Vertaald proza

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2017

Thomas Bernhard: Op de boomgrens

door Carl De Strycker

Thomas Bernhard staat bekend voor zijn schandaal verwekkende toneelstukken en zijn provocerende proza. Vilein fileert hij daarin de kleinburgerlijke moraal van Oostenrijk. Zijn personages kankeren er – telkens stilistisch briljant – op los en sparen niets of niemand, en hoewel dat vaak uitermate komisch werkt, word je niet meteen vrolijk van dat nietsontziende zeuren. Deze kenschets geldt voornamelijk voor zijn rijpere werk, maar die elementen zijn in nuce ook al aanwezig zijn vroegste proza. In drie verhalen uit de jaren zestig, gepubliceerd nog voor zijn romandebuut Vorst en nu bij IJzer uitgebracht onder de titel Op de boomgrens, vind je al sporen van die latere Bernhard.   
Het eerste verhaal, ‘Kulterer’, is genoemd naar zijn hoofdpersonage. Dat is een voorbeeldige gevangene die kort voor zijn vrijlating staat. Doordat zijn gedrag zo correct was, had hij de permissie om te ’s nachts te schrijven, al heeft zijn proza heeft niet veel impact op de medegedetineerden. Hoe dichter zijn invrijheidsstelling nadert, hoe meer angst hij krijgt voor de buitenwereld. Het leidt tot de paradoxale conclusie dat hij in gevangenschap echt vrij is, en buiten de gevangenis precies opgesloten zal zijn (in zijn huwelijk, werk…). Wat een feest zou moeten worden, een nieuwe start, is het begin van de ondergang van dit personage. Weinig hoopvol luidt de laatste zin van het verhaal: ‘Zo vlug hij kon verwijderde hij zich van de gevangenis het landschap in, dat, heuvelig, bruin en grauw, dampte van hopeloosheid.’ Dit is natuurlijk een poëticale tekst over het veilige schrijfhok en de boosaardige reacties van het publiek, maar tegelijk gaat het over de maatschappelijke kwestie hoe wij ex-gedetineerden de wereld insturen, namelijk hulpeloos, hopeloos.
 
In ‘De Italiaan’ behandelt Bernhard een thema dat hij later nog vaker aan de orde zal stellen: het laffe zwijgen van de Oostenrijkers over hun oorlogsverleden. Hoewel er net een toneelstuk van zijn hand zou worden opgevoerd, heeft de vader van de ik-figuur zelfmoord gepleegd. De verteller brengt dat in verband met de executie van een groep Poolse soldaten, die op het terrein waar ‘komedie’ moet gespeeld worden in een massagraf gestopt zijn, iets waar verder niemand over weet, behalve de ik en zijn vader. ‘Ik zei dat ik, op de dag van de moordpartij, het schreeuwen van de Polen vanuit het paviljoen in mijn kamer heb kunnen horen. Jarenlang heb ik in de omgeving van het paviljoen en waar dan ook ’s nachts dat geschreeuw gehoord. Dat schreeuwen, dat steeds als ik in de buurt van het paviljoen kwam vanzelf luider werd, heeft me twintig jaar lang, tot op de dag van vandaag, achtervolgd.’ Wroeging die komt spoken, en die de vader van de ik tot zelfmoord dwingt – een al even laffe daad als het verzwijgen van wat er ooit gebeurde. Het zal de ik niet overkomen, want hij loopt met de Italiaan naar de plek waar de soldaten liggen begraven, en vindt de moed om eindelijk het geheim op te biechten.
 
Het titelverhaal van de bundel krijgen we verteld vanuit het perspectief van een net overgeplaatste politie-inspecteur. Hij moet in het onooglijke bergdorpje Mühlbach aan de slag, en observeert in het plaatselijke pension een verdacht stel: een zeer jonge jongen en een meisje. Zijn intuïtie dat er iets niet juist zit, zal correct blijken als hij het meisje in coma op haar bed vindt na een overdosis pillen. Verdacht wordt haar vriendje, maar het blijkt haar broer te zijn, die een tijd later gevonden wordt en zich eveneens van het leven beroofd blijkt te hebben. Een onmogelijke liefde die in een beklemmend dorpje op de boomgrens – symbool voor al wat in de bekrompen Oostenrijkse maatschappij onmogelijk is – haar tragische einde kent.
 
Grimmig proza, deze verhalen, waarin de teleurstelling om de wereld, die in het latere werk zo duidelijk is, reeds doorschemert, al is de zuurtegraad hier nog iets minder hoog. Dat maakt trouwens dat er in vergelijking met ander werk van Bernhard hier ook weinig te lachen valt: het zijn doodserieuze, diep tragische verhalen. Goed dat de Nederlandstalige lezer daar nu kennis van kan nemen, al is de vertaling niet altijd even vlot. De doorwrochte grammaticale compositie van het Duits is meestal behouden, waardoor je vaak erg on-Nederlandse meanderende zinnen krijgt vol tangconstructies, bijstellingen en bijzinnen bij bijzinnen. In het Duits kan dat, maar in het Nederlands verlies je op die manier wel eens de draad. Niettemin een kleinood.
 
Utrecht : IJzer 2016, 83 p. Vert. van An der Baumgrenze door Gerard Bes en Philip Grisel. ISBN 9789086841349. Distributie: EPO

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri