Nederlands proza

BOEKEN NR. 5, MEI 2017

Ludo Simons: Van het kasteel naar het front. Het oorlogsdagboek van Jozef Simons 1914-1918

door Jooris van Hulle

In zijn inleiding bij het oorlogsdagboek van zijn vader Jozef (1888-1948) typeert Ludo Simons het werk als zijnde ‘atypisch’ in zijn soort. Jozef Simons maakte de eerste twee oorlogsjaren mee in de onmiddellijke nabijheid van de hoogste Franse en Britse legerautoriteiten, die op het kasteel De Lovie in Proven (Poperinge), waar hij als huisleraar van de kinderen in het gezin van graaf Joseph de Brouchoven de Bergeyck optrad, graag geziene gasten waren. Pas in 1916 zou Jozef Simons zelf onder de wapens worden geroepen, daarmee zijn verlangen ook echt aan het front mee te spelen waarmakend.
 
In zijn dagboek lezen we de korte notitie waarin hij een gesprek dat hij op 20 juni 1915 had met de Gravin, samenvat: ‘Je puis disposer de mon argent. Je voudrais m’engager’. Maar de Gravin weet dat door een interventie bij de Belgische eerste- minister in Le Havre, Graaf de Broqueville, te verhinderen. Het zou dus nog ruim een jaar duren vooraleer hij ook daadwerkelijk werd ingelijfd bij het leger: op 10 oktober 1916 moet hij zich melden bij de ‘keurraad’ in Watou. Na zijn opleiding in Normandië wordt hij kanonnier, later tolk in het Engelse leger om nadien, in het laatste oorlogsjaar, weer direct aan het front te worden ingezet.

Atypisch is het dagboek volgens Ludo Simons ook omdat het ‘doordrenkt is van cultuur’. De kunstzinnige interesse van Jozef Simons – hij noteert welke toneelstukken en films hij is gaan zien, welke concerten hij heeft bijgewoond, welke boeken hij gelezen heeft – kaderen het beeld van een ‘jonge, veeltalige, artistiek en literair begaafde intellectueel’. Van het literaire werk van Jozef Simons onthouden we, naast enkele minder in het oog springende dichtbundels en korte prozateksten, vooral de roman ‘Eer Vlaanderen vergaat’, volgens sommigen ‘Vlaanderens belangrijkste bijdrage tot de Europese literatuur over de Eerste Wereldoorlog’.
 
Het oorlogsdagboek van Jozef Simons bestaat uit twee schriften, waarin verslag wordt gedaan over zijn verblijf op het kasteel, en uit twee zakboekjes die specifiek de diensttijd als soldaat memoreren. Ludo Simons heeft beide documenten pers- en leesklaar gemaakt. Al te lange uitweidingen die er vanuit historisch oogpunt niet toe doen, werden geschrapt of kort samengevat. Voor de lezer is het makkelijk volgen: de teksten van Jozef Simons zelf worden in cursief weergegeven, de ‘tussenkomsten’ van Ludo in romein. Vaak ook – en dit getuigt van het grondige opzoekingwerk dat Ludo Simons heeft verricht – worden fouten (vooral dan als het gaat om de spelling van namen) eerst weergegeven zoals vader Jozef ze had genoteerd, nadien ‘recte’ hernomen om zo alle mogelijke foute interpretaties en/of toeschrijvingen te vermijden.

Zo groeit deze uitgave uit tot een waar cultuurhistorisch document tegen de achtergrond van de Eerste Wereldoorlog. Zonder echt kritisch in te gaan op de leefwereld van de militaire staf en al wie er van dicht of van verre mee te maken heeft, laat Jozef Simons een aantal onder hen de revue passeren: de generaals, maar ook koning Albert I, of koningin Elisabeth, of de prins van Wales (de latere koning Edward VIII)… Tussen de regels door lees je hoe de groten vaak de prestaties van het ‘voetvolk’ opeisen om hun decoratie opgespeld te krijgen (‘Die meer achterop zijn worden gedecoreerd als ze over end weer in ’t gevaar zijn geweest, wie er in leeft, krijgt niets.’). Die spanning, die de kloof tussen de Franstalige bourgeoisie en de vaak ongeletterde Vlaamse loopgraafsoldaten illustreert, zal de sociale inzet en het strijdend opkomen voor de taal, ook bij Jozef Simons zelf, aanwakkeren. Hij componeert het ‘Frontlied’ van de Vlaamse IJzersoldaten en verder vormen zijn contacten met figuren als Hendrik Borginon, Adiel de Beuckelaere en Filip de Pillecyn de humuslaag waarop later zijn Vlaamse overtuiging gestoeld zal worden.
 
Op 10 december 1914 noteert Jozef Simons:
 
‘Ik zou veel meer moeten opschrijven want de dagelijksche gebeurtenissen van heden zullen later belangwekkend schijnen.’
 
Vaak zal hem de tijd ontbroken hebben om ook reflecterend stil te staan bij wat hij om zich heen zag gebeuren. Dat hij vaak aandacht had voor het kleine, het detail dat soms meer zegt dan een filosofisch-intellectuele analyse, bewijst hoe alert hij altijd is gebleven. Zie onder meer deze notitie, één dag later:
 
‘Dezen nacht kanongebulder. Klare maneschijn. En de schildwacht stampte op de blauwe steen van ’t kasteel en zijn bajonet blonk in ’t maanlicht behalve het topke dat zwart was van geronnen bloed.’
  <br /> Uit het topje van de bajonet spreekt bijna letterlijk de zinloosheid van het bloedvergieten. Ook al een terugkerend thema in de notities: de ‘losse zeden’ die voor velen, ook al zijn ze in hun eigen land eerder gehuwd, zowat een gedragsnorm zijn geworden. Zo doet een Poperingse herbergier en barbier het verhaal ‘over de twee vrouwen wier mans in Holland gevangen zitten en die een Engelsch kindeken hebben gekocht.’. Een losgeslagen wereld kortom, waarin Jozef Simons zich staande moet zien te houden. Dit is zeker het geval wanneer hij als kanonnier aan de bak moet en in het epicentrum van de gevechten terechtkomt:
 
‘Granaten slagen slag op slag in de ladingen, raffia schiet in brand en ze krijgen er van! Ze schieten dat de jam aan de muren plekt! Eene ekster roert tussen twee beschietingen in, van rechts naar links, van links naar rechts. ’s Avonds zingt er eene groensel [een groenvink] op een stronk achter onze dekking.’

Tielt : Lannoo 2016, 327 p. ISBN 9789401440530

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri