Vlaams-nationalistische hoogmis in Diksmuide. ‘Hoe jongensachtig zag hij eruit, met zijn guitige blik en pretrimpels rond de bruine ogen. Ondanks zijn vroeggrijze haardos. Een knuffelbare scoutsleider’. Ik durf uiteraard niet zover te gaan dit boek een sleutelroman te noemen, maar bepaalde aspecten wijzen in die richting. Zo kan ook Blancke wellicht opgevat worden als een afsplitsing van Van Heulendonk zelf, wiens echte familienaam niet toevallig met een b begint. Een knipoog van ondergeschikt belang ongetwijfeld, maar een die lichtvoetig en spielerisch wordt ondersteund door de vele eigennamen die in deze roman met een b aanvangen. De b van Blancke, Boon, Bean en Blunt, maar ook die van Bayeux, Brighton, Bombay, Bangladesh en Brexit. En vooral die van de B & B waar Blancke en Cynthia hun intrek nemen.

Misschien ben ik intussen licht aan het doordraven en kan voor hetzelfde geld iets gelijkaardigs over de k worden gezegd. De k die opklinkt in UKIP, zodat het niet verbaast dat Middelwoods keffer luistert naar de strijdvaardige naam Kipling, die op zijn beurt aardig allitereert met Kimberley, die les volgde aan het Jan Keerman Instituut, gelegen aan de Keermanlei. Te veel k’s op een rij? Tijd om op zoek te gaan naar de klaprozensymboliek in deze familieroman, die ook een eigenzinnige Engelandroman en state of the nation novel is. Tijd om Niemand uit België helemaal voor zich te laten spreken.
 
De Arbeiderspers : Amsterdam 2016, 207 p. ISBN 9789029510134 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Couperus in de Oriënt

José Buschman

De buurjongen

Jan Siebelink

Het verkoolde alfabet

Paul de Wispelaere

The night

Rodrigo Blanco Calderón

Werk werk werk

Christophe Van Gerrewey

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, OKTOBER 2017

Een nacht op het strand

Elena Ferrante, Mara Cerri (ill.)

Het bos slaapt

Rébecca Dautremer

Optimisme is dodelijk

Susin Nielsen

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri