Nederlands proza

BOEKEN NR. 14, DECEMBER 2016

Kris van Steenberge: Blindelings

door Jooris van Hulle

Eén dag, een vrijdag van ’s morgens 06.42u tot pakweg 18u ’s avonds, één gezin – moeder Abigaïl, vader Karel en zoon Jonas, met daarnaast Anouk, medewerkster in een Centrum voor blindenzorg. Binnen dit strikt in de hand gehouden kader, waarbij in korte hoofdstukken afwisselend wordt gefocust op een van de vier protagonisten, ontplooit Kris van Steenberge zijn verhaal over gespannen en finaal naar een tragische ontknoping leidende relaties binnen een familie waarin droom en werkelijkheid, gefnuikte ambitie en tomeloze machtsdrang niet met elkaar te verzoenen lijken.    
Van Steenberge, terecht geprezen met zijn debuutroman Woesten (2013), heeft rustig de tijd genomen om zijn tweede roman (het ‘gevreesde’ tweede boek dat de bevestiging moet brengen van al het goeds dat over hem werd geschreven) af te werken. Blindelings laat zien dat hij als auteur bijzonder doordacht te werk is gegaan. Dat Jonas als ik-verteller aan het woord wordt gelaten, maakt dat alles wat over en rond de drie overige protagonisten door een soort alleswetende verteller wordt aangereikt, als de steeds weerkerende lichtstralen van een vuurtoren - niet toevallig verblijft Jonas in een flat aan zee in Oostende, ‘de moeder van de slechte smaak’ – afstraalt op de jongen die blind is geworden na een auto-ongeval, veroorzaakt door zijn dansleraar. Vertrekkend vanuit de vrijdag-situatie die als kader fungeert in de roman, legt Van Steenberge bloot wat de relatie tussen Karel en Abigaïl, mede door hun persoonlijk verleden (beiden komen uit een ‘geamputeerd gezin’), van bij het begin onder druk heeft gezet.  
 
Binnen deze optiek kan Blindelings worden gelezen als een sociale roman. Abigaïl is van rijke komaf, haar ouders runden een groot hotel, zelf is ze nadien als ontwerpster in de modewereld gestapt. Waarom ze uiteindelijk voor Karel heeft gekozen, die zelf is opgegroeid in een volks café aan de Antwerpse haven, ‘een zielenknoop tussen de dokken’, wordt kortaf door Van Steenberge geduid: zij moest en zou een kind krijgen om haar erfenis veilig te stellen. Met Jonas, die zelf inziet dat zijn vader ‘de vlieg was, voorbestemd om in dat web te belanden’, is weinig bemoedigends weggelegd. Abigaïl is de dominante moeder die haar kind niet kan loslaten (Jonas beseft: ‘ik walgde van haar, walgde vooral van mijn eigen onmacht’).  
 
Het schrijnendst komt alles tot uiting wanneer Karen, eens het gezinnetje verhuisd is naar Opperborg, de wijk waar lieden wonen die het ‘gemaakt’ hebben, alleen in zijn kelder de verloren droom ooit een eilandenboek te kunnen schrijven, even in leven kan houden door er aan zijn modelboten te werken. Al even significant is dat de weinige momenten dat Karel voorzichtig toenadering tot zijn zoon kan zoeken, ook al in de kelder zijn gesitueerd. En dat hij enige vorm van soelaas weet te vinden bij een collega op school (de job die hij ook al te ‘danken’ heeft aan Abigaïl), zegt veel: net als hijzelf is Eefje door het leven getekend en zijn ze beiden naar een afgedankte vleugel van het schoolgebouw verbannen.  
 
Op de relatie tussen Abigaïl en Karel weegt bovendien de handicap van hun zoon. De manier waarop Van Steenberge hem psychologisch uittekent, geeft de roman een diepgang die van het geheel méér maakt dan een loutere familievertelling. Dat in de beginscène al verteld wordt dat Jonas zijn blindengeleidehond Tristan heeft neergeschoten, is een voorafbeelding van de slotscène, die gaandeweg de roman wordt voorbereid. Hierin zal ook de relatie die Jonas heeft met Anouk, een cruciale rol spelen. Ook hier weegt de druk van de onmacht: Jonas beseft dat zijn leven in kaart is gezet door zijn moeder, ‘ik kan mij niemand voor de geest halen die in mijn leven verschenen is en niet door haar werd aangereikt.’ In wat als een Grieks drama is opgebouwd, is dit het moment van de agnitio die hem zal leiden naar de stap die hij, binnen de contouren van een opgedrongen leven, nu eenmaal moet zetten.
 
Blindelings is een roman die de lezer weet te raken. Wordt de symboliek soms iets te zwaar aangedikt (op zijn terugreis naar Jonas verliest Karel bijvoorbeeld nogal wat tijd door een ongeval waarbij ene Moira – het noodlot – is betrokken), lijkt de verwoording soms wat te voor de hand liggend (‘op hun harten zat eelt’), het zijn passages die allerminst afbreuk doen aan het geheel. Eerder onthoud ik de passages waarin Van Steenberge zijn trefzekerheid toont in de verwoording. In het hotel van de ouders van Abigaïl hangt een schilderij van haar moeder, gemaakt korte tijd vooraleer zij zou komen te sterven, ‘de hopeloze sprint van een sterveling tegen de ijlingse erosie van het leven’; over de Opperborg-wijk luidt het: ‘Wie hier woont, schuwt het openbaar vervoer. Bussen, trams en treinen maken krassen in het vernis van je welstand.’ En over Karel, die een universitair diploma geologie heeft: ‘De academicus sleept een boel wijsheid mee op zoek naar mensen, een kroegbazin sleept een hoop mensen mee op zoek naar wijsheid.’
 
Antwerpen : Vrijdag 2016, 280 p. ISBN 9789460014406 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri