Nederlands proza

BOEKEN NR. 4, APRIL 2017

Wessel te Gussinklo: De Weergekeerde Bloem

door Laurent De Maertelaer

De opperste vrijheid van de leegte

Voor een roman van Wessel te Gussinklo (Utrecht, 1941) zit de literaire kritiek op het vinkentouw. Nieuw werk is alleen al door de zeldzaamheid ervan een gebeuren van formaat, zeker als het een roman betreft. In de 20ste eeuw publiceerde te Gussinklo slechts twee romans: zijn debuut De verboden tuin in 1986 en de roman die hem in literaire  kringen bekend maakte, het veelvuldig bekroonde De opdracht in 1995. In deze eeuw verraste hij vriend en vijand door in 2013 na bijna 20 jaar stilzwijgen op de proppen te komen met de roman Zeer helder licht, een van de eerste uitgaves van de toen gloednieuwe uitgeverij Koppernik. Te Gussinklo heeft duidelijk de smaak te pakken want nu, amper 3 jaar later, is er het uitstekende De Weergekeerde Bloem. Als toemaatje gooit Koppernik daar een herdruk van De opdracht bovenop.

De titel van zijn nieuwe roman haalde te Gussinklo bij Harry Mulisch, meer bepaald uit Hoogste tijd (1985). Een citaat uit deze roman over het tragische noodlot van een tweederangsacteur fungeert tevens als motto:

‘Maar in het hoogste stadium, dat van de Weergekeerde Bloem, wist hij in zekere zin helemaal niet meer wat hij deed: daar heerste de opperste vrijheid van de leegte.’

Deze metafoor voor het schrijfproces, ‘het zichtbaar maken van het raadsel door de kieren van het alledaagse’ is een leidmotief: ‘Niet denken of begrip of inzicht, maar een zekerheid die daar ver bovenuit gaat, een noodzaak die opgelegd wordt en die toch tegelijk totale vrijheid inhoudt. Dat heet de Weergekeerde Bloem of hoe je het ook noemen wilt’. Sinds Aangeraakt door goden (2003) - een ‘ontwikkelingsroman’ opgebouwd uit essays over Sartre en Mulisch - kennen we te Gussinklo’s ongebreidelde liefde voor het werk van de auteur van De aanslag, De ontdekking van de hemel en Het stenen bruidsbed.

De geest van Mulisch waart ook doorheen De Weergekeerde Bloem, zowel gevoelsmatig als aan de hand van subtiele verwijzingen. Het is het verhaal van de ‘symbiotische’ vriendschap tussen twee jonge, beginnende schrijvers. Een hechte verbintenis die doet denken aan de beruchte kameraadschap tussen Mulisch en schaakwonder-schrijver J.H. Donner (het model voor Onno Quist in De ontdekking van de hemel). H.J. Gerritsen, de ik-verteller in De Weergekeerde Bloem, heeft als roepnaam Hajé, de fonetische spelling van de initialen van ‘Hendrik Johannes’, niet toevallig het omgekeerde van Donners ‘Johannes Hendrikus’. Hajé is deels gebaseerd op Donner, maar is overduidelijk ook een alter ego van te Gussinklo zelf. Die schreef als 22-jarige de roman De expeditie, waarvan enkele hoofdstukken verschenen in onder meer het literaire magazine Maatstaf, maar die nooit in zijn geheel werd gepubliceerd. Zijn volgende roman De verboden tuin probeerde hij ruim tien jaar lang vruchteloos gepubliceerd te krijgen (we herkennen hierin de fragmenten waarin Hajé hoofdstukken van zijn roman aan een redacteur wil slijten).

Hajé is een 28-jarige klaploper, een grootsprakerige kroegtijger, die iedereen die het horen wil vertelt over het meesterwerk dat hij aan het schrijven is, maar in werkelijkheid met een knoert van een writer’s block heeft te kampen. Hij publiceerde in het verleden al één roman en enkele verhalen in literaire tijdschriften, maar die werden stuk voor stuk afgeserveerd door de kritiek. Op een dag ontmoet hij tijdens een scootertochtje de lispelende, zwijgzame en fatterig geklede Marcel van Beek, eveneens een ploeterende schrijver, die het met zijn ‘onderwijzersproza’ in de trant van Reve en Hermans probeert te maken. De twee worden bloedbroeders. Hajé, een heuse spraakwaterval (als het maar niet op papier hoeft) vertelt Marcel uitgebreid over het boek  waaraan hij werkt. Kort nadien maakt Marcel zijn succesvolle entree in de literaire wereld met een roman (‘Gewaand bezit’) die exact dezelfde verhaallijn heeft. Voeg daar nog een door de schrijvers lustig gedeelde vriendin (Lisette) bij en het spel zit helemaal op de wagen.

Tijdens een recent televisie-interview in VPRO Boeken verklaarde te Gussinklo dat De Weergekeerde Bloem net als zijn andere romans sterk autobiografisch is. De vriendschap tussen Donner en Mulisch komt ter sprake, maar de auteur legt uit dat de eerste aanzet tot het duo Hajé-Marcel gebaseerd is op zijn jeugdvriendschap met de grote dichter Kees Ouwens. Te Gussinklo nuanceert in het interview  ook de binnenflaptekst waarin sprake is van een ‘symbiotische vriendschap’. Die is volgens hem meer ‘vampirisch’ of ‘parasitair’ van aard. Twee teksten stonden te Gussinklo voor ogen als  model voor dergelijke naargeestige relaties: Dostojevski’s De eeuwige echtgenoot (1870) en Nescio’s Boven het dal (1961). Deze referenties mogen niet verbazen. De Weergekeerde Bloem heeft een bestendige klassieke ondertoon en draagt een oerdegelijk meesterschap uit. Bovendien doen de vergaande psychologische verdieping van de personages, de vele dialogen en de wijsgerige uitweidingen inderdaad denken aan de meester uit Sint-Petersburg. Te Gussinklo hanteert een benijdenswaardige,  expressionistische stijl waarin de gevoelswaarde van de hoofdpersonages de boventoon voert. Wie een dergelijke roman kan schrijven zonder ouderwets over te komen, is een vakman.

De Weergekeerde Bloem slingert ons terug naar een verloren tijd. Een klassieke, antieke wereld, grofweg eind jaren ‘60, begin jaren ‘70, toen te Gussinklo leurde met De verboden tuin, zeg maar. Telefoneren doe je in een telefooncel en bij de hoeren of op café betaal je gewoon nog in guldens. Het is de tijd dat schrijvers zuipen, roken en bordelen bezoeken. En als vanouds elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Het groenogige monster dat jaloezie heet, zaait tweespalt en drijft de vrienden uiteen. Toch is De Weergekeerde Bloem geen nostalgisch of voorspelbaar boek. Te Gussinklo trapt niet in de val van clichés en behoudt schijnbaar achteloos - tot op het verrassende einde - de controle over zijn verhaallijnen en personages. Deze knappe roman is in de eerste plaats een begeesterende ode aan het schrijverschap, geschreven door een meesterlijk stilist. Kinnesinne van Bijbelse proporties brengt nog maar eens weergaloze literatuur voort.

Amsterdam Koppernik 2017,  373 p. ISBN 9789492313256. Distributie: Elkedagboeken

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri