Vertaald proza

BOEKEN NR. 12, NOVEMBER 2016

Lukas Bärfuss: Honderd dagen

door Sigrid Jacobs

Als ik aan de genocide in Rwanda van 1994 denk, denk ik onmiddellijk aan Hotel Rwanda, de film uit 2004 die ik eens moest bespreken voor een les Nederlands. Nu ik Honderd dagen van Lukas Bärfuss gelezen heb, een roman die zich eveneens tegen de achtergrond van de genocide afspeelt, bekruipt me het gevoel dat ik ook had in die les Nederlands: onder de indruk van de dingen die me zonet verteld werden, maar niet overtuigd door de manier waarop het verteld werd.   
Bärfuss schrijft met Honderd dagen een verhaal over een Zwitserse ontwikkelingssamenwerker, David, die een paar jaar voor de genocide uitbreekt naar Rwanda vertrekt. Zo naïef als David is als hij vertrekt, zo snel verdwijnt bij hem de illusie dat hij de wereld beter zal kunnen maken. Hij vult zijn dagen voornamelijk met administratieve taken en met Agathe, de dochter van een belangrijke Rwandees uit de kring rond de president. Op het moment dat de rebellen het land aanvallen en zijn collega’s met het vliegtuig naar Zwitserland terugkeren, besluit hij echter te blijven.
 
Eerst het goede nieuws. Honderd dagen is een stilistisch pareltje. Bärfuss’ taal is vlot en tegelijk o zo raak. De sowieso al weinig fraaie context waarin het boek zich afspeelt (falende ontwikkelingshulp, honderd dagen durende genocide, losgeslagen media) smaakt in Bärfuss’ woorden nóg wranger. Als David aan het einde van de roman een van de vluchtelingenkampen bezoekt, klinkt dat als volgt:
 
‘De hulpverleners verdrongen zich voor de camera’s, ze waren afhankelijk van de giften en er waren nauwelijks betere beelden denkbaar om het medelijden en de afschuw van tv-kijkers op te wikken, noodzakelijke voorwaarden om ze te bewegen hun portemonnees te trekken. Ze zullen niet alles hebben getoond wat ik daar heb gezien, niet de roerloze lichamen die bij de doden op een vrachtwagen werden geworpen, waar ze even tot leven kwamen en van de berg lijken af probeerden te klauteren, vielen en echt dood waren. En ook niet de hulpverleners die over die slapstick van de doden in hysterisch lachen uitbarstten. Niet de vrachtwagens met hulpgoederen die niet konden uitwijken en over de verdroogde lijken reden die knapten als houtvuurtjes.’
 
Als het mogelijk zou zijn om het beschrevene van de beschrijving los te maken, dan zou het beschrevene uit deze roman op zich al beklijven, maar in de woorden van Bärfuss gaat het door merg en been, zonder dat het ooit emotioneel wordt. Als Bärfuss’ boek iets niet is, dan is het wel een emotionele vertelling van een droeve periode in de postkoloniale geschiedenis. Integendeel: Honderd dagen raakt omwille van de hardheid, en de woorden die Bärfuss heeft uitgezocht om die hardheid aan de lezer te communiceren. Die lezer weent niet, hij huivert.
 
Het slechte nieuws dan. Honderd dagen is een boek geworden over een zelfingenomen blanke man die denkt dat hij de wereld gaat redden; een interessant concept, maar als lezer kom je nooit echt dichtbij dat personage. Natuurlijk is het goed dat de westerse ‘wij zullen het oplossen’-mentaliteit eens te kakken wordt gezet, maar in zijn poging om het masker van het westerse engagement in Afrika te ontbloten, heeft Bärfuss een boek geschreven vol vlakke personages, die niets meer zijn dan vehikels om de scheefgegroeide situatie in de ontwikkelingshulp vorm te geven. Het liefdesverhaal dat zich in het boek ontspint, is een liefdesverhaal tussen twee holle personages die je als lezer koud laten en ook de liefde zelf ervaar je daardoor als een artificiële, lege liefde. Soms vraagt een goed verhaal gewoonweg om goede personages. Bärfuss kan een goed verhaal schrijven, dat weten we intussen, maar op de personages is het nog wat wachten.

De verhaallijn van de blanke ontwikkelingshelper en het zwarte meisje (oké, ze is niet arm) is trouwens over het algemeen slecht uitgewerkt. De roman begint op de Brusselse luchthaven, als David haar voor het eerst ziet, en eindigt aan haar sterfbed in een mensonterend vluchtelingenkamp: zie daar, een rode draad, zou je denken. Maar er zijn evenveel hiaten, grote delen in het verhaal waarin Agathe verdwijnt zonder dat er veel woorden aan vuilgemaakt worden. Bovendien is hun tweede ontmoeting, als ze allebei in Rwanda zijn, hoogst ongeloofwaardig. David verblijft toevallig in hetzelfde hotel als Agathe en ziet toevallig dat er iemand toevallig een paraplu net als de hare in de vestiaire heeft laten hangen, maar toch lopen ze elkaar mis. Na een uit de hand gelopen uitje wordt hij later toevallig in het ziekenhuis behandeld waar zij verplicht wat bezigheidstherapie doet. Natuurlijk wordt hij ook toevallig door haar verzorgd. Het zijn dus niet enkel de personages op zich die beter uitgewerkt konden zijn, maar ook de verhoudingen tussen de personages onderling.
 
En toch is Honderd dagen een belangrijk, misschien zelfs een noodzakelijk boek. Omdat het, ondanks de tekortkomingen, blijft hangen, omdat je dagen nadien nog blijft huiveren, omdat je weet dat het verhaal weliswaar afgelopen is, maar dat het systeem dat dit verhaal mogelijk maakte nog steeds het onze is.
 
Amsterdam : Cossee 2016, 221 p. Vert. van Hundert Tage door Marcel Misset. ISBN 9789059366633

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri