Nederlands proza

BOEKEN NR. 5, MEI 2017

Rudi Hermans: De troonpretendent

door Jooris van Hulle

In 1989 publiceerde Rudi Hermans zijn novelle Terug naar Törökbalint. Daarin doet hij het verhaal van een vrouw die na 45 jaar terugkeert naar haar Hongaars geboortedorp om er het graf van haar net overleden vader te bezoeken. Aan haar zoon die de treinreis meemaakt, vertelt ze over haar kindertijd en haar jeugd: hoe haar ouders haar, mede door de dreiging van de Kozakken en de schrijnende armoede, naar België hebben gestuurd; hoe zij hier door een boer en diens vrouw werd uitgebuit; hoe haar eerste man verongelukte en ze nadien door de pastoor werd gekoppeld aan een bakker-weduwnaar, ‘een huwelijk, in eerste instantie gesloten niet om redenen van het hart maar om redenen van het verstand’.  
 
In De troonpretendent keert de zoon, een halve eeuw na zijn eerste bezoek aan het land van zijn moeder, terug naar de plaats die blijvend de herinnering aan zijn moeder levend inkleurt.  Aanleiding tot de reis is een krantenknipsel dat hij aantrof in het (voor het overige lege)  juwelenkistje van zijn moeder, waarin vermeld staat dat zij afstamde van koningin Henrita, overleden aan het eind van de achttiende eeuw, toen zij koningin van Zuid-Slavië was. Meer dan om de mogelijke erfenis die hem mogelijks te wachten staat, is het de zoon te doen om het beeld dat hij in zijn herinnering meedraagt aan zijn moeder en aan hun eerste reis naar Hongarije, weer voor ogen te krijgen. De halve eeuw die ondertussen is verstreken, maakt dat van het oorspronkelijke beeld van het dorp van zijn moeder nog weinig rest:

‘Wat had ik verwacht? Een museum in openlucht, met liefde en zorg geconserveerd, omdat mijn moeder er toevallig ter wereld kwam? Bij de eerste reis had ze haar erfstuk stukgemaakt, het horloge van haar vader had nooit meer getikt, maar de tijd was niet stil blijven staan. Nieuwbouw had het dorp doen uitbreiden. […] Er lag zelfs asfalt op de wegen.’
 
Vanuit deze optiek wordt gaandeweg de roman duidelijk wat de zoon drijft: een soort verlangen naar de volmaakte tijd van toen, het verlangen de teloorgegane eenheid - die met zijn moeder en die met en in zichzelf – te herstellen. In subtiel verwoorde zinnen en beelden roept Hermans dit verlangen op:  
 
‘Ik was destijds verscheurd geraakt. Daartoe gedwongen keerde mijn lichaam naar huis, maar mijn ziel was toen achtergebleven.’  
 
Even veelzeggend is de slotscène van de roman: op bezoek in een museum ontmoet hij een Modjaarse in groen, wit en rood. Hij meent in haar zijn moeder te herkennen en kan (eindelijk) besluiten:  
 
‘Ik was eindelijk thuis, warm in haar buik was ik veilig. Ik hoorde een stem die mij riep. Ze klonk bezorgd, meedogend, volliefde. Ze klonk als de stem die ik lang had gemist.’
 
Deze slotzinnen vatten het motief samen dat de basis vormt van Hermans’ roman: de reis die de ik-figuur naar het geboortedorp van zijn moeder voert, is ook, en misschien zelfs in de eerste plaats, een reis naar het innerlijke, een zoektocht die de eenheid moet herstellen. Zo staat er te lezen: ‘Met haar ziel weer herenigd, een en al één, zoals ik met mijzelf weer één was geworden, zouden wij samen een stel vormen dat voorgoed onafscheidelijk was.’  
 
Voor de lezer eertijds van Terug naar Törökbalint is De troonpretendent een aangenaam en boeiend weerzien met de personages die toen al hun opwachting maakten. Ook voor de ik-figuur uit De troonpretendent geldt het principe van de terugblik: hoe zijn moeder, op het moment dat hij zelf vader werd, voor het eerst haar verhaal kon en wilde vertellen en hoe hij er nadien een verhaal van maakte dat haar in wezen koud liet, ‘omdat ze het zelf beleven moest en geen boodschap had aan verzinsels die ontstonden toen ik orde aanbracht in de chaos die achter haar lag?’ Fictie mag dan op zichzelf bestaan, weet de schrijver, maar ‘dat een feit op zichzelf kan staan is fictie, elk gevolg leunt tegen een oorzaak.’ Schrijven is voor Hermans geen vrijblijvend gebeuren. In de eerste plaats gaat het hem erom de strakgespannen lijn die hem een plaats geeft in zijn familiegeschiedenis, dichter naar zich toe te halen. 

Antwerpen : Manteau 2017, 134 p. ISBN 9789022333303. Distr.: WPG Uitgevers 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri