Vertaald proza

BOEKEN NR. 3, MAART 2017

J.L.Borges: De verhalen

door Hugo Van Hoecke

Oud en blind geworden overleed in 1986 de grootmeester van de Argentijnse én Latijns-Amerikaanse literatuur, na een leven volledig gewijd aan de Cultuur – met hoofdletter welteverstaan. Het unieke van de filosoof-denker-literator die Borges was, ligt in zijn onverdroten aftasten van wat een eigen universum kan heten dat ontsproten is aan een exclusieve denkwereld en dat mogelijk zijn geheimen zal prijsgeven wanneer alles met alles in verband wordt gebracht. Zijn beheersing van het culturele veld was gigantisch, zijn verknochtheid eraan grenzeloos. Culturele stromingen van de 20ste eeuw - expressionisme, symbolisme, surrealisme - gingen niet aan hem voorbij, al nam hij tegenover deze ‘modernismen’ een wat laatdunkende houding aan. Vooral hun feitelijke breuk met de traditie en hun gefragmenteerde benadering van de werkelijkheid genereerden zijn minachting. Borges zelf daarentegen richtte zich op de globaliteit der dingen; voor hem bestond er geen afgebakende scheiding tussen literatuur en filosofie, tussen geschiedschrijving en theologie. Zijn werkelijkheid omspande al deze terreinen - of deed toch een poging daartoe. Schrijvers, zo vond hij, moeten tegelijk ook denkers zijn, en omgekeerd; een denker die niet enkel filosofeert maar ook schrijft belichaamt in zijn ogen de ideale cultuurmens.

Borges’ verhalen zijn in die toonaard gesteld. In de meeste gevallen draait het gebeuren rond processen die zich veel meer in de geest afspelen dan in de realiteit. En hoe dan ook gaat het om intellectuele inhouden, om een dieper duiden van de waarneembare werkelijkheid, in de context van de rijk geaderde cultureel-historische traditie die hem schraagt en waarin hij zich beweegt als een vis in het water. Borges gebruikt daartoe ‘taal’ in haar meest directe vorm, zonder opsmuk, rechtlijnig gericht op zijn doel, met name: het speuren naar de existentiële lading achter de rationele werkelijkheid, of het ontwikkelen van gratuite ideeën zondermeer. Dat blijkt uit de talloze verhalen en schetsen die hij in een achttal werken achterliet die in deze lijvige publicatie worden gebundeld.  
Zo de Wereldschandkroniek (1935), een serie mini-biografieën van dubieuze figuren, om niet te zeggen schurken, die opereerden op diverse tijdstippen en plaatsen. Het materiaal daarvoor heeft Borges geput uit allerhande bronnen. Hij ontplooit telkens het gegeven, zet het naar zijn hand, zoekt dan de diepere dimensie te laten oplichten die volgens hem in het verhaal verscholen zit. Niet het gebeuren op zich is voor hem belangrijk, maar de drijfveren, het begeleidend denkpatroon, en vooral misschien: de relatie tussen oorzaak en gevolg.
 
De tweede bundel heet in de vertaling Fantastische verhalen (1944), maar eigenlijk biedt de oorspronkelijke titel Ficciones (ficties) een juister omschrijving van wat wordt aangereikt. In feite gaat het immers om een aantal fictieve verzinsels geënt op reële personages. Sommige verhalen zijn zelfs puur metafysische speculaties met een erg beperkt verhaalgehalte, wat bij de lezer de verwarrende indruk kan wekken dat hij in een essay is aanbeland. In andere verhalen treden meer dan voorheen de elementen naar voren waar het Borges vooral om te doen is: de rol van toeval en berekening, de ongrijpbaarheid van de tijd, de herhaling en verwisselbaarheid van gebeurtenissen of gedragingen. Enkele verhalen uit deze bundel, zoals ‘De Bibliotheek van Babel’, zorgden ervoor dat Borges tot ver over de grenzen bekendheid verwierf.
 
De Aleph (1949) bevat een twintigtal andere schetsen? verhalen? die vrijwel alle even intrigerend zijn, maar waaruit het titelverhaal naar voren springt omdat het kleur geeft aan Borges’ relatie tegenover het schrijverschap en waarin hij de usurpatie van de literatuur hekelt door onverlaten die haar gebruiken om er - in zijn ogen – ‘vrijmoedige spelletjes van de spiritualiteit’ mee te spelen. Dat is heel wat anders dan de zoektocht naar orde, zingeving en samenhang binnen een chaotisch lijkend universum, die Borges zelf als de fundamentele opdracht ziet voor de authentieke schrijver.
 
Vervolgens komen een vijftal inhoudelijk nogal uiteenlopende bundels aan bod die in de jaren ‘60 en ‘70 het licht zagen. In Het boek van de denkbeeldige wezens (1967) wil de auteur naar eigen zeggen ‘een handboek samenstellen van de vreemde wezens die de menselijke fantasie in de loop van de tijd overal ter wereld heeft voorgebracht’. In alfabetische orde en in korte stukjes worden ruim honderd mythische en folkloristische creaties van de geest voorgesteld, van de centaur over de Chinese vos tot de trollen. Voor Borges is het universum een ongrijpbaar fluïdum waarin de geest nonchalant zijn weg gaat, vandaar wellicht deze bizarre verzameling van non-creaturen. Aanknopingspunten met de wereldliteratuur zijn daarin, zoals steeds in Borges’ werk, overvloedig aanwezig.
 
Het verslag van Brodie (1970), bevat een tiental sobere verhalen (maar dat zijn ze eigenlijk allemaal) die soms het etiket ‘ruig’, soms het etiket ‘aandoenlijk’ kunnen opgekleefd krijgen, ook al let de auteur er zorgvuldig op zich niet op gevoelswegen te begeven. Vijf jaar nadien publiceert hij Het boek van zand (1975), andermaal een dozijn kortere verhalen die meer dan de vorige een filosofische benadering betrachten van de mens met zijn complexe motiveringen; de dromen die zij oproepen, aldus de auteur, worden geacht zich verder te vertakken in de verbeelding van de lezer. Uit 1977 worden twee eveneens korte verhalen opgenomen, met name De roos van paracelsus en Blauwe tijgers, twee van inhoud uiteenlopende stukjes die, zoals meestal bij Borges het geval is, niet eindigen bij het laatste geschreven woord. Ter afsluiting van Borges’ narratieve nalatenschap volgt bij wijze van uitgeleide de bundel De maker (1960), die voor de helft uit poëzie bestaat. De herinnering aan vroeger, het cultuurverleden en het peilen naar de dood zijn er de hoofdingrediënten; elk stukje is een voorbeeld van geschaafde taalplastiek en intellectueel patchwork.
 
Doet men, afrondend, een poging om de vele componenten van Borges’ verhalend werk in elkaar te schuiven, dan leidt dit tot de eenduidige slotsom dat middels dit uitgebreide aanbod aan verhaalsprokkels het agnostisch wereldbeeld gestalte krijgt van een auteur wiens universum door schimmig toeval wordt gestuurd en waarin het wezen van de dingen hoe dan ook gehuld blijft in een waas van niet-begrijpen.

Amsterdam : De Bezige Bij 2016, 891 p. Vert. door Barber van de Pol en Mariolein Sabarte Belacortu. ISBN 9789023497004. Distributie: WPG Uitgevers

Meer besprekingen over Argentijnse literatuur


deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2021

Baksteen

Femke Vindevogel

Brandingen

Paul Verrept

de Lach van de Sfinx

Frans Kuipers

Onder buren

Juli Zeh

Ons deel van de nacht

Mariana Enriquez

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2021

Een leven vol kleur. Alles is kunst, als je maar goed kijkt

Cara Manes, Fatinha Ramos (ill.)

Ik wil een hond (en het maakt niet uit welke)

Kitty Crowther

Ik wil een wiegje worden zei de wilg

Bette Westera, Henriëtte Boerendans (ill.)

Vanaf hier kun je de hele wereld zien

Enne Koens, Maartje Kuiper (ill.)

Victorine

Jet van Overeem, Annemarie van Haeringen (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri